Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201308738/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe Ede 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/613
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308738/1/R2

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te [woonplaats], gemeente Ede,

2. [appellant sub 2], wonend te Ede,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Ede,

4. [appellanten sub 4], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Ede,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe Ede 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. D.S. Muller, advocaat te Nijkerk, [appellant sub 3] , [appellant sub 4] en de raad, vertegenwoordigd door L.R. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het Veluwse buitengebied van de gemeente Ede.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de in het plan voor zijn perceel [locatie a] te [plaats] opgenomen regeling. Hiertoe voert hij aan dat het plan ten onrechte voorziet in een meetvoorschrift dat voorschrijft dat de inhoud van een woning moet worden bepaald vanaf de onderzijde van de vloer op de begane grond. In dit verband wijst hij erop dat het plan voor zijn woning voorziet in een vergroting van de maximaal toegestane inhoud van de woning met 60 m3 tot 660 m3. Omdat echter vanaf de onderzijde van de vloer op de begane grond moet worden gemeten bij het bepalen van de inhoud van een woning, wordt de toename van de maximaal toegestane inhoud van de woning ten onrechte feitelijk beperkt tot 30 m3, aldus [appellant sub 1].

3.1. Ingevolge artikel 2, lid 2.1, van de planregels wordt bij de toepassing van de regels de inhoud van een bouwwerk gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.2. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 2, lid 2.1, van de planregels, voor zover dat artikelonderdeel betrekking heeft op de wijze van meten van de inhoud van een woning, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor, nu het vastgestelde plan op dit punt niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

4. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de toegestane dakhelling. Volgens hem brengen het in het plan opgenomen minimum en maximum voor de toegestane dakhelling een onevenredige beperking met zich voor de bebouwingsmogelijkheden van zijn perceel.

4.1. Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder e, van de planregels geldt voor het bouwen van een woning op gronden met de bestemming "Wonen" de bepaling dat de dakhelling van een woning, met uitzondering van aan- en uitbouwen, niet minder mag bedragen dan 30 graden en niet meer dan 50 graden.

4.2. [appellant sub 1] heeft beoogd de omvang van het geschil in beroep uit te breiden door eerst ter zitting ook nog het hiervoor omschreven besluitonderdeel in beroep aan te vechten. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder e, van de planregels naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

5. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat in het plan voor zijn perceel ten onrechte een vastomlijnd bouwvlak is opgenomen. Volgens hem brengt dit een sterke beperking met zich van de mogelijkheden voor woningbouw op zijn perceel, nu hij de bebouwing op zijn perceel minder flexibel kan indelen dan hij voorheen kon. In dit verband voert hij aan dat hij de mogelijkheid wil behouden zijn woning af te breken en elders te herbouwen en dat hij planologische ruimte wil behouden voor eventuele nieuwe initiatieven.

5.1. De raad stelt dat de Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (hierna: de SVBP 2008) het toekennen van een vastomlijnd bouwvlak voor woonbebouwing noodzakelijk maakt. De wijze waarop in het voorheen geldende plan woonbebouwing was toegestaan kan vanwege de SVBP 2008 niet worden voortgezet, aldus de raad. Volgens de raad maken verder de op en rond het perceel van [appellant sub 1] aanwezige natuurwaarden concentratie van de toegestane bebouwing noodzakelijk.

5.2. In het voorheen voor het perceel [locatie a] geldende plan "Natuurgebied Veluwe" uit 1995 waren aan dat perceel de bestemming "Multifunctioneel bos" en de aanduiding "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 7 van de planregels van dat plan waren gronden met die bestemming in hoofdzaak bestemd voor behoud van de levensgemeenschap bos in grote eenheden. Ter plaatse van de aanduiding "wonen" mocht worden gewoond, met een maximum van één woning per aangegeven locatie en met een maximumoppervlakte van 1.500 m2. In de verbeelding was geen specifiek bouwvlak ingetekend waarbinnen de toegestane maximumoppervlakte woonbebouwing moest worden gerealiseerd. Het plan voorzag wel in voorschriften voor de aan te houden afstand tot perceelsgrenzen en tot wegen met de bestemming "Verkeersdoeleinden" en stond vervangende nieuwbouw van woningen alleen toe ter plaatse van de bestaande woning.

