Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201310362/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:7360, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2008 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 1.288.000,00 wegens 161 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310362/1/V6.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 oktober 2013 in zaak

nr. 09/858 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2008 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 1.288.000,00 wegens 161 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 4 april 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete gehandhaafd voor 107 overtredingen, en het besluit van 13 juni 2008 herroepen, in die zin dat de boete is vastgesteld op € 856.000,00.

Bij uitspraak van 3 oktober 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.P. Lewandowski, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Volgens artikel 1, eerste lid, van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997 L 18; hierna: de richtlijn) is de richtlijn van toepassing op in een Lid-Staat gevestigde ondernemingen die in het kader van transnationale dienstverrichtingen, overeenkomstig het derde lid, werknemers ter beschikking stellen op het grondgebied van een andere Lid-Staat.

Volgens het derde lid, aanhef en onder c, is de richtlijn van toepassing voor zover de in het eerste lid bedoelde ondernemingen de volgende transnationale maatregel neemt:

c. als uitzendbedrijf of als onderneming van herkomst, een werknemer ter beschikking stellen van een ontvangende onderneming die op het grondgebied van een andere Lid-Staat gevestigd is of er werkzaamheden uitvoert, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen het uitzendbureau of de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat.

Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits

a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is,

b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen (hierna: de CWI) heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en

c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Uit de toelichting bij het Besluit volgt dat artikel 1e, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit ziet op terbeschikkingstellingsituaties als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder c, van de richtlijn.

Volgens het Hof van Justitie (hierna: het Hof) in het arrest van 10 februari 2011, C-307/09 t/m C-309/09, Vicoplus SC PUH; ECLI:EU:C:2011:64 (hierna: het arrest Vicoplus), is de terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 1, derde lid, onder c, van de richtlijn, een dienstverrichting tegen vergoeding waarbij de ter beschikking gestelde werknemer in dienst blijft van de dienstverrichtende onderneming en er geen arbeidsovereenkomst tot stand komt met de inlenende

onderneming, en wordt deze terbeschikkingstelling erdoor gekenmerkt dat de verplaatsing van de werknemer naar de lidstaat van ontvangst het doel op zich van de dienstverrichting door de dienstverlenende onderneming vormt en deze werknemer zijn taken onder toezicht en leiding van de inlenende onderneming vervult.

2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (thans: de Inspectie SZW; hierna: de inspecteurs) op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 15 maart 2007 (hierna: het boeterapport) en het op ambtseed opgemaakte aanvullende boeterapport van 9 mei 2008 houden, voor zover thans van belang, het volgende in.

[appellante] heeft op zes werklocaties in totaal 198 vreemdelingen van Poolse nationaliteit tewerkgesteld. Zij heeft 77 vreemdelingen arbeid laten verrichten bij [bedrijf A], gevestigd te [plaats]; thans: [bedrijf B], gevestigd te [plaats]. Deze werkzaamheden werden verricht voor [bedrijf C], gevestigd te Utrecht en bestonden uit het aan de lopende band sorteren van tijdschriften. Verder heeft zij 18 vreemdelingen via [bedrijf A] arbeid laten verrichten bij [bedrijf D], gevestigd te [plaats]. Deze werkzaamheden bestonden uit het assembleren van kussens. Voorts heeft zij 6 vreemdelingen arbeid laten verrichten bij [bedrijf E], gevestigd te [plaats]. Deze werkzaamheden bestonden uit het stapelen van straatbakstenen. Ook heeft zij 49 vreemdelingen arbeid laten verrichten bij [bedrijf F], gevestigd te [plaats], 19 vreemdelingen bij [bedrijf G], gevestigd te [plaats] en 29 vreemdelingen bij de vestiging van [bedrijf A] in [plaats]. Voor het laten verrichten van de werkzaamheden waren geen tewerkstellingsvergunningen afgegeven. Er was sprake van dienstverlening die bestond uit het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten, aldus het boeterapport.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet heeft bewezen dat zij de overtredingen heeft begaan, nu de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vreemdelingen en werklocaties de opgelegde boete betrekking heeft.

3.1. Bij beantwoording van de vraag of zich in een concreet geval een overtreding heeft voorgedaan, geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), als uitgangspunt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (vergelijk overweging 4.8.3 van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 in zaak nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324).

