Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201308517/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:9077, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het college aan het International Criminal Court een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met bijbehorende voorzieningen en activiteiten ter plaatse van de gesloopte kazerne aan de Van Alkemadelaan 357 te Den Haag (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/612

Uitspraak

201308517/2/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Wijkvereniging Benoordenhout en Wijkvereniging Duttendel en Wittebrug (hierna: de verenigingen), beide gevestigd te 's-Gravenhage,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2013 in zaken nrs. 13/458 en 13/583 in het geding tussen:

de verenigingen

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het college aan het International Criminal Court een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met bijbehorende voorzieningen en activiteiten ter plaatse van de gesloopte kazerne aan de Van Alkemadelaan 357 te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 31 juli 2013 heeft de rechtbank de door de verenigingen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de verenigingen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De verenigingen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2014, waar de verenigingen, vertegenwoordigd door haar [bestuurders], bijgestaan door mr. C.M.E. Buter-de Haas, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers en mr. R.D. Reinders, beiden advocaat te Den Haag,  mr. S.J.C. Hocks, J.B.R. Kerner, en ing. F.A.N.F. de Beaumont, zijn verschenen. Voorts is het International Criminal Court, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers en mr. R.D. Reinders, beiden advocaat te Den Haag, drs. R. Jeuring, ir. J.W. Tamsma en ir. F. Kanjaa, ter zitting gehoord.

Bij tussenuitspraak van 11 juni 2014 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 4 december 2012 te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 9 van die uitspraak en de uitkomst aan de Afdeling en partijen mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 18 september 2014 heeft het college het besluit van 4 december 2012 gewijzigd.

Bij brief van 23 september 2014 zijn de verenigingen in de gelegenheid gesteld een zienswijze over dat besluit naar voren te brengen. De verenigingen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder f, van de planregels omstandigheden zijn die bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet waren of konden worden voorzien en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid met toepassing van dit artikel omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Geconcludeerd is dat het besluit van 4 december 2012 is genomen in strijd met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college het besluit van 4 december 2012 bij besluit van 18 september 2014 gewijzigd in die zin dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3o, van de Wabo omgevingsvergunning heeft verleend in afwijking van artikel 5.5, gelezen in verbinding met artikel 16, lid 16.4, van de planregels van het bestemmingsplan "Benoordenhout (Internationaal Strafhof)" (hierna: het bestemmingsplan). Het heeft hiervoor een ruimtelijke onderbouwing opgesteld waarin is ingegaan op het aspect parkeren en daarin uiteengezet waarom aan het besluit tot afwijking van de parkeernorm in het bestemmingsplan een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

In de ruimtelijke onderbouwing staat dat op grond van het gemeentelijk parkeerbeleid afwijking van de parkeernorm mogelijk is indien de ontwikkelaar aan kan tonen dat de gebruikers van het te bouwen object een lagere parkeerbehoefte hebben dan is berekend op basis van de parkeernormen. Volgens de ruimtelijke onderbouwing kan gelet op het door ECORYS in opdracht van het International Criminal Court uitgevoerde mobiliteitsonderzoek van 12 september 2012 worden geconcludeerd dat een aantal van 482 parkeerplaatsen voor werkenden en bezoek voldoende is om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van het International Criminal Court. Voorts is ervoor gekozen de parkeervoorzieningen in het omringende duinlandschap te integreren en in te passen in het glooiende, duinachtige landschap rond het gebouw, aldus de ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing wordt vervolgens geconcludeerd dat het aangevraagde aantal parkeerplaatsen van 511 ruim voldoende is om in de parkeerbehoefte van het International Criminal Court te voorzien, dat naar verwachting geen overlast in de omgeving van het perceel zal ontstaan en dat gelet op dit aantal in te passen parkeerplaatsen een vanuit ruimtelijk oogpunt bezien wenselijke landschappelijke inpassing kan plaatsvinden.