5.3. Aan een deel van het perceel [locatie a] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, aanhef en onder a, zijn de voor de bestemming "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder a, mag op het perceel [locatie a] één woning worden gerealiseerd binnen het bestemmingsvlak van de bestemming "Wonen". Het vlak met de bestemming "Wonen" omvat slechts een deel van het perceel [locatie a]. De begrenzing van het vlak voor de bestemming "Wonen" die in de verbeelding van het voorliggende plan is ingetekend op het perceel [locatie a], is volgens de raad bepaald aan de hand van de eigendomsgrenzen van percelen, de situering van woningen en bijgebouwen, de inrichting van het perceel met erven of tuinen en de landschappelijke kenmerken en natuurwaarden van het landschap ter plaatse. De planregels van het thans voorliggende plan bevatten geen voorschrift dat inhoudt dat woningen op gronden waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend, alleen binnen een bouwvlak mogen worden gerealiseerd.

5.4. [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat hij de bestaande woning op het perceel [locatie a] wil kunnen afbreken en elders wil kunnen herbouwen en dat het voorliggende plan ten onrechte voorziet in een beperking van de flexibiliteit bij het inrichten van zijn perceel die het voorheen geldende plan hem wel bood.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling stelt vast dat het thans voorliggende plan een andere systematiek kent voor het toestaan van woonbebouwing dan het voorheen geldende plan.

De bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie a] zoals die in deze plannen zijn opgenomen laten zich dan ook niet zonder meer vergelijken. Uit de bij het voorheen geldende plan behorende voorschriften volgt dat in dat plan geen onbegrensde flexibiliteit werd geboden bij het inrichten van het perceel. Het voorheen geldende plan voorzag in aan te houden afstanden tot de perceelsgrenzen en tot wegen met de bestemming "Verkeersdoeleinden". Ook was herbouw van de woning alleen toegestaan ter plaatse van de bestaande woning en werd reeds in dat plan uitgegaan van concentratie van de bebouwing. Dit werd van belang geacht vanwege de bijzondere landschappelijke kwaliteiten van het gebied waarin het perceel [locatie a] is gelegen. Dat is wederom een uitgangspunt geweest bij het vaststellen van het thans voorliggende plan. [appellant sub 1] heeft niet gesteld dat hij concrete initiatieven heeft voor ontwikkelingen waaraan de in het voorliggende plan opgenomen regeling in de weg staat. Voorts overweegt de Afdeling dat de raad de vorm van het vlak met de bestemming "Wonen" naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] heeft aangepast om zo een door [appellant sub 1] gewenste verbouwing planologisch mogelijk te maken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet voorziet in een onevenredige beperking van de mogelijkheden voor woningbouw op het perceel [locatie a].

De betogen falen.

6. Verder voert [appellant sub 1] aan dat het plan voorziet in een onnodige beperking van de bouwmogelijkheden op het voorste gedeelte van zijn perceel. Hij wijst erop dat hij binnen de aan het voorste gedeelte van zijn perceel toegekende bestemming "Bos" niet langer een paardenbak of zwembad kan realiseren, terwijl dit in het voorheen geldende plan wel was toegestaan.

6.1. De raad stelt dat het realiseren van een paardenbak of zwembad op het voorste gedeelte van het perceel van [appellant sub 1] in ruimtelijk opzicht niet wenselijk is.

6.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor de bestemming "Bos" aangewezen gronden bestemd voor behoud, ontwikkeling en/of productie van houtopstanden en bomen en instandhouding en versterking van andere bestaande natuurwaarden, zoals aanwezige stuifzanden en heidegronden.

Ingevolge lid 6.1, aanhef en onder s, is op de voor de bestemming "Bos" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bos - paardenbak" tevens een paardenbak toegestaan.

Aan het perceel van [appellant sub 1] is de aanduiding "specifieke vorm van bos - paardenbak" niet toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, aanhef en onder i, zijn de voor de bestemming "Wonen" aangewezen gronden mede bestemd voor een aan deze bestemming ondergeschikte paardenbak, zwembad, tennisbaan en/of soortgelijke voorzieningen.