3.2. Bij besluit van 13 juni 2008 heeft de minister een boete opgelegd voor de tewerkstelling van 161 vreemdelingen. Hij heeft deze vreemdelingen met naam genoemd, maar heeft niet uiteengezet op welke locatie(s) de vreemdelingen hebben gewerkt. Bij besluit van 4 april 2012 heeft de minister de boete niet langer gehandhaafd voor de tewerkstelling van in totaal 54 vreemdelingen bij [bedrijf G] en [bedrijf F]. Hij heeft de boete gehandhaafd voor de tewerkstelling van 107 vreemdelingen. Hij heeft de vreemdelingen niet met naam genoemd. Verder heeft hij niet uiteengezet op welke locatie(s) bedoelde 107 vreemdelingen hebben gewerkt.

Uit het boeterapport, voornoemde besluiten van 13 juni 2008 en 4 april 2012 en de uitspraken van de Afdeling van heden in de samenhangende zaken met nummers 201310215/1/V6 en 201310364/1/V6 volgt genoegzaam dat de boete in ieder geval betrekking heeft op de tewerkstelling van 5 vreemdelingen, te weten [namen 5 vreemdelingen], bij [bedrijf E] en 11 vreemdelingen, te weten [namen 11 vreemdelingen], bij [bedrijf D]. In zoverre acht de Afdeling het besluit van 4 april 2012 voldoende inzichtelijk en faalt het betoog.

Voor zover de boete betrekking heeft op de tewerkstelling van de overige 91 vreemdelingen, kan uit de stukken niet worden afgeleid welke vreemdelingen het betreft en op welke locatie(s) zij hebben gewerkt, zodat de minister in zoverre niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. Voor de tewerkstelling van deze 91 vreemdelingen is de boete ten onrechte opgelegd. In zoverre slaagt het betoog derhalve.

4. Met betrekking tot de vraag of voor de 5 bij [bedrijf E] onderscheidenlijk 11 bij [bedrijf D] tewerkgestelde vreemdelingen tewerkstellings- vergunningen waren vereist, overweegt de Afdeling als volgt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de werkzaamheden bij [bedrijf E] sprake is van grensoverschrijdende dienstverlening die bestaat uit het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zodat voor het laten verrichten van de arbeid tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Zij stelt dat de verplaatsing van de desbetreffende vreemdelingen niet het doel op zich vormde van de dienstverlening, nu de vreemdelingen waren ingezet op een afgebakend project dat in eigen beheer door [appellante] werd uitgevoerd, het ondernemersrisico van het project bij [appellante] lag en de vreemdelingen geen uitzendkrachten waren en ook niet als zodanig konden worden aangemerkt. Verder stelt zij dat de rechtbank ten onrechte uit de verklaringen van [productieleider] bij [bedrijf E], van 25 september 2006 en [planmanager] bij [bedrijf E], van 10 november 2006 heeft afgeleid dat de vreemdelingen hun taken onder toezicht en leiding van [bedrijf E] vervulden. Zij stelt dat de vreemdelingen werkten onder toezicht en leiding van [appellante]. Zij brengt naar voren dat [persoon A] de functie als voorman had. Omdat hij de Duitse taal sprak, heeft hij bij aanvang van het project van [planmanager] uitleg gekregen over de arbo- en veiligheidsverplichtingen en de inhoud van de werkzaamheden. Hierna heeft [persoon A] de andere vreemdelingen geïnstrueerd en heeft [bedrijf E] zich niet meer inhoudelijk met de werkzaamheden beziggehouden. De vreemdelingen werkten onder toezicht en leiding van [persoon A]. De leiding van [appellante] in Polen heeft, in samenwerking met [persoon A], de dienstroosters vastgesteld, ziekmeldingen geregistreerd en verlofaanvragen behandeld en beoordeeld of de vreemdelingen het werk goed uitvoerden. [appellante] verwijst naar een in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaring van [algemeen directeur] van [appellante], van 17 december 2013, waarin het vorenstaande is bevestigd.

5.1. Niet in geschil is dat de vreemdelingen in dienst waren bij en verloond werden door [appellante].

5.2. Uit de overeenkomst voor aanneming van werk tussen [appellante] en [bedrijf E] van 18 augustus 2006 volgt dat [appellante] tegenover [bedrijf E] de verplichting was aangegaan om met ingang van 21 augustus 2006 150.000 stenen van het type KF-50 op te stapelen tegen een vast tarief per steen en met als eindstreefdatum 25 augustus 2008. Dit bleek ook uit de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden, die reeds per 17 juli 2006 was gestart. Uit deze overeenkomst volgt ook dat [bedrijf E] eindverantwoordelijk bleef voor het contact met de uiteindelijke opdrachtgever en de continuïteit van het proces bewaakte. Nu geen grond bestaat voor het oordeel dat [appellante] iets anders leverde dan arbeid, moet worden geconcludeerd dat de verplaatsing van de vreemdelingen als werknemer het doel op zich vormde van de dienstverrichting door [appellante] aan [bedrijf E].

