Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201110165/4/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:4913, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 1 augustus 2012 in zaak nrs. 201108135/1/A3 en 201110165/1/A3; hierna: de verwijzingsuitspraak) heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op zes vragen, de behandeling van het hoger beroep van de minister geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het procesverloop voorafgaande aan deze uitspraak wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak die is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2014/117
SEW 2015, afl. 2, p. 98
JBP 2015/11
Module Privacy en persoonsgegevens 2016/1128

Uitspraak

201110165/4/A3.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2011 in zaak nr. 10/5577 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister.

Procesverloop

Bij uitspraak van 1 augustus 2012 in zaak nrs. 201108135/1/A3 en 201110165/1/A3; hierna: de verwijzingsuitspraak) heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op zes vragen, de behandeling van het hoger beroep van de minister geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het procesverloop voorafgaande aan deze uitspraak wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak die is aangehecht.

Bij arrest van 17 juli 2014 in de gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, inzake Y.S., tegen de minister onderscheidenlijk de minister tegen M. en tegen S. (ECLI:EU:C:2014:2081) heeft het Hof deze vragen beantwoord. Het arrest is aangehecht.

Na dit arrest heeft de Afdeling de zaken nrs. 201108135/1 en 201110165/1 gesplitst.

De minister en [wederpartij] hebben een reactie ingediend.

Bij brieven van 29 augustus 2014 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsopvolgers.

2. Voor de weergave van de bepalingen die in deze zaak van toepassing zijn en voor de voor het geschil relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak.

3. [wederpartij] heeft in zijn brief van 29 augustus 2014 voor het eerst aangevoerd dat hij op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326) en artikel 3:48 Awb een recht op inzage in de minuut heeft. Aangezien geen reden bestaat waarom [wederpartij] dat niet eerder heeft aangevoerd en hij dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dienen deze gronden wegens strijd met een goede procesorde thans buiten beschouwing te blijven.

4. Zoals de Afdeling in de overwegingen 2.1. en 2.1.1. van de verwijzingsuitspraak heeft overwogen, slaagt het betoog van [wederpartij] in verweer dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, niet.

5. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar van 21 oktober 2010 vernietigd omdat de minister [wederpartij] in de bezwaarfase ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minuut geen andere informatie bevat dan de persoonsgegevens van [wederpartij] en dat hij op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) recht heeft op inzage in die gegevens. Niet valt in te zien dat de minister de minuut niet zou verstrekken, aldus de rechtbank.

6. De minister betoogt dat de rechtbank haar oordeel dat de hoorplicht is geschonden onvoldoende heeft gemotiveerd. De overweging dat zij kennis heeft moeten nemen van de minuut om de conclusie te kunnen trekken dat deze behoudens persoonsgegevens geen informatie bevat, kan volgens de minister niet leiden tot het oordeel dat hij zich niet reeds ten tijde van het nemen van het besluit van 21 oktober 2010 op het standpunt heeft mogen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

6.1. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 november 2005 in zaak nr. 200502754/1), is de ongegrondheid slechts "kennelijk" wanneer uit een bezwaarschrift aanstonds volgt dat de bezwaren ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel over die conclusie mogelijk is.

Nu [wederpartij] in bezwaar gemotiveerd heeft aangevoerd, dat en waarom de door de minister aan het besluit van 31 maart 2010 ten grondslag gelegde weigering niet kan worden gehandhaafd, was redelijkerwijs twijfel mogelijk over de ongegrondheid van het bezwaar. Dit geldt temeer nu de minister de motivering die hij aan de weigering ten grondslag heeft