6.3. Het voorheen geldende plan kende binnen de bestemming "Multifunctioneel bos" geen regeling voor paardenbakken of zwembaden en stond die voorzieningen dan ook niet toe. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen paardenbakken in het thans voorliggende plan uitsluitend worden gerealiseerd op gronden met de bestemming "Bos" wanneer aan die gronden ook de aanduiding "specifieke vorm van bos - paardenbak" is toegekend. De raad heeft toegelicht dat alleen bestaande paardenbakken buiten het bouwvlak die onder het overgangsrecht zouden vallen in het plan zijn opgenomen met een daarvoor bedoelde aanduiding. Deze situatie doet zich op het perceel van [appellant sub 1] niet voor. Aan de gronden van [appellant sub 1] is die aanduiding dan ook niet toegekend. Nieuwe paardenbakken bij woningen dan wel zwembaden worden in het plan alleen bij recht mogelijk gemaakt op gronden binnen het bestemmingsvlak "Wonen".

De raad heeft uiteengezet dat voor deze regeling is gekozen vanwege de bijzondere landschappelijke kenmerken van het gebied. De raad heeft uitsluitend voor paardenbakken, gelet op de omvang daarvan, willen voorzien in de in artikel 28, lid 28.4.3, van de planregels opgenomen mogelijkheid tot afwijken bij omgevingsvergunning voor het toestaan van een paardenbak direct aansluitend aan het bestemmingsvlak voor "Wonen", indien situering in het bestemmingsvlak niet mogelijk of niet doelmatig blijkt. De toepassing daarvan is echter beperkt tot gronden waarop de bestemming "Agrarisch" rust, omdat de invloed op het landschap van het aldus mogelijk maken van een paardenbak bij een agrarische bestemming beperkter is dan bij een bestemming "Bos". De Afdeling acht de hiervoor weergegeven keuzes ten aanzien van de regeling van paardenbakken en zwembaden in het plan niet onredelijk. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om de regeling voor zijn perceel onredelijk te achten.

Ter zitting is voorts gebleken dat [appellant sub 1] geen concrete initiatieven heeft voor het realiseren van een paardenbak of zwembad die bij de voorbereiding van het plan hadden kunnen worden betrokken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toestaan van paardenbakken en zwembaden op het deel van het perceel van [appellant sub 1] waaraan in het plan de bestemming "Bos" is toegekend.

Het betoog faalt.

7. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

8. [appellant sub 2] is eigenaar van verschillende percelen die deel uitmaken van het landgoed "De Valouwe". Hij kan zich niet verenigen met de regeling die in het plan is opgenomen voor zijn perceel met kadastrale aanduiding EDE B 5364. Op dit perceel waren in het verleden een kwekerij en een groot- en detailhandel in bestrating en tuinornamenten aanwezig. Volgens [appellant sub 2] is tussen hem en het gemeentebestuur afgesproken dat in ruil voor het beëindigen van het gebruik voor dit perceel voor de kwekerij en de stenenhandel aan hem een vergunning zou worden verleend voor de bouw van een woning op de gronden waarop de stenenhandel aanwezig was, of hem de mogelijkheid zou worden geboden de woning op het perceel [locatie b] uit te breiden. [appellant sub 2] wijst er in dit verband op dat hij de kwekerij en de stenenhandel heeft beëindigd, maar dat in het plan in strijd met de afspraak niet is voorzien in voornoemde bebouwingsmogelijkheden.

8.1. De raad stelt dat aan [appellant sub 2] geen toezegging van die strekking is gedaan.

8.2. Over het betoog van [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in de mogelijkheid een woning te bouwen op de gronden waarop de stenenhandel aanwezig was, of dat hem de mogelijkheid zou worden geboden de woning op het perceel [locatie b] uit te breiden. [appellant sub 2] heeft correspondentie met het gemeentebestuur overgelegd waarin over deze initiatieven van gedachten is gewisseld, maar hij heeft aan de hand van deze correspondentie niet aannemelijk gemaakt dat de raad heeft toegezegd medewerking te zullen verlenen aan voornoemde initiatieven. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt.

9. Voorts kan [appellant sub 2] zich niet verenigen met de regeling die in het plan is opgenomen voor de percelen [7 locaties]. [appellant sub 2] voert aan dat het plan niet voorziet in een passende regeling voor de op die percelen aanwezige landhuizen en woningen. In dit verband wijst hij erop dat de inhoud van de op voornoemde percelen aanwezige landhuizen en woningen beduidend groter is dan de inhoud die is toegestaan binnen de aan die percelen toegekende bestemmingen. Verder zijn verschillende bijgebouwen en tuinen bij de landhuizen en woningen niet als zodanig bestemd, waardoor die ten onrechte onder de werking van het overgangsrecht zijn gebracht, aldus [appellant sub 2]. Volgens [appellant sub 2] voorziet het plan in zoverre in een ernstige beperking van de planologische mogelijkheden voor deze percelen ten opzichte van het voorheen geldende plan.