5.3. [productieleider] heeft op 25 september 2006 onder meer het volgende verklaard. Via [appellante] hebben vier tot vijf personen bij [bedrijf E] gewerkt. Zij deden alleen sorteerwerk. Dit werk was gelijk aan het werk dat andere uitzendkrachten bij het bedrijf verrichtten. [productieleider] zette voor deze medewerkers drie pallets met verschillende kleuren stenen neer. Het aantal stenen dat hij klaarlegde, dienden zij te stapelen. Zij werkten alleen, zonder hulp van het eigen personeel. Ze hadden geen eigen leidinggevende, maar wel een aanspreekpunt. [productieleider] wist de naam van deze persoon niet. [productieleider] hield toezicht en had de leiding bij het bedrijf en bepaalde ook wat de medewerkers van [appellante] moesten doen. [planmanager] heeft op 10 november 2006 onder meer het volgende verklaard. De personen die via [appellante] bij [bedrijf E] werkten, hadden geen specifieke opleiding of kennis nodig om de arbeid te verrichten. De arbeid bestond uit zeer eenvoudig werk, dat normaalgesproken door het eigen vaste personeel, aangevuld met uitzendkrachten, werd verricht. [planmanager] heeft zelf een instructie gegeven aan de medewerkers van [appellante]. Er was een Duitssprekende persoon bij. Nadat hij deze persoon een instructie in de Duitse taal had gegeven, konden de medewerkers het werk doen, omdat het werk verder zeer eenvoudig van aard was. Verder toezicht was niet noodzakelijk.

Uit de verklaringen van [productieleider] en [planmanager] volgt dat de vreemdelingen hun werkzaamheden onder toezicht en leiding van [bedrijf E] hebben verricht. De rol van [persoon A] was zeer beperkt van aard. Uit de verklaringen kan niet worden opgemaakt dat hij als voorman toezicht en leiding over de werkzaamheden van de vreemdelingen had. De werkzaamheden waren verder zeer eenvoudig van aard, zodat inhoudelijke instructies nagenoeg niet nodig waren. Dat [appellante] dienstroosters vaststelde, ziekmeldingen registreerde en verlofaanvragen behandelde, en beoordeelde of de vreemdelingen hun werk goed deden, houdt, wat hiervan verder zij, geen direct verband met het hebben van toezicht en leiding op de werkzaamheden van de vreemdelingen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaringen van [productieleider] en [planmanager] niet overeen zouden stemmen met de werkelijkheid, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister niet van de juistheid van die verklaringen heeft kunnen uitgaan. [appellante] heeft geen overtuigende reden gegeven waarom de latere verklaring van [algemeen directeur], die geheel anders is dan de door [productieleider] en [planmanager] onmiddellijk ten overstaan van de inspecteurs afgelegde verklaringen, als juist moet worden aanvaard, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

5.4. Nu bij de werkzaamheden bij [bedrijf E] aan alle drie door het Hof geformuleerde criteria is voldaan, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dienstverrichting door [appellante] alleen heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in hiervoor bedoelde zin. Dit betekent dat de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor de tewerkstelling van de vreemdelingen tewerkstellingsvergunningen waren vereist en dat, nu die niet waren afgegeven, [appellante] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de werkzaamheden bij [bedrijf D] sprake is van grensoverschrijdende dienstverlening die bestaat uit het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zodat voor het laten verrichten van die werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Zij stelt dat de verplaatsing van de vreemdelingen niet het doel op zich vormde van de dienstverlening, nu de vreemdelingen door [appellante] waren ingezet op een tijdelijk en afgebakend project en de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van [appellante] werden verricht. Verder stelt zij dat uit de verklaringen van [persoon B] van 26 augustus 2006 en [adjunct-directeur] van [bedrijf D], van 14 november 2006 niet kan worden opgemaakt dat de vreemdelingen hun taken onder toezicht en leiding van [bedrijf A] vervulden. Zij stelt dat de vreemdelingen werkten onder toezicht en leiding van [appellante]. Zij brengt naar voren dat [persoon B] als voorman fungeerde en operationeel toezicht en leiding had. [persoon B] heeft één maal werkinstructies gekregen van [persoon C], maar [persoon C] was niet werkzaam voor [bedrijf A]. Hij was in dienst van [bedrijf H] en was door [appellante] ingehuurd voor de werkzaamheden bij [bedrijf D]. [persoon C] vervulde verder een commerciële rol. [persoon D], medewerker van [bedrijf A], gaf evenmin concrete werkinstructies aan de vreemdelingen, maar trad op als vertegenwoordiger van [bedrijf A]. De leiding van [appellante] en [persoon B] hebben samen werkroosters vastgesteld, ziekmeldingen geregistreerd, verlofaanvragen behandeld, salarissen berekend, gezorgd voor vervanging, huisvesting en vervoer van en naar het werk en toezicht gehouden op de kwaliteit van de productieprocessen. [appellante] verwijst naar de in hoger beroep overgelegde eerdergenoemde verklaring van [algemeen directeur] van 17 december 2013 en schriftelijke verklaringen van [persoon C] van 20 december 2013, [persoon B] van 6 januari 2014 en[persoon D] van 16 januari 2014, waarin het vorenstaande is bevestigd.

