Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201309084/5/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309084/5/R1.

Datum uitspraak: 19 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Muiden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied" vastgesteld.

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld in verband met de ligging van de bestemming "Leiding-Gas" ten behoeve van gasleiding W-533-01 en W-533-19 en het verwijderen van de dubbelbestemming "Leiding-Gas" ter plaatse van het verwijderde deel van gasleiding W-533-19.

Tegen deze besluiten heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 juni 2014 zijn de besluiten van 27 juni 2013 en 4 juli 2013 gewijzigd (hierna: het wijzigingsbesluit).

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 december 2014, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J. Zwiers, werkzaam bij Arag rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Chr. B.B. van Zanten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge artikel 13, tiende lid, van de Tracéwet stelt de raad binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het tracébesluit vast.

3. Met het wijzigingsbesluit heeft de raad hoofdzakelijk beoogd het tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere van de minister van Infrastructuur en Milieu van 21 maart 2013 (hierna: het tracébesluit 2013), dat op 30 oktober 2013 onherroepelijk is geworden, in een bestemmingsplan op te nemen.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] belang heeft bij de beoordeling van het wijzigingsbesluit en dat het beroep van [verzoeker] ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede is gericht tegen het wijzigingsbesluit. In het kader van dit beroep heeft [verzoeker] om schorsing van het wijzigingsbesluit verzocht.

4.1. [verzoeker] zich richt met zijn verzoek tegen het wijzigingsbesluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen" betreffende een deel van de gronden tegenover zijn perceel aan de [locatie] te [plaats] en betoogt daartoe dat de bestemming "Bos" meer waarborgen biedt voor landschappelijke inpassing dan de bestemming "Groen".

5. De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening die voorziet in de door [verzoeker] gewenste bestemming - behoudens bijzondere omstandigheden - te verstrekkend is, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet zal strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een bestemming. Van uitzonderlijke omstandigheden welke nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.

6. Voorts heeft [verzoeker] verzocht het wijzigingsbesluit te schorsen, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer - 2" betreffende een deel van de gronden tegenover zijn perceel aan de [locatie] te Naarden. Hij betoogt dat deze gronden deel uitmaken van het maatregelvlak landschappelijke inpassing van het tracébesluit 2013 en dat de planregels daar ten onrechte voorzien in wegen.

6.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het plan de bestemming "Groen" is toegekend aan gronden die deel uitmaken van het maatregelvlak landschappelijke inpassing van het tracébesluit 2013. Voor de in geding zijnde gronden, die ook van dit maatregelvlak deel uitmaken, is, volgens de raad, een fout gemaakt, nu daaraan de bestemming "Verkeer - 2" is toegekend. Dit laat echter onverlet dat binnen die bestemming ook groenvoorzieningen mogelijk zijn, aldus de raad.

6.2. Ingevolge artikel 26, lid 26.1, van de planregels van het wijzigingsbesluit zijn de voor "Verkeer - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer, met dien verstande dat het aantal rijstroken maximaal 22 bedraagt;

b. wegen met een functie gericht op de afwikkeling van het lokale en bovenlokale verkeer;

[…]

d. groenvoorzieningen;

[…].

6.3. De voorzieningenrechter overweegt dat binnen het plandeel met de bestemming "Verkeer - 2", gezien artikel 26, lid 26.1, onder d, van de planregels groenvoorzieningen weliswaar zijn toegestaan, maar dat artikel 26, lid 26.1, onder a en b, van de planregels het eveneens mogelijk maakt dat op deze gronden wegen worden aangelegd. Op deze wijze is niet gewaarborgd dat de in het tracébesluit 2013 voorziene landschappelijke inpassing op deze gronden zal worden aangelegd. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het plandeel met de bestemming "Verkeer - 2", zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart, te schorsen. In het verlengde hiervan ziet de voorzieningenrechter eveneens aanleiding om ook de besluiten van 27 juni 2013 en 4 juli 2013 te schorsen wat betreft deze gronden. Dit heeft als gevolg dat het ter plaatse vigerende planologische regime ingevolge artikel 13, vierde lid, van de Tracéwet, zal worden beheerst door het tracébesluit 2013.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Muiden van 19 juni 2014, waarbij het bestemmingsplan "Landelijk gebied" gewijzigd is vastgesteld,

voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer - 2", zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de raad van de gemeente Muiden van 27 juni 2013, waarbij het bestemmingsplan "Landelijk gebied" is vastgesteld, en 4 juli 2013, waarbij het bestemmingsplan "Landelijk gebied" gewijzigd is vastgesteld, voor zover die besluiten zien op de gronden die onder I. zijn bedoeld;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Muiden tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat de raad van de gemeente Muiden aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Loo

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014

418.