Verder kan [appellant sub 2] zich niet verenigen met de in het plan voor zijn landbouwgronden opgenomen regeling. Hiertoe voert hij aan dat aan zijn landbouwgronden ten onrechte de bestemming "Bos" is toegekend.

9.1. Naar aanleiding van de door [appellant sub 2] ingediende beroepsgronden heeft de raad te kennen gegeven tot het inzicht te zijn gekomen dat het plan voor zover dat betrekking heeft op de percelen [7 locaties] niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid. Dit geldt evenzeer voor zover het plan betrekking heeft op de landbouwgronden van [appellant sub 2] waaraan de bestemming "Bos" is toegekend, aldus de raad. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] gegrond, en dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op voornoemde percelen aan de Vosseveldseweg en de Wekeromseweg en op de landbouwgronden van [appellant sub 2] waaraan de bestemming "Bos" is toegekend.

Het beroep van [appellant sub 3]

10. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de in het plan aan een deel van zijn perceel [locatie c] toegekende bestemming "Bos". In dit verband betoogt hij dat aan zijn perceel voorheen een multifunctionele bosbestemming was toegekend, waarbinnen volgens hem meer mogelijk was dan nu binnen de bestemming "Bos". Volgens hem had de multifunctionele bosbestemming moeten worden voortgezet of had anders de bestemming "Wonen" aan zijn gehele perceel moeten worden toegekend, nu het voorheen geldende plan, in tegenstelling tot het thans voorliggende plan, de mogelijkheid bood de toegestane 1.500 m2 woonbebouwing op het gehele perceel te realiseren.

Verder wijst [appellant sub 3] erop dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de toegestane hoogte van erfafscheidingen tot 1,5 meter op gronden met de bestemming "Bos". Deze toegestane hoogte maakt het onmogelijk schuttingen op te richten die kunnen dienen ter bescherming van zijn privacy, aldus [appellant sub 3].

Tot slot brengt [appellant sub 3] naar voren dat een deel van zijn tuin, met bijbehorende voorzieningen als lampen en tuinpaden, op gronden met de bestemming "Bos" is gelegen. Deze bestemming is volgens hem niet passend, gelet op het gebruik van die gronden.

10.1. De raad stelt dat de SVBP 2008 het toekennen van een vastomlijnd bouwvlak voor woonbebouwing noodzakelijk maakt. De wijze waarop in het voorheen geldende plan woningen waren toegestaan, kan vanwege de SVBP 2008 niet worden voortgezet, aldus de raad.

Overigens heeft de raad ter zitting naar aanleiding van een vraag van [appellant sub 3] te kennen gegeven de opvatting te zijn toegedaan dat het plan niet in de weg staat aan de oprit van [appellant sub 3].

10.2. Aan een deel van het perceel [locatie c] is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het andere deel van het perceel is de bestemming "Bos" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen op gronden met de bestemming "Bos" niet meer bedragen dan 1,5 meter.

10.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de mogelijkheid woonbebouwing op zijn perceel op te richten, overweegt de Afdeling het volgende. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Zoals onder 5.4 is overwogen, kent het thans voorliggende plan een andere systematiek voor het toestaan van woonbebouwing dan het voorheen geldende plan. De bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie c] zoals die in deze plannen zijn opgenomen laten zich dan ook niet zonder meer vergelijken. Uit de bij het voorheen geldende plan behorende voorschriften volgt dat in dat plan evenmin onbegrensde flexibiliteit werd geboden bij het inrichten van het perceel. Het voorheen geldende plan voorzag in aan te houden afstanden tot de perceelsgrenzen en tot wegen met de bestemming "Verkeersdoeleinden". Ook was herbouw van de woning alleen toegestaan ter plaatse van de bestaande woning en werd reeds in dat plan uitgegaan van concentratie van de bebouwing. Dit werd van belang geacht vanwege de bijzondere landschappelijke kwaliteiten van het gebied waarin het perceel [locatie c] is gelegen. Dat is wederom een uitgangspunt geweest bij het vaststellen van het thans voorliggende plan.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [appellant sub 3] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voorts heeft [appellant sub 3] niet gesteld dat hij concrete initiatieven heeft waaraan de in het voorliggende plan opgenomen regeling in de weg staat.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet voorziet in een onevenredige beperking van de bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie c] en heeft de raad in redelijkheid niet aan het gehele perceel de bestemming "Wonen" kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