6.1. Niet in geschil is dat de voor [bedrijf D] werkzame vreemdelingen in dienst waren bij en verloond werden door [appellante].

6.2. Uit de overeenkomst voor aanneming van werk tussen [appellante] en [bedrijf A] van 9 juni 2006, die betrekking heeft op de werkzaamheden van de vreemdelingen bij [bedrijf D], volgt dat [appellante] tegenover [bedrijf A] de verplichting was aangegaan met ingang van 12 juni 2006 werkzaamheden te verrichten bestaande uit het vullen van kussens tegen een vast bedrag per productie van 32 kussens per persoon per uur. Uit de overeenkomst volgt ook dat [bedrijf A] eindverantwoordelijk bleef voor de planningen en de continuïteit van het proces bewaakte. Nu geen grond bestaat voor het oordeel dat [appellante] iets anders leverde dan arbeid, moet worden geconcludeerd dat de verplaatsing van de vreemdelingen als werknemer het doel op zich vormde van de dienstverrichting door [appellante].

6.3. [persoon B] heeft op 26 augustus 2006 verklaard dat hij voorman was. [persoon C] is één keer bij [bedrijf D] geweest en heeft hem verteld wat hij moest doen.[persoon D] was een kwaliteitscontroleur en controleerde of het werk goed was gedaan. [adjunct-directeur] heeft op 14 november 2006 verklaard dat één van de vreemdelingen het aanspreekpunt was. Deze had ook de leiding over de andere vreemdelingen. Als er problemen waren, dan werd contact opgenomen met[persoon D]. De kwaliteit van het afgeleverde werk werd door de medewerkers van [bedrijf A] gecontroleerd en door [bedrijf D] steekproefsgewijs gecontroleerd.

Uit de verklaringen van [persoon B] en [adjunct-directeur] volgt dat de vreemdelingen hun werkzaamheden onder leiding en toezicht van [bedrijf A] hebben verricht. De rol van [persoon B] was zeer beperkt van aard. Hij fungeerde als aanspreekpunt en tussenpersoon. Uit de verklaringen kan niet worden opgemaakt dat hij als voorman toezicht en leiding over de werkzaamheden van de vreemdelingen had. De werkzaamheden waren verder eenvoudig van aard, zodat inhoudelijke instructies nagenoeg niet nodig waren. Dat [persoon B] één keer een werkinstructie had gekregen van [persoon C] en [persoon C] formeel in dienst was van [bedrijf H] maar door [appellante] was ingeleend, leidt niet tot de conclusie dat de werkzaamheden van de vreemdelingen hierdoor onder toezicht en leiding van [appellante] werden verricht. Het betrof een formele constructie, die overigens niet met stukken is gestaafd, en verder was [bedrijf H] een aan [bedrijf A] gelieerde onderneming. Dat [appellante] dienstroosters vaststelde, ziekmeldingen registreerde, verlofaanvragen behandelde, salarissen berekende, vervanging, huisvesting en vervoer regelde, en toezicht hield op de kwaliteit van de productieprocessen, houdt, wat hiervan ook zij, geen direct verband met het hebben van toezicht en leiding op de werkzaamheden van de vreemdelingen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaringen van [persoon B] en [adjunct-directeur] niet overeen zouden stemmen met de werkelijkheid, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister niet van de juistheid van die verklaringen heeft kunnen uitgaan. [appellante] heeft geen overtuigende reden gegeven waarom de in hoger beroep overgelegde latere verklaringen, die geheel anders zijn dan de door [persoon B] en [adjunct-directeur] onmiddellijk ten overstaan van de inspecteurs afgelegde verklaringen, als juist moeten worden aanvaard, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

6.4. Nu bij de werkzaamheden bij [bedrijf D] aan alle drie door het Hof geformuleerde criteria is voldaan, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dienstverrichting door [appellante] voor de werkzaamheden bij [bedrijf D] alleen heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in vorenbedoelde zin. Dit betekent dat de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor de tewerkstellingen van de vreemdelingen bij [bedrijf D] tewerkstellingsvergunningen waren vereist en dat, nu die niet waren afgegeven, [appellante] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden.

