Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201300555/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Burgt 6, Ruimte voor Ruimte" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/599

Uitspraak

201300555/2/R3.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd, onderscheidenlijk wonend te Boekel,

en

de raad van de gemeente Boekel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Burgt 6, Ruimte voor Ruimte" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vennoot A] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. G.H. Blom, en de raad, vertegenwoordigd door A.A.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 25 september 2013 in zaak nr. 201300555/1/R3, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 4 oktober 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Burgt 6, Ruimte voor Ruimte" gewijzigd en geheel opnieuw vastgesteld.

[appellante] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over het besluit van 12 december 2013.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 3 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vennoot A] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad ter zitting heeft erkend dat hij bij het besluit tot de vaststelling van het bestemmingsplan "Burgt 6, Ruimte voor Ruimte" van 4 oktober 2012 ten onrechte is uitgegaan van een onjuiste afstand tussen de bedrijfsbebouwing van [appellante] en de bouwvlakken voor de te bouwen woningen en dat het plan in zoverre aanpassing behoeft. Gelet op het overwogene in deze tussenuitspraak is het besluit van 4 oktober 2012 genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en daarom met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 4 oktober 2012 is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 7 van die uitspraak, het daarin omschreven gebrek met betrekking tot de afstand van de bedrijfsbebouwing van [appellante] tot de bouwvlakken voor de op te richten woningen en de gevolgen daarvan voor de bedrijfsvoering van [appellante] te herstellen.

3. Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Burgt 6, Ruimte voor Ruimte" vastgesteld. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede onderwerp van het geding.

4. Uit het besluit van 12 december 2013 blijkt niet dat de raad bij de beoordeling van de vraag of ter plaatse van de voorziene ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd ook de gevolgen van het plan voor de bedrijfsvoering van [appellante] heeft onderzocht. Ter zitting van 3 april 2014 heeft de Afdeling de raad in de gelegenheid gesteld dit gebrek voor 1 december 2014 alsnog te herstellen.

5. De raad heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Aldus heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat met het besluit van 12 december 2013 ter plaatse van de te bouwen woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en dat [appellante] door de voorziene ontwikkeling niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad.

6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 7 van de tussenuitspraak, alsmede onder 4 en 5 van deze uitspraak, is het in de tussenuitspraak van 25 september 2013 geconstateerde gebrek niet hersteld in het besluit van 12 december 2013.

7. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 12 december 2013 is eveneens gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Boekel van 4 oktober 2012 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boekel van 4 oktober 2012;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Boekel van 12 december 2013 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boekel van 12 december 2013;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Boekel tot vergoeding van bij [appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.704,50 (zegge: zeventienhonderdvier euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Boekel aan [appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

408.