Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201311361/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostpolder" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311361/1/R4.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Gouda,

en

de raad van de gemeente Gouda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostpolder" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft namens de raad een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.T. Goerdat en drs. D. Wissel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de Oostpolder en is hoofdzakelijk conserverend van aard.

3. [appellant] is eigenaar van het binnen het plangebied gelegen perceel met het kadastrale nummer F3117 (hierna: het perceel F3117). In de uitspraak van 26 juni 2013 in zaak nr. 201211305/1/R4 heeft de Afdeling overwogen dat de raad geen aanleiding heeft behoeven te zien aan dat perceel de door [appellant] gewenste bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak toe te kennen. De in artikel 19, lid 19.1 en lid 19.4, van de planregels opgenomen bestemmingsomschrijving en gebruiksregels geven naar het oordeel van de Afdeling evenwel geen bevestiging van het standpunt van de raad dat de door [appellant] op zijn perceel verrichte activiteiten − het houden van enkele schapen − waren toegestaan op grond van de in het vorige plan toegekende bestemming "Woon- en bedrijfsdoeleinden met bijbehorende erven" en kunnen worden voortgezet op grond van de in het plan toegekende bestemming "Wonen", zodat de Afdeling in voormelde uitspraak aanleiding heeft gezien dat plan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb te achten en te vernietigen.

3.1. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad aan het perceel F3117 de aanduiding "specifieke vorm van wonen - hobbymatig houden van landbouwhuisdieren" toegekend en een nieuw artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder c, en lid 19.4.2 in de planregels opgenomen.

3.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

c. tevens voor het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren; ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - hobbymatig houden van landbouwhuisdieren".;

[…].

Ingevolge lid 19.4.2 is op de in lid 19.1 sub c bedoelde gronden tevens het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren toegestaan, met dien verstande dat:

a. het gebruik van het perceel in overwegende mate op wonen gericht dient te zijn, en

b. het houden van landbouwhuisdieren nauwelijks of geen marktoriëntatie mag hebben, en

c. een kleinschalige mestopvangvoorziening (maximaal 3 m³) is toegestaan op minimaal een afstand van 50 meter van woningen van derden, en

d. het houden van de dieren niet mag vallen onder een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

4. [appellant] stelt dat de in de aan het perceel F3117 toegekende aanduiding gebruikte bewoordingen "hobbymatig houden van landbouwhuisdieren" onvoldoende rechtszekerheid bieden, nu onduidelijk is wat daar precies onder moet worden verstaan. Ook kan [appellant] zich niet verenigen met de in artikel 19, lid 19.4.2, van de planregels onder a) en b) opgenomen voorwaarden. Gelet op de omvang en de landelijke ligging van het perceel ligt het volgens [appellant] niet voor de hand dat het gebruik van het perceel in overwegende mate op wonen moet zijn gericht, te minder nu door de raad reeds een maximum van 275 m² aan bedrijfsgebouwen is toegestaan, die ook als zodanig in gebruik zijn. Ten aanzien van de voorwaarde dat het houden van landbouwhuisdieren nauwelijks of geen marktoriëntatie mag hebben, wijst [appellant] er op dat hij tevens beschikt over de percelen met de kadastrale nummers F1405 en F667, die hij wel agrarisch te gelde mag maken en waar ook schapen grazen, en dat de activiteiten op de verschillende percelen in dit geval niet los van elkaar kunnen worden gezien. Feitelijk draagt het houden van "enkele schapen" op en naast het perceel F3117 derhalve bij aan de commerciële agrarische bedrijfsactiviteiten op voormelde andere percelen, aldus [appellant].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de aan het perceel F3117 toegekende aanduiding en de verankering daarvan in de planregels is voldaan aan voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013. Anders dan [appellant] stelt, moeten de verschillende percelen wel degelijk los van elkaar worden gezien en op eigen merites worden beoordeeld. Voor het perceel F3117 is [appellant] er volgens de raad niet in geslaagd met officiële documenten aan te tonen dat de op dat perceel uitgevoerde agrarische activiteiten van een omvang zijn als worden die activiteiten bedrijfsmatig uitgevoerd, terwijl ook de Omgevingsdienst Midden-Holland niet bekend is met het door [appellant] bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren op het perceel F3117. Met betrekking tot de voorwaarde dat het gebruik van het perceel in overwegende mate op wonen gericht dient te zijn, wijst de raad er op dat er geen 275 m² aan bedrijfsgebouwen, maar 275 m² aan bijgebouwen, aanbouwen en uitbreidingen is toegestaan. Tot slot benadrukt de raad dat de voorwaarde dat het houden van schapen geen of nauwelijks marktoriëntatie mag hebben, is opgenomen, omdat het om het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren moet gaan en geen sprake mag zijn van het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren.

4.2. In artikel 19, lid 19.4.2, dat hiervoor onder 3.2. is weergegeven, wordt een nadere invulling gegeven aan het begrip "hobbymatig houden van landbouwhuisdieren", aan de hand waarvan kan worden bepaald of het houden van landbouwhuisdieren al dan niet als hobbymatig kan worden aangemerkt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat dat begrip op zichzelf al rechtsonzekerheid schept, omdat onduidelijk is wat daaronder moet worden verstaan.

4.3. Voorts heeft de raad ter zitting benadrukt dat de ruimtelijke uitstraling van het perceel F3117 steeds centraal dient te staan. Zo is niet van belang welke schapen [appellant] op dat perceel laat grazen. Anders dan [appellant] vreest, levert de situatie waarin bepaalde schapen zich deeltijds op het perceel F3117 bevinden en deeltijds op een ander perceel, waar een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, volgens de raad dan ook geen strijd op met de voorwaarde dat het houden van landbouwhuisdieren op het perceel F3117 nauwelijks of geen marktoriëntatie mag hebben. Tot slot heeft de raad er ter zitting op gewezen dat het perceel F3117 al sinds 1999 geen agrarische bestemming meer heeft en dat zich sindsdien nimmer problemen hebben voorgedaan, zodat de raad bij een voortzetting van de huidige praktijk evenmin problemen voorziet.

4.4. Voor zover [appellant] klaagt over de voorwaarde dat het gebruik van het perceel in overwegende mate op wonen gericht dient te zijn, zij erop gewezen dat op het perceel F3117 een woonbestemming rust. Het thans voorliggende wijzigingsbesluit van 10 oktober 2012 ziet slechts op de aan dat perceel toegekende aanduiding, zodat de woonbestemming thans niet ter beoordeling voorligt. Reeds hierom bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de raad het perceel F3117 niet los heeft mogen bezien van de overige percelen binnen het plangebied die in het bezit zijn van [appellant] - waarop wel bedrijfsmatige activiteiten worden verricht - en deze niet op eigen merites heeft mogen beoordelen. Voorts is de vrees van [appellant] dat de voorwaarde dat het houden van landbouwhuisdieren nauwelijks of geen marktoriëntatie mag hebben, betekent dat op het perceel F3117 per definitie geen schapen mogen grazen die ook elders bedrijfsmatig worden geëxploiteerd, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen, ongegrond.

De beroepsgrond faalt.

5. Met betrekking tot de in artikel 19, lid 19.4.2, aanhef en onder c, van de planregels opgenomen maximaal toegestane mestopvangvoorziening van 3 m³ voert [appellant] tot slot aan dat het aldus gestelde maximum in de bestaande situatie reeds wordt overschreden.

5.1. De raad stelt dat het voorschrift over de mestopvangvoorziening beoogt te voorkomen dat mest gedurende een langere periode in grote hoeveelheden wordt opgeslagen en daarmee voor geuroverlast zorgt. Het aan die voorziening gestelde maximum van 3 m³ is volgens de raad bovendien passend voor het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren.

5.2. [appellant] stelt dat de huidige mestopvangvoorziening op het perceel F3117 circa 200 m³ bedraagt. Dit heeft hij niet nader onderbouwd met stukken. De raad heeft ter zitting gesteld niet bekend te zijn met een mestopvangvoorziening van deze omvang. Ook de Omgevingsdienst Midden-Holland, die is belast met (onder meer) het toezicht op en de handhaving van milieuregels en die de raad heeft geadviseerd over de door [appellant] bestreden planregel, is volgens de raad niet bekend met een agrarisch bedrijf of met een mestopvangvoorziening van deze omvang op het perceel. Gelet hierop en mede in het licht van het hiervoor geldende bestemmingsplan, waaronder in het geheel geen mestopvangvoorziening op het perceel F3117 was toegestaan, heeft [appellant] - voor zowel al moet worden uitgegaan van het bestaan van de gestelde mestopvangvoorziening - niet aannemelijk gemaakt dat die voorziening legaal is gebouwd, zodat de raad daarmee in het bestreden besluit geen rekening heeft behoeven te houden.

Nu voorts ter zitting als zodanig niet is weersproken dat een mestopvangvoorziening met een omvang van 3 m³ in beginsel voldoende is voor het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren, heeft de raad in artikel 19, lid 19.4.2, aanhef en onder c, van de planregels in redelijkheid kunnen volstaan met het mogelijk maken van een mestopvangvoorziening van maximaal 3 m³.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Michiels w.g. Wijker-Dekker

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

562.