Het betoog faalt.

7. [appellante] stelt dat de CWI destijds nadrukkelijk heeft medegedeeld dat voor de werkzaamheden bij [bedrijf E] en [bedrijf D] kon worden volstaan met notificatiemeldingen, waartoe hierna ook is overgegaan. Volgens haar heeft de rechtbank niet onderkend dat hierdoor het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de tewerkstellingen in overeenstemming met de Wav waren, zodat van boeteoplegging moest worden afgezien.

7.1. Aan de mededeling door de CWI en de registratie van de notificatiemeldingen door de CWI heeft [appellante] niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de tewerkstellingen bij [bedrijf E] en [bedrijf D] in overeenstemming met de Wav waren. De CWI heeft de meldingen geregistreerd op basis van overgelegde schriftelijke stukken. Daarbij is beoordeeld of de meldingen compleet waren, maar is geen nader onderzoek verricht. Bovendien volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2009 in zaken nrs. 200804252/1 en 200804255/1), dat het de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever is om te kiezen voor het indienen van een aanvraag om verlening van een tewerkstellingsvergunning of voor het doen van een notificatie. Indien de CWI naar aanleiding van een notificatie nader onderzoek zou moeten verrichten naar de juistheid daarvan, zou het op het gemeenschapsrecht gefundeerde onderscheid tussen enerzijds het indienen van een dergelijke aanvraag en anderzijds het doen van een notificatie zijn betekenis verliezen, omdat dan in beide gevallen een inhoudelijke beoordeling door de CWI zou moeten plaatsvinden. De CWI heeft verder geen uitdrukkelijke toezegging gedaan dat met registratie van de notificatiemeldingen conform de voorschriften van de Wav werd gehandeld. Verder laat de notificatie onverlet dat de minister bevoegd blijft (achteraf) te beoordelen of de werkzaamheden feitelijk in overeenstemming met de Wav worden uitgevoerd.

Het betoog faalt.

8. Voor zover [appellante] betoogt dat de boete moet worden gematigd, omdat deze haar onevenredig treft, slaagt dit betoog niet, nu [appellante] deze stelling niet met recente financiële gegevens heeft gestaafd.

9. [appellante] betoogt dat de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Daarbij stelt zij dat deze termijn is aangevangen op het moment dat het boeterapport aan haar bekend is gemaakt.

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 6 juli 2011 in zaak nr. 200801014/1-A/V6), is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overschreden, indien de duur van totale procedure onredelijk lang is. Voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de bepaling van de redelijke termijn dient de tijd die gemoeid is met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof echter niet te worden meegerekend indien het afwachten van die beslissing redelijk is geweest.

9.2. Anders dan [appellante] betoogt, heeft zij eerst aan de boetekennisgeving van 13 mei 2008 in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep van maart 2010 tot 10 februari 2011 aangehouden in afwachting van het arrest Vicoplus. De Afdeling acht dit redelijk, nu dit arrest nodig was voor de beoordeling van de onder 5 en 6 weergegeven betogen. Deze tijd dient derhalve niet te worden meegerekend voor de bepaling van de redelijke termijn. Nu de beslechting van het geschil in hoger beroep is geëindigd met de uitspraak van heden, heeft de procedure in totaal, onder aftrek van voormelde tijd, ruim vijf jaar en acht maanden geduurd, zodat moet worden geconcludeerd dat de redelijke termijn met meer dan zes maanden is overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200905616/1/V6), ligt bij een zodanige overschrijding een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00 in de rede.

Het betoog slaagt.

10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het inleidend beroep ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 april 2012 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het besluit van 13 juni 2008 zal worden herroepen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien, door de boete, gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen, vast te stellen op € 128.000,00 en, gelet op hetgeen onder 9.2 is overwogen, vervolgens te verminderen met € 2.500,00, zodat het bedrag van de boete wordt bepaald op € 125.500,00

11. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 oktober 2013 in zaak nr. 09/858, voor zover het bij haar ingestelde beroep ongegrond is verklaard;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 april 2012, kenmerk WBJA/JA-WAV/2008/21010/bob2;

V. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juni 2008, kenmerk 070701173/04;

VI. bepaalt dat het bedrag van de aan [appellante] opgelegde boete wordt vastgesteld op € 125.500,00 (zegge: honderdvijfentwintigduizendvijfhonderd euro);

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.922,00 (zegge: negenentwintighonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 766,00 (zegge: zevenhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

404.