Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201402647/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de erfafscheiding en de tuinberging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/626

Uitspraak

201402647/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bloemendaal,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 februari 2014 in zaak nr. 13/3177 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de erfafscheiding en de tuinberging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 15 april 2013 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 4 september 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit zodanig gewijzigd dat uitsluitend het deel van de erfafscheiding dat hoger is dan 1,00 m dient te worden verwijderd dan wel te worden teruggebracht tot een hoogte van maximaal 1,00 m.

Bij uitspraak van 17 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Op het perceel is op een strook grond naast de woning een berging en een erfafscheiding, bestaande uit een hekwerk met een hoogte oplopend van 1,00 m tot 1,80 m, gebouwd zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [appellant] heeft de strook grond waarop voormelde bouwwerken zijn gebouwd op 6 december 2011 van de gemeente gekocht.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is het, voor zover hier van belang, verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

3. Nu de berging en de erfafscheiding zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het college bevoegd handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Hij voert hiertoe aan dat hij gelet op de koopovereenkomst over een stuk grond van het perceel tussen hem en de gemeente er op mocht vertrouwen dat hij een erfafscheiding mocht bouwen op het perceel. Voorts bestaat, mede gelet op voormelde overeenkomst, concreet zicht op legalisatie, nu het college te kennen heeft gegeven de situatie in het nieuwe bestemmingsplan "Overveen 2013" positief te bestemmen. Daarnaast is de ruimtelijke uitstraling van de berging volgens [appellant] zeer gering, nu het bouwwerk is gelegen onder het maaiveld.

4.1. De erfafscheiding en de berging zijn, naar tussen partijen niet in geschil is, in strijd met het ten tijde van belang geldende bestemmingsplan "De Meierij 1995". Voorts zijn de berging en de erfafscheiding, naar tussen partijen evenmin in geschil, in strijd met het ten tijde van het besluit van 4 september 2012 in ontwerp zijnde bestemmingsplan "Overveen 2013".

Vast staat dat het college wenst vast te houden aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan en dat het college daarom niet bereid is omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo voor de berging en de gehele erfafscheiding. In beginsel volstaat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ten tijde van belang geen sprake was van een concreet zicht op legalisatie. Nu in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Overveen 2013" evenmin het bouwen van een bijgebouw en erfafscheiding op het perceel mogelijk wordt gemaakt, heeft de rechtbank voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat in zoverre concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder heeft het college ter zitting van de Afdeling toegelicht dat een gedeelte van de berging is gebouwd buiten het in het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan "Overveen 2013" opgenomen bouwvlak.

Anders dan [appellant] betoogt, staat in de door hem genoemde koopovereenkomst niet dat het hem wordt toegestaan op deze grond een erfafscheiding hoger dan 1 m op te richten en heeft [appellant] ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college wegens bijzondere omstandigheden van handhavend optreden behoorde af te zien tegen het bouwen van een erfafscheiding zonder omgevingsvergunning op het perceel.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Dat de berging lager is gelegen dan de aan het perceel grenzende straat en het bouwwerk volgens [appellant] niet te zien is vanaf de straat, betekent niet dat het college het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant], bestaande uit het in stand kunnen houden van een zonder omgevingsvergunning gebouwd bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

700.