10.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de hoogte van erfafscheidingen op gronden met de bestemming "Bos" tot 1,5 meter overweegt de Afdeling het volgende. [appellant sub 3] heeft te kennen gegeven hinder te ondervinden van de inkijk in zijn tuin en heeft gesteld dientengevolge een aantasting van zijn privacy te ondervinden. De raad heeft erop gewezen dat het plaatsen van hogere erfafscheidingen in dit gebied afbreuk doet aan de bijzondere landschappelijke kwaliteiten daarvan. Gelet op de aanwezigheid van die bijzondere landschappelijke kenmerken, hetgeen [appellant sub 3] niet heeft bestreden, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het belang van het intact laten van het landschap kunnen laten prevaleren boven de wens van [appellant sub 3] om erfafscheidingen van meer dan 1,5 meter hoog te kunnen realiseren ter verbetering van zijn privacy. De raad heeft er dan ook in redelijkheid voor kunnen kiezen op gronden met de bestemming "Bos" alleen erf- en terreinafscheidingen toe te staan met een maximale hoogte van 1,5 meter.

Het betoog faalt.

10.5. Ter zitting is gebleken dat de gehele woning van [appellant sub 3] binnen het vlak met de bestemming "Wonen" is gelegen, net als een deel van zijn tuin.

Naar aanleiding van de door [appellant sub 3] ingediende beroepsgronden heeft de raad ter zitting te kennen gegeven tot het inzicht te zijn gekomen dat in het plan ten onrechte de bestemming "Bos" aan een deel van de tuin van [appellant sub 3] is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 3] in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het deel van de op het perceel [locatie c] aanwezige tuin waaraan de bestemming "Bos" is toegekend.

Het beroep van [appellant sub 4]

11. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met de in het plan voor zijn perceel [locatie d] opgenomen regeling. Hiertoe voert hij aan dat het plan niet voorziet in een toereikende regeling voor de op het perceel [locatie d] aanwezige recreatiewoning. Weliswaar is aan het perceel de aanduiding "recreatiewoning" toegekend, maar in de verbeelding is op het perceel geen bouwvlak ingetekend voor de recreatiewoning, aldus [appellant sub 4]. Volgens [appellant sub 4] betekent dit dat zijn recreatiewoning ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

Voorts betoogt [appellant sub 4] dat het plan ten onrechte voorziet in de bestemming "Agrarisch" voor zijn perceel, nu deze bestemming geen recht doet aan de bestaande situatie. In dit verband wijst hij erop dat het perceel al zeer geruime tijd wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden en gedurende die tijd nooit voor agrarische doeleinden is benut.

11.1. Naar aanleiding van de door [appellant sub 4] ingediende beroepsgronden heeft de raad te kennen gegeven tot het inzicht te zijn gekomen dat het plan voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie d] niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid. In dit verband heeft de raad van belang geacht dat het gehele perceel [locatie d] al geruime tijd niet meer voor agrarische doeleinden wordt benut en dat ten onrechte geen bouwvlak was opgenomen op dat perceel. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 4] gegrond, en dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie d].

12. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het hiervoor onder 11.1 vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Conclusie

13. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

14. Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 2, lid 2.1, van de planregels, voor zover dat artikelonderdeel betrekking heeft op de wijze van meten van de inhoud van een woning;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige ongegrond;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ede van 25 april 2013 waarbij het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe Ede 2013" is vastgesteld, voor zover dit betrekking heeft op:

a. de percelen [7 locaties]

b. de landbouwgronden van [appellant sub 2] waaraan de bestemming "Bos" is toegekend;

c. het deel van de op het perceel [locatie c] aanwezige tuin waaraan de bestemming "Bos" is toegekend;

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie d];

V. draagt de raad van de gemeente Ede op om met betrekking tot het perceel [locatie d] binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin onder 11.1 is overwogen een nieuw besluit te nemen;

draagt de raad van de gemeente Ede op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Ede tot vergoeding van bij de hierna te noemen appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro) voor [appellant sub 2] , geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro) voor [appellanten sub 4], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Ede aan [appellant sub 2], [appellant sub 3] [appellanten sub 4] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) ieder, met dien verstande dat ten aanzien van [appellanten sub 4] betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Westland, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Westland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

726.