Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201305293/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hanzepoort" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305293/2/R1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beide gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Oldenzaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hanzepoort" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant sub 1] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fresh Vastgoed B.V. en anderen en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2013.

Bij uitspraak van 5 februari 2014 in zaak nr. 201305293/1/R1, voor zover thans van belang, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 22 april 2013 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Hanzepoort" gewijzigd vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het besluit van 26 mei 2014 naar voren te brengen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. [appellant sub 2] heeft tevens beroep ingesteld tegen dit besluit.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 10 december 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Wijhe, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door J.J.M. Oude Avenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 5 februari 2014 naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] tegen de aanduiding "kantoor" voor het perceel [locatie] onder meer overwogen dat de voor het pand op dit perceel verleende vergunningen niet kunnen worden gelezen als inhoudend een meeromvattend gebruik voor algemene kantoordoeleinden. Vervolgens heeft zij overwogen dat de enkele omstandigheid dat het bestemmen van het pand als een op zichzelf staand kantoorpand niet heeft geleid tot een directe juridische gebruiksbeperking voor [appellant sub 1], niet wegneemt dat in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan alle betrokken belangen moeten worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de Afdeling geoordeeld dat de belangen van [appellant sub 1] door een algemene kantoorbestemming wel worden geraakt. De raad heeft geen ruimtelijke afweging gemaakt of een solitair kantoor hier, mede gelet op de belangen van [appellant sub 1], aanvaardbaar is. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat de raad in de zienswijzenota noch in het bestreden besluit voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom voor dit kantoorpand ruimere gebruiksmogelijkheden zijn opgenomen. De raad heeft dit evenmin in het verweerschrift of ter zitting toegelicht.

1.1. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "kantoor" voor het perceel [locatie], genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust dit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden vernietigd.

2. In de uitspraak van 5 februari 2014 heeft de Afdeling de raad opgedragen alsnog te bezien of het plan voor zover dat ziet op de aanduiding "kantoor" voor het perceel [locatie] gelet op de betrokken belangen in stand kan blijven. De raad dient daartoe alsnog toereikend te motiveren waarom de aanduiding "kantoor" past op het perceel dan wel het bestreden besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

3. De raad heeft bij besluit van 26 mei 2014 aan artikel 4, lid 4.1, van de planregels een nieuw onderdeel g toegevoegd, luidende: "ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van kantoor - 1", tevens een kantoor voor zover gericht op het gebied van wegvervoer, distributie en logistiek, waarbij geldt dat de kantooroppervlakte niet meer mag bedragen dan de kantooroppervlakte zoals die bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van dit plan", en deze aanduiding aan het perceel [locatie] met daarop het kantoorgebouw van [appellant sub 2] toegekend.

4. Het besluit van 26 mei 2014 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant sub 1] wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. [appellant sub 2] heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, een beroep van rechtswege tegen dit besluit nu niet gezegd kan worden dat hij daarbij onvoldoende belang heeft. Zijn zienswijze, die gelijkluidend is met het ingestelde beroep, bevat de gronden van dit beroep.

5. [appellant sub 1] heeft in haar zienswijze te kennen gegeven dat zij zich met het besluit van 26 mei 2014 kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] geacht worden te zijn ingetrokken.

6. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de gewijzigde aanduiding voor het kantoor op het perceel [locatie]. Hij betoogt - samengevat - dat de raad ten onrechte niet ex tunc heeft getoetst, geen ruimtelijke afweging heeft gemaakt en alleen oog heeft gehad voor de belangen van [appellant sub 1].

7. De raad heeft met het besluit van 26 mei 2014 de in het plan van 22 april 2013 opgenomen mogelijkheid van een zelfstandig kantoorgebouw beperkt tot een kantoorgebouw gericht op wegvervoer, distributie en logistiek. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat een zelfstandige kantoorfunctie strijdig is met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en de Bedrijventerreinenvisie Oldenzaal van 7 juni 2010. Bovendien zal een zelfstandige kantoorfunctie het bedrijventerrein minder aantrekkelijk maken voor transportgerelateerde bedrijven en kunnen leiden tot conflictsituaties.

8. Het betoog van [appellant sub 2] dat de raad ten onrechte niet het toetsingskader ten tijde van het besluit van 22 april 2013 heeft aangehouden, nu de Afdeling het bestemmingsplan met haar uitspraak van 5 februari 2014 niet heeft vernietigd, faalt. De raad heeft immers een nieuw plan vastgesteld en diende uit te gaan van het op dat moment geldende recht.

