Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201402407/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:720, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college Ontwikkelingsmaatschappij Proeftuin B.V. omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een inrit/uitweg ten behoeve van bedrijventerrein De Proeftuin op het perceel Rijksstraatweg, kadastraal bekend gemeente Numansdorp, sectie F, nummer 580.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/666
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402407/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2014 in

zaak nr. 13/1070 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college Ontwikkelingsmaatschappij Proeftuin B.V. omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een inrit/uitweg ten behoeve van bedrijventerrein De Proeftuin op het perceel Rijksstraatweg, kadastraal bekend gemeente Numansdorp, sectie F,

nummer 580.

Bij besluit van 7 januari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 januari 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. W. Visser, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van Huut en mr. Y. Landman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ontwikkelingsmaatschappij Proeftuin B.V., vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door W. van Dalen, verkeersdeskundige, verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van de commissie bezwaarschriften in strijd met de regelgeving tot stand is gekomen. Zij voert daartoe aan dat tijdens de hoorzitting van 21 november 2012 slechts twee leden aanwezig waren en daardoor het voorlopig advies niet door de voltallige commissie bezwaarschriften, bestaande uit drie leden, is uitgebracht.

1.1. Uit artikel 12, tweede lid, van de Verordening Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Cromstrijen (hierna: de verordening) vloeit voort dat voor het houden van een hoorzitting is vereist dat de meerderheid van het aantal leden aanwezig is. Nu

tijdens de hoorzitting, naar niet in geschil is, twee leden aanwezig waren, en de commissie bestaat uit drie leden, is aan die bepaling voldaan. Het advies is uitgebracht door een voorzitter en twee leden. Derhalve is de wijze waarop het advies is uitgebracht niet in strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang bezien met de artikelen 3 en 17 van de verordening. Aan [appellante] is voorafgaand aan het advies het voorlopig standpunt van de commissie bezwaarschriften telefonisch medegedeeld. Daargelaten of voorafgaand aan het voorlopig standpunt in de voltallige commissie bezwaarschriften is vergaderd over haar bezwaarschrift, kunnen geen rechten worden ontleend aan het voorlopig standpunt en is niet gebleken dat het verstrekken van een dergelijk voorlopig standpunt in strijd is met de regelgeving.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, niet is gebleken dat het advies van de commissie bezwaarschriften in strijd met de regelgeving is uitgebracht.

Het betoog faalt.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een opstelplaats voor de bus bij de inrit/uitweg onderdeel uitmaakt van de bij besluit van 3 juli 2012 verleende omgevingsvergunning en dat daarin onvoldoende rekening is gehouden met het gevaar voor de verkeersveiligheid ten gevolge van het gebruik van die opstelplaats als bushalte. Zij voert daarbij aan dat in de bij de omgevingsvergunning behorende tekening de opstelplaats is weergegeven. Voorts voert zij aan dat in het besluit van 7 januari 2013 niet tot uitdrukking is gebracht dat de bushalte geen onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Tot slot voert zij aan dat in de notities van DTV Consultants van 19 maart 2013 en 6 mei 2013 ten onrechte niet is ingegaan op het gevaar voor de verkeersveiligheid ten gevolge van de bushalte, zoals dat volgt uit het in haar opdracht opgestelde rapport van VAGN dat zij in bezwaar heeft overgelegd.

2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bushalte bij de inrit/uitweg geen onderdeel uitmaakt van de bij besluit van 3 juli 2012 verleende omgevingsvergunning. Ontwikkelingsmaatschappij Proeftuin B.V. heeft blijkens het aanvraagformulier slechts een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een inrit/uitweg als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) aangevraagd en niet voor het gebruik van de opstelplaats als bushalte ter plaatse. In het in het besluit van 7 januari 2013 overgenomen advies van de commissie bezwaarschriften is ook opgemerkt dat het gebruik van de bushalte geen onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Dat de opstelplaats op de tekening behorend bij de bij besluit van 3 juli 2012 verleende omgevingsvergunning is weergegeven, maakt niet dat de bushalte onderdeel uitmaakt van die omgevingsvergunning. Voor het gebruik van de opstelplaats als bushalte is vereist dat het college een verkeersbesluit neemt voor de plaatsing van een verkeersbord "L4" als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, welk besluit geen onderdeel uitmaakt van deze procedure in hoger beroep. In dat besluit zullen de daarbij betrokken belangen, waaronder die van de verkeersveiligheid, worden afgewogen. Tegen dit besluit kunnen apart rechtsmiddelen worden aangewend.

Nu het gebruik van de opstelplaats als bushalte niet in de omgevingsvergunning is vergund, was DTV Consultants niet gehouden in haar notities te reageren op hetgeen VAGN namens [appellante] ten aanzien van de bushalte naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de notities van DTV Consultants het standpunt van het college dat de vergunde inrit/uitweg een verkeersveilige situatie niet in de weg staat, voldoende is onderbouwd.

Het betoog faalt.

3. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat haar een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure en het in dat verband opgestelde rapport van VAGN had moeten worden toegekend. Zij voert daartoe aan dat haar bezwaar gegrond had moeten worden verklaard vanwege de wijziging van de grondslag van de omgevingsvergunning voor de inrit/uitweg van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV) in de Wegenverordening Zuid-Holland 2010. Door deze wijziging is een ander besluit genomen, aldus [appellante].

3.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo geldt voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die omstandigheden bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 4 van de Wegenverordening Zuid-Holland 2010 is overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo het verboden zonder omgevingsvergunning om op, onder, in en over een weg:

a. een niet bij de provincie in beheer zijnde weg aan te sluiten;

b. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

(…).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt een aangevraagde omgevingsvergunning door het bevoegd gezag geweigerd indien verlening van deze vergunning in strijd zou zijn met het verkeersbelang en/of wegbelang.

Ingevolge artikel 2:12, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge het derde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente;

e. strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan.

Ingevolge het vierde lid geldt het bepaalde in het eerste lid niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet gehouden was het besluit van 3 juli 2012 te herroepen, nu zowel in dat besluit als in het besluit op bezwaar omgevingsvergunning is verleend voor het aanleggen van een inrit/uitweg op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Het feit dat - naar niet in geschil is - bij het besluit op bezwaar terecht de Wegenverordening ten grondslag is gelegd aan die vergunning in plaats van de APV, brengt niet mee dat aanspraak op proceskostenvergoeding bestaat.

Nu het college gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1. is overwogen ten aanzien van het rapport van VAGN, ook niet gehouden was het besluit van 3 juli 2012 te herroepen, heeft de rechtbank gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb terecht overwogen dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om de kosten van [appellante] in de bezwaarfase van het in haar opdracht opgestelde rapport van VAGN te vergoeden.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

374-761.