Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201402721/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:729, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende]) een tegemoetkoming in planschade van € 13.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en het betaalde recht, toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0017
JOM 2015/629
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402721/1/A2.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2014 in zaak nr. 13/3889 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [belanghebbende]) een tegemoetkoming in planschade van € 13.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en het betaalde recht, toegekend.

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2014, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. G.A. de Jong en drs. F.J. Kraan, beiden werkzaam bij Kraan & De Jong, adviesbureau onroerende zaken en lokale heffingen (hierna: Kraan & De Jong), en het college, vertegenwoordigd door R. Andringa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende A], in persoon en bijgestaan door mr. D. van de Weerdt, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid: een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo wordt een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [belanghebbende] is eigenaar van de vrijstaande woonboerderij met bijgebouw en tuin op het perceel aan de [locatie] te Mierlo (hierna: de woonboerderij). Bij brief van 31 mei 2012, bij de gemeente ingekomen op 6 juni 2012, heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van een besluit van 26 januari 2010, waarbij het college een projectbesluit heeft genomen ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning op een ten zuidoosten van de woonboerderij gelegen locatie (hierna: de projectlocatie). [appellante], initiatiefnemer van het project, heeft met de gemeente een overeenkomst gesloten, waarbij zij zich heeft verbonden eventuele door het college toe te kennen vergoedingen van planschade voor haar rekening te nemen.

4. Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan Gloudemans. In een advies van 28 januari 2013 heeft Gloudemans een vergelijking gemaakt tussen de mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime. Uit deze vergelijking heeft Gloudemans de conclusie getrokken dat [belanghebbende] als gevolg van de planologische verandering in een licht nadeliger positie is komen te verkeren en dat daaruit voor vergoeding vatbare schade, in de vorm van een waardevermindering van de woonboerderij ten tijde van de inwerkingtreding van het projectbesluit op 9 maart 2010 van € 850.000,00 naar € 820.000,00 is voortgevloeid. Voorts is vermeld dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, zodat een gedeelte van de schade, gelijk aan twee procent van de waarde van de woonboerderij onmiddellijk vóór het opkomen ervan, voor rekening van [belanghebbende] dient te worden gelaten.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 28 februari 2013 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

5. [appellante] heeft in beroep een rapport van een contra-expertise van Kraan & De Jong van 30 juli 2013 overgelegd. Het college heeft een schriftelijke reactie van Gloudemans van 26 augustus 2013 overgelegd.

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [belanghebbende] gestelde schade niet volledig onder het normale maatschappelijke risico valt. Daartoe voert zij aan dat de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag en dat de schade ten gevolge van die ontwikkeling relatief gering is.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 oktober 2014, in zaak nr. 201311601/1/A2), komt aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, zelfstandige betekenis toe. Alleen die schade wordt vergoed, welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van het Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologisch beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

6.2. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de in rechtsoverweging 6.1 bedoelde omstandigheden zijn betrokken bij het antwoord op de vraag of het normale maatschappelijke risico in het geval van [belanghebbende] boven het in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro vastgestelde wettelijk forfait uitstijgt. Dat laat onverlet dat de rechtbank niet heeft onderkend, gelet op het volgende, dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gevolgen van de planologische ontwikkeling niet volledig onder het normale maatschappelijke risico vallen.

6.3. In de toelichting bij het projectbesluit is vermeld dat de projectlocatie zich in het overgangsgebied tussen bebouwde kom en buitengebied bevindt, dat ook in de nieuwe situatie een open akkerlandschap tussen de clusters Neerakkers II en Loeswijk blijft bestaan, dat handhaving van de reeds bestaande hoog opgaande beplanting en een diepe voortuin ervoor zorgen dat de nieuwe woning stedenbouwkundig zo zorgvuldig mogelijk in de omgeving wordt geprojecteerd, dat er geen planologische belemmeringen voor het bouwplan zijn en dat de toevoeging van de woning geen extra beperking voor het reeds aanwezige varkensbedrijf aan de Sanghorst betekent, omdat de reeds aanwezige woningen elders al een hogere geurbelasting ondervinden.

6.4. Dat het, gelet op het van toepassing zijnde bestemmingsplan, niet was toegestaan om op de tot kernrandgebied bestemde projectlocatie gebouwen op te richten, betekent niet dat de planologische ontwikkeling niet in de lijn der verwachtingen lag. Niet in geschil is dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang in de ruimtelijke structuur van de directe omgeving van de projectlocatie past en dat het college op andere tot kernrandgebied bestemde gronden, in strijd met die bestemming en ter uitbreiding van de woonkern, heeft toegestaan woningen op te richten. [appellante] heeft meer dan twintig jaar het voornemen gehad om de projectlocatie te bebouwen en verscheidene aanvragen om bouwvergunning ingediend. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan [appellante] heeft gesteld, die aanvragen ook op andere gronden dan de stankcirkel van het nabijgelegen varkensbedrijf zijn afgewezen. Dat brengt met zich dat [belanghebbende] rekening had kunnen houden met de mogelijkheid dat het [appellante] alsnog zou worden toegestaan een woning op de projectlocatie te realiseren als de stankcirkel zou worden verkleind.

Gezien de toelichting bij het projectbesluit, de afmetingen van de nieuwbouwwoning en de afstand van die woning tot de woonboerderij, zal ter plaatse geen grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en het woonklimaat plaatsvinden. Daar komt bij dat de schade, uitgaande van de door Gloudemans verrichte taxatie, relatief gering van omvang is. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de schade niet uitstijgt boven de financiële nadelen die behoren tot het normale maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 18 juni 2013 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 6:2, eerste lid, van de Wro vernietigen, omdat het college in dat besluit niet heeft onderkend dat de door [belanghebbende] gestelde schade volledig binnen het normale maatschappelijke risico valt en voor zijn rekening dient te worden gelaten. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2014 in zaak nr. 13/3889;

III. verklaart het door [appellante] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo van 18 juni 2013;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo van 28 februari 2013;

VI. wijst de aanvraag van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] om een tegemoetkoming in planschade af;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.435,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

452.