Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4647

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201310840/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2012 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk vervangen van een balkonhek op de aanbouw aan de achterzijde van de woning op de [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/592
ABkort 2015/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310840/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Zandvoort,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2013 en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 oktober 2013 in zaak nr. 13/554 in het geding tussen:

[verzoeker rechtbank]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort.

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2012 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk vervangen van een balkonhek op de aanbouw aan de achterzijde van de woning op de [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het college het door [verzoeker rechtbank] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 12 juni 2013 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een gebrek in het besluit van 6 december 2012 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen van de rechtbank. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vervangen van een balkonhek op de aanbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel.

Bij uitspraak van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [verzoeker rechtbank] tegen het besluit van 6 december 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de tussenuitspraak van 12 juni 2013 en de uitspraak van 23 oktober 2013 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Franken van Bloemendaal, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door T. van der Kleij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [verzoeker rechtbank], vertegenwoordigd door mr. J.M. Stedelaar, verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college bij brief van 30 september 2014 om nadere informatie verzocht.

Bij brief van 1 oktober 2014 met daarbij bijbehorende bijlagen heeft het college op dit verzoek gereageerd.

[appellant] heeft bij brief van 28 oktober 2014 op deze stukken van het college gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van een hekwerk van 5,9 meter breed en 2,8 meter diep ten behoeve van een dakterras.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bentveld" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming Wonen I(B).

Ingevolge artikel 1, wordt in de planvoorschriften verstaan onder:

Hoofdgebouw: Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken.

Aanbouw: Een aan het hoofdgebouw gebouwde en daaraan ondergeschikte en afzonderlijke ruimte, waarmee het rechtstreeks in verbinding staat.

Uitbouw: Een ondergeschikte uitbreiding van het hoofdgebouw ten behoeve van de uitbreiding van de hoofdfunctie, zonder dat daarbij een afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw wordt toegevoegd.

Gevellijn: De denkbeeldige lijn op een bouwperceel die in het verlengde ligt van de gevel van het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder i, geldt voor het bouwen van bijgebouwen en aan- en uitbouwen de bepaling dat indien een balkon dan wel dakterras op het dak van een bijgebouw of aan- of uitbouw wordt opgericht, de overschrijding van de achtergevelrooilijn maximaal 1,50 meter mag bedragen met een maximum oppervlakte van 10 m².

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, blijven de voorschriften van de bouwverordening buiten toepassing, indien die voorschriften niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid, blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

Ingevolge artikel 2.5.11, eerste lid, van de bouwverordening Zandvoort 2012 (hierna: de bouwverordening) is de achtergevelrooilijn evenwijdig aan de voorgevelrooilijn:

a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;

b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;

c. in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;

d. in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;

e. in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.

Ingevolge het tweede lid, moeten, indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen, de achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste vijf meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste twee meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.

Ingevolge het derde lid kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het begrip "achtergevelrooilijn" uit het bestemmingsplan moet worden uitgelegd aan de hand van het begrip "gevellijn" zoals dat in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Nu het begrip "achtergevelrooilijn" in het bestemmingsplan niet is gedefinieerd en de aanvullende werking van de bouwverordening in het bestemmingsplan niet is uitgesloten, dient bij de uitleg van het begrip "achtergevelrooilijn" artikel 2.5.11 van de bouwverordening als uitgangspunt te worden gehanteerd en is het bouwplan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in strijd met artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak terecht overwogen dat het college in het besluit van 13 augustus 2012, dat bij het besluit van 6 december 2012 in stand is gelaten, bij de uitleg van het begrip "achtergevelrooilijn" ten onrechte op grond van artikel 9 van de Woningwet is teruggevallen op de in artikel 2.5.11 van de bouwverordening opgenomen omschrijving van dat begrip. De bouwverordening heeft ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Woningwet slechts een aanvullende werking indien het bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen. In dit geval bevat artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften een regeling omtrent bouwen achter de achtergevelrooilijn, zodat de bouwverordening niet aanvullend van toepassing blijft. De omstandigheid dat het begrip "achtergevelrooilijn" in het bestemmingsplan niet is gedefinieerd, geeft geen grond voor een ander oordeel. Het ontbreken van een definitie heeft niet tot gevolg dat met betrekking tot het onderwerp bouwen achter de achtergevelrooilijn geen regels in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De verwijzing door [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2004 in zaak nr. 200305521/1 en de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2009 in zaak nr. 200808830/1/H2, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze uitspraken hebben betrekking op situaties waarin in het bestemmingsplan in het geheel geen regeling omtrent het in die zaken aan de orde zijnde onderwerp was opgenomen, hetgeen in de onderhavige zaak wel het geval is. Anders dan [appellant] betoogt volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 van de Woningwet (Kamerstukken II 1986/87, 20 066, nr. 3, blz. 43) niet dat de voorschriften van de bouwverordening alleen buiten toepassing blijven indien het bestemmingsplan dat uitdrukkelijk bepaalt.