8.1. Ook het betoog van [appellant sub 2] dat zijn brief aan de raad van 1 mei 2014 met daarbij een bijlage van BJZ.nu niet is betrokken bij het nieuwe besluit, faalt. Deze stukken zijn, blijkens een stempel op de brief van 1 mei 2014, per e-mail doorgezonden aan de raadsleden en fractievertegenwoordigers. De leden van de raad hebben derhalve tijdig kennis kunnen nemen van deze stukken zodat deze geacht kunnen worden mede aan de besluitvorming ten grondslag te liggen. Daarbij komt dat, zoals [appellant sub 2] aangeeft, gebruik is gemaakt van het recht om op 19 mei 2014 voor het zogeheten politiek forum, een voorbereidend overleg van de raad, in te spreken om zijn belangen toe te lichten.

8.2. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de bedrijventerreinenvisie aan een algemene kantoorfunctie voor het pand in de weg staat. Uit deze visie, inclusief bijlage A, volgt dat het bedrijventerrein Hanzepoort is bedoeld voor transportgerelateerde bedrijven (type Transport- & Distributiepark). De doelstelling is het juiste bedrijf op de juiste plek. De raad heeft in overeenstemming met dit beleid gehandeld door de kantoorfunctie te beperken tot transportgerelateerde bedrijvigheid. Dat het pand in de door adviesbureau STOGO opgestelde rapportage Bouwstenen voor een kantorenvisie Netwerkstad Twente in het kader van een inventarisatie is gerekend tot de bestaande kantoorvoorraad, maakt niet dat een algemene kantoorfunctie ter plaatse van het perceel [locatie] daarmee gegeven is.

Uit de destijds voor het pand verleende vergunningen vloeit een beperkte gebruiksmogelijkheid voort waarmee een gebruik voor kantoordoeleinden in het algemeen in strijd moet worden geacht. [appellant sub 2] kan in zoverre niet met recht betogen dat hem rechten worden ontnomen. Bestaand illegaal gebruik geeft in beginsel geen recht op een positieve bestemming. De raad heeft in dit geval van belang kunnen achten dat transportgerelateerde bedrijven overlast kunnen veroorzaken voor gebruikers van een naastgelegen algemeen kantoorgebouw en dat daarmee over en weer conflictsituaties kunnen ontstaan. [appellant sub 2] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat redelijke exploitatiemogelijkheden van het gebouw met de thans toegekende beperkte kantoorbestemming niet haalbaar zijn. Voor zover hij vreest voor handhavingsverzoeken van [appellant sub 1] ten aanzien van het huidige gebruik overweegt de Afdeling dat de mogelijkheid dat zulke verzoeken worden gedaan niet betekent dat de raad een andere afweging had moeten maken.

Voor zover [appellant sub 2] een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te wijzen op de aanduiding "specifieke vorm van horeca - overnachtingsmogelijkheid" overweegt de Afdeling dat het gebruik van de gronden met deze aanduiding in artikel 4, lid 4.1, van de planregels is beperkt tot een gebruik door vrachtwagenchauffeurs. Ook het door [appellant sub 2] bedoelde bandencentrum valt als transportgerelateerde functie aan te merken. Voor zover hij wijst op twee aanduidingsvlakken "kantoor" binnen het plangebied overweegt de Afdeling dat hoewel die aanduidingen wellicht naar huidige inzichten van de raad niet de meest optimale bestemmingsregeling zijn voor deze percelen, [appellant sub 2] daaraan niet het recht kan ontlenen op een gelijkluidende regeling.

Wat er ten slotte ook zij van de door [appellant sub 2] opgeworpen vraag of de raad terecht het argument heeft gebruikt dat met een wijziging van een beperkte kantoorfunctie naar een algemene kantoorfunctie sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, het vorenstaande kan de keuze van de raad voor een beperkte kantoorfunctie dragen. De raad heeft derhalve in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien in afwijking van de bedrijventerreinenvisie een ruimer gebruik mogelijk te maken.

De betogen falen.

8.3. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

9. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oldenzaal van 22 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hanzepoort" gegrond;

II. vernietigt dit besluit, voor zover het betreft de aanduiding "kantoor" voor het perceel [locatie] ;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oldenzaal van 26 mei 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hanzepoort" ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Oldenzaal tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.704,50 (zegge: zeventienhonderdvier euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Oldenzaal aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Bechinka

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

371.