Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201402728/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:641, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het college [belanghebbende] een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning met garage op het perceel [locatie] te Heusden (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/28
JOM 2015/249
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6487

Uitspraak

201402728/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Asten-Heusden, gemeente Asten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2014 in zaken nrs. 13/4907 en 13/4244 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het college [belanghebbende] een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning met garage op het perceel [locatie] te Heusden (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijk besluit van 11 juli 2013 heeft het college [belanghebbende] een ontheffing verleend voor het tijdelijk bewonen van een kantine/hygiënesluis op het perceel.

Bij uitspraak van 14 februari 2014 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door J.T.D. Strijbosch-van Dillen en S.S.M.W. Stultiens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

1. [belanghebbende], die op het perceel een pluimveehouderij exploiteert, heeft op 10 december 2009 een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het oprichten van een bedrijfswoning met garage op het perceel. Op het perceel is op een andere locatie reeds een bedrijfswoning aanwezig.

Ten tijde van de aanvraag gold het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Asten 2008" (hierna: het voorheen geldende bestemmingsplan). De planvoorschriften van dat bestemmingsplan stonden het oprichten van één bedrijfswoning op het perceel toe. Ook de planregels van het op 7 mei 2011 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Asten 2008, tweede herziening" (hierna: het bestemmingsplan) staan slechts de oprichting van één bedrijfswoning op het perceel toe.

Het college heeft bij besluit van 11 juli 2013 bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwplan op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met dat bestemmingsplan, nu aan de bouwvergunning eerste fase het voorschrift is verbonden dat de bewoning van de bestaande bedrijfswoning op het perceel binnen zes weken na de verzenddatum van deze vergunning definitief moet worden beëindigd (hierna: het voorschrift). Op dezelfde dag heeft het college, op verzoek van [belanghebbende], ontheffing verleend van het voorheen geldende bestemmingsplan voor de tijdelijke bewoning van de bestaande bedrijfswoning op het perceel.

[appellant] exploiteert een intensieve veehouderij in de directe nabijheid van het perceel. Hij vreest dat hij door de realisering van de nieuwe bedrijfswoning in zijn bedrijfsvoering en de verdere ontwikkeling daarvan wordt beperkt aangezien deze bedrijfswoning, naar hij stelt, binnen de geluidcontour van zijn bedrijf is gelegen.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan, dat gold ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning eerste fase. Het bouwplan is in strijd met dat bestemmingsplan, nu het een tweede bedrijfswoning op het perceel mogelijk maakt, aldus [appellant]. Hij voert in dat verband aan dat het voorschrift verbonden aan de bij besluit van 11 juli 2013 verleende bouwvergunning eerste fase er niet aan afdoet dat het bouwplan in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan. Door het voorschrift aan de bouwvergunning eerste fase te verbinden, erkent het college volgens [appellant] juist dat het bouwplan in strijd is met dat bestemmingsplan. [appellant] stelt dat het college het bouwplan had moeten toetsen aan het ten tijde van de beslissing op de aanvraag geldende bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan is het bouwplan eveneens in strijd, nu ook dit bestemmingsplan slechts één bedrijfswoning op het perceel toelaat en voorts herbouw ervan op een andere locatie niet toelaat, aldus [appellant].

2.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2013 in zaak nr. 201204756/1/A1 overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning ex nunc geschiedt, hetgeen betekent dat het recht moet worden toegepast zoals dat op het moment van de beslissing op de aanvraag geldt. Het moment waarop de aanvraag werd gedaan is derhalve niet bepalend. Aan een ten tijde van de indiening bij de gemeente van een bouwaanvraag nog wel, maar ten tijde van de beslissing daarop niet meer geldend bestemmingsplan mag, bij wijze van uitzondering op dat uitgangspunt, slechts worden getoetst indien ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit voor een nieuw bestemmingsplan van kracht was dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.

De rechtbank heeft echter niet onderkend dat deze uitzondering op de ex nunc toetsing zich hier niet voordoet. Volgens artikel 4.3.2, aanhef en onder c, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan is het toegestaan om één bedrijfswoning op het perceel op te richten. Ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag was het bouwplan, nu dat voorziet in de bouw van een tweede bedrijfswoning, met het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd. Het aan de bouwvergunning verbonden voorschrift maakt dat niet anders. De ratio van bovenstaande vaste jurisprudentie is dat de aanvrager, die een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit indient op het moment dat zijn bouwplan niet in strijd is met het op dat moment geldende planologisch regime, niet kan worden benadeeld doordat nadien maar voorafgaand aan vergunningverlening het planologisch regime dusdanig wordt gewijzigd dat het bouwplan daarmee in strijd is. In een dergelijk geval mag de aanvraag worden getoetst aan het planologisch regime zoals dat gold ten tijde van de aanvraag. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor, nu het bouwplan in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college het bouwplan terecht heeft getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan. Het college had het bouwplan moeten toetsen aan het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij besluit van 11 juli 2013 geen ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kon verlenen. Hij voert daartoe aan dat van een functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning op het perceel geen sprake is, nu de bedrijfswoning voor bewoning werd en wordt gebruikt en niet als kantine/hygiënesluis. Voor het tijdelijk bewonen van de bestaande bedrijfswoning op het perceel is, nu bewoning daarvan niet in strijd is met het bestemmingsplan, dan ook geen ontheffing vereist, aldus [appellant]. Dit wordt niet anders door het aan de bouwvergunning eerste fase verbonden voorschrift dat de bewoning dient te worden beëindigd, nu het voorschrift de bestemmingsplanregeling niet anders maakt. Voorts voert hij aan dat de ontheffing ook niet kon worden verleend, nu het wonen op het perceel niet in een tijdelijke behoefte voorziet.

3.1. Het college heeft zich in het besluit van 11 juli 2013, waarbij het ontheffing heeft verleend, op het standpunt gesteld dat als gevolg van het aan de bouwvergunning van dezelfde datum verbonden voorschrift het gebruik van de bestaande bedrijfswoning binnen zes weken na de verzenddatum van die vergunning overgaat in een kantine/hygiënesluis (bedrijfsgebouw) en dat bewoning van dit bedrijfsgebouw op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college heeft vervolgens ontheffing van het voorheen geldende bestemmingsplan verleend om het voor [belanghebbende] mogelijk te maken om gedurende de bouw van de nieuwe bedrijfswoning de voormalige bedrijfswoning, die in de ontheffing wordt aangemerkt als kantine/hygiënesluis, te bewonen. Nu de bouwvergunning eerste fase met het daarin opgenomen voorschrift, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, zal worden vernietigd, komt de ontheffing, nu hieraan geen betekenis meer toekomt, eveneens voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de afzonderlijke besluiten van 11 juli 2013, waarbij bouwvergunning eerste fase en ontheffing is verleend, alsnog gegrond verklaren. Die besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2014 in zaken nrs. 13/4907 en 13/4244;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de afzonderlijke besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Asten van 11 juli 2013, kenmerken B12-260 en 20090427;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Asten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1995,54 (zegge: negentienhonderdvijfennegentig euro en vierenvijftig cent), waarvan € 1948,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Asten aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 566,00 (zegge: vijfhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

374-761.