3. De verenigingen betogen dat in de ruimtelijke onderbouwing niet deugdelijk is gemotiveerd waarom het college in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen parkeernorm. Zij voeren hiertoe aan dat ECORYS geen rekening heeft gehouden met de in de op 10 november 2011 vastgestelde Nota Parkeernormen Den Haag opgenomen parkeerbehoefte. Volgens de oude parkeernota waren 660 parkeerplaatsen vereist, maar volgens de op 10 november 2011 vastgestelde parkeernota 1063 parkeerplaatsen, aldus de verenigingen. Voorts betogen de verenigingen dat in de ruimtelijke onderbouwing, gelet op de omvang van het totale perceel, had moeten worden toegelicht waarom 149 van de vereiste 660 parkeerplaatsen niet kunnen worden aangelegd.

3.1. De Afdeling ziet in hetgeen de verenigingen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo heeft kunnen verlenen. Dat in de Nota Parkeernormen Den Haag is opgenomen dat, gelet op de omvang van het perceel, een parkeerbehoefte van 1063 parkeerplaatsen bestaat, wat daar verder van zij, betekent niet dat aan het besluit van het college van 18 september 2014 geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat aan de hand van het bouwplan de daarbij behorende parkeerbehoefte dient te worden berekend en dat in de tussenuitspraak is overwogen dat het door ECORYS uitgevoerde onderzoek naar het aantal vereiste parkeerplaatsen voor het werknemersbestand van het International Criminal Court een representatief beeld geeft van deze parkeerbehoefte. Daarnaast is in de Nota Parkeernormen Den Haag opgenomen dat het goed denkbaar is dat de ontwikkelaar kan aantonen dat de gebruikers van het te bouwen object een lagere parkeerbehoefte hebben dan was berekend op basis van de parkeernormen.

Voorts maakt de omstandigheid dat elke werknemer van het International Criminal Court over een in- en uitrijkaart van het parkeerterrein zou beschikken en dat in de omgeving van het perceel de parkeersituatie is verslechterd, wat daar verder van zij, nog niet dat het college zich, gelet op het onderzoek van ECORYS en hetgeen hierover is overwogen in de tussenuitspraak in overweging 7.1, niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit onderzoek een representatief beeld geeft van de parkeerbehoefte van het werknemersbestand van het International Criminal Court. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de door ECORYS berekende parkeerbehoefte voor het International Criminal Court blijkt dat niet iedere werknemer gebruik zal maken van zijn in- en uitrijkaart van het parkeerterrein, nu werknemers ook met het openbaar vervoer, de fiets, brommer en lopend naar hun werk reizen.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het realiseren van 511 parkeerplaatsen voldoende is om in de parkeerbehoefte van het International Criminal Court te voorzien. Dat het International Criminal Court ontheffing kan aanvragen voor het bouwen van een uitbreiding van een zesde toren is in de onderhavige procedure niet aan de orde, zodat, anders dan de verenigingen betogen, het aantal parkeerplaatsen dat vereist zal zijn ten gevolge van deze eventuele uitbreiding in de onderhavige procedure niet kan leiden tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de door de verenigingen afzonderlijk ingestelde beroepen tegen het besluit van 4 december 2012 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, voor zover daarbij omgevingsvergunning was verleend voor het afwijken van de parkeernorm uit het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo wegens strijd met dit artikel voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van de verenigingen tegen het besluit van 18 september 2014 is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2013 in zaken nrs. 13/458 en 13/583;

III. verklaart de beroepen van de Wijkvereniging Benoordenhout en Wijkvereniging Duttendel en Wittebrug gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 4 december 2012, kenmerk 201204473/280 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 4 december 2012, kenmerk 201204473/280, voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo voor het afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen parkeernorm;

V. verklaart het beroep van de Wijkvereniging Benoordenhout en Wijkvereniging Duttendel en Wittebrug gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 18 september 2014 ongegrond;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Wijkvereniging Benoordenhout en Wijkvereniging Duttendel en Wittebrug het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 1.114,00 (zegge: elfhonderdveertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

700.