Nu de bouwverordening geen aanvullende werking heeft ten aanzien van het onderwerp bouwen achter de achtergevelrooilijn en een definitie van het begrip "achtergevelrooilijn" in het bestemmingsplan ontbreekt, heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat dit begrip moet worden uitgelegd aan de hand van het wel in de planvoorschriften omschreven begrip "gevellijn".

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het dakterras de achtergevelrooilijn met 2,8 meter overschrijdt. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank bij de bepaling van de ligging van de achtergevelrooilijn ten onrechte is uitgegaan van de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw. Nu de woning aan de achterzijde is uitgebouwd met een uitbouw die in bouwkundig en functioneel opzicht deel uitmaakt van de woning, dient de gevel van de uitbouw als de gevel van het hoofdgebouw te worden aangemerkt, aldus [appellant].

4.1. [appellant] betoogt terecht dat het bij de bepaling van het hoofdgebouw niet van belang is wat het oorspronkelijke hoofdgebouw is, nu de term "oorspronkelijk" geen deel uitmaakt van de definitie van het begrip "hoofdgebouw" of het begrip "gevellijn" zoals opgenomen in artikel 1 van de planvoorschriften. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat het balkon de achtergevelrooilijn met 2,8 meter overschrijdt. Daarbij is van belang dat de door [appellant] bedoelde uitbouw inclusief het al eerder gerealiseerde gedeelte ervan, gelet op de afmetingen en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, als een uitbouw in de zin van artikel 1 van de planvoorschriften moet worden aangemerkt. Nu het bestemmingsplan onderscheid maakt tussen een hoofdgebouw en een uitbouw, maakt de uitbouw geen deel uit van het hoofdgebouw. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank van een onjuiste ligging van de achtergevelrooilijn is uitgegaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep ten aanzien van de tussenuitspraak is ongegrond.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] de in zijn, naar aanleiding van het besluit van 14 augustus 2013 ingediende, zienswijze geformuleerde vordering tot vernietiging van het besluit van 14 augustus 2013 niet kan inbrengen in de procedure, omdat het beroep van [verzoeker rechtbank] niet mede was gericht tegen dat besluit.

6.1. Het besluit van 14 augustus 2013 is genomen naar aanleiding en met inachtneming van de tussenuitspraak van 12 juni 2013. Bij dat besluit is alsnog de omgevingsvergunning geweigerd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding. Derhalve is beroep van rechtswege van de zijde van [appellant] tegen dit besluit ontstaan. De in de zienswijze van 26 augustus 2013 geuite bezwaren had de rechtbank als gronden van dit beroep in aanmerking moeten nemen. De rechtbank heeft ten onrechte over dit beroep geen inhoudelijk oordeel gegeven.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep ten aanzien van de uitspraak van 23 oktober 2013 is gegrond. Deze uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarin niet inhoudelijk is ingegaan op het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 augustus 2013. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog ingaan op dit beroep.

8. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.1 en 4.1 is overwogen, falen de betogen van [appellant] dat in het besluit van 14 augustus 2013 het begrip "achtergevelrooilijn" ten onrechte aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen omschrijving van het begrip "gevellijn" is uitgelegd en dat de ligging van de achtergevelrooilijn ten onrechte is bepaald aan de hand van de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

9. [appellant] betoogt dat het besluit van 14 augustus 2014 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat bij de in de nabije omgeving van het perceel gelegen woningen op de [locatie 2] en de [locatie 3] te [plaats] aan de achterzijde van deze woningen een dakterras met een vergelijkbare diepte als het dakterras van [appellant] is gerealiseerd.

9.1. De door [appellant] genoemde gevallen kunnen niet als gelijke gevallen worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat de uitbouw met dakterras bij de door [appellant] genoemde woningen gelijktijdig met de bouw daarvan in 1932 is vergund en gerealiseerd, terwijl het bouwplan van [appellant] voorziet in een met het bestemmingsplan strijdig dakterras op een onlangs gerealiseerde uitbouw van een bestaande woning. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college recentelijk in vergelijkbare gevallen wel omgevingsvergunning heeft verleend voor realisering van een dakterras bij een bestaande woning in strijd met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

10. [appellant] betoogt tevergeefs dat hij er op mocht vertrouwen dat de gevraagde omgevingsvergunning zou worden verleend. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat zulks aannemelijk is gemaakt.

11. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat dat het college in het besluit van 14 augustus 2013 geen rekening heeft gehouden met zijn belangen. In de enkele omstandigheid dat de realisering van het dakterras als voorzien in het bouwplan het woongenot van [appellant] zal vergroten, heeft het college geen aanleiding behoeven te zien om de gevraagde omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen.

12. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 augustus 2013 is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de tussenuitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2013 in zaak nr. 13/554;

II. verklaart het hoger beroep ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 oktober 2013 in zaak nr. 13/554 gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 oktober 2013 in zaak nr. 13/554 voor zover de rechtbank daarin niet inhoudelijk is ingegaan op het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort van 14 augustus 2013;

IV. verklaart het bij de rechtbank door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort van 14 augustus 2013 ongegrond;

V. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

270-724.