Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201400759/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:5855, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 31 januari 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in zijn brieven van 4 en 28 november 2011 niet heeft verzocht een besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400759/2/A3.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Ooij, gemeente Ubbergen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2013 in zaak nr. 13/4469 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen.

Procesverloop

Bij brief van 31 januari 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in zijn brieven van 4 en 28 november 2011 niet heeft verzocht een besluit te nemen.

Bij besluit van 15 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G.M. van Swam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201400759/1/A3 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 september 2014 heeft het college de aanvragen van [appellant] buiten behandeling gesteld en zich op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom is verschuldigd.

Bij brief van 11 september 2014 is [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over dat besluit naar voren te brengen.

[appellant] heeft zijn zienswijze naar voren gebracht.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de voorzitter bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op hetgeen onder 5 in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 juli 2013 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient wegens strijd met de artikelen 1:3, derde lid, en 4:13 van de Awb te worden vernietigd.

2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college [appellant] overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb op 22 augustus 2014 verzocht om aanvulling van diens aanvragen van 4 en 28 november 2011, aangezien deze naar het oordeel van het college op enkele punten onduidelijk zijn. Op 27 augustus 2014 heeft [appellant] hierop gereageerd en zijn eerder in de procedure gegeven algemene motivering herhaald. Op 10 september 2014 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Met betrekking tot het verzoek van [appellant] om een gedeelte van de openbare weg te reserveren ten behoeve van zijn bedrijfsvoering heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de door [appellant] verstrekte informatie onvoldoende is om een besluit te kunnen nemen. Het college heeft dit evenzeer overwogen aangaande het verzoek van [appellant] om de door hem geleden schade te vergoeden. Nu de verstrekte informatie niet voldoende is voor de beoordeling van de aanvragen, heeft het college besloten de aanvragen van 4 en 28 november 2011 niet in behandeling te nemen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid de aanvragen van 4 en 28 november 2011 krachtens artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling kunnen stellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] in zijn reactie op het verzoek van het college om de aanvragen aan te vullen heeft volstaan met het herhalen van zijn eerdere motivering en de door het college gestelde vragen niet concreet heeft beantwoord. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verstrekte informatie onvoldoende was voor de beoordeling van de aanvragen.

Nu het college de aanvragen in redelijkheid buiten behandeling heeft kunnen stellen, was een beslissing op die aanvragen niet nodig en is het niet tijdig beslissen op die aanvragen niet aan de orde. Van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is derhalve geen sprake. Het college heeft mitsdien terecht het standpunt ingenomen dat het geen dwangsom is verschuldigd.

4. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 september 2014 is gelet op het voorgaande ongegrond.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2013 in zaak nr. 13/4469;

III. verklaart het bij de rechtbank tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen van 15 juli 2013, kenmerk UIT-13-03254 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het onder III. genoemde besluit;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen van 10 september 2014, kenmerk UIT-14-23986, ongegrond;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen aan [appellante A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Neuwahl

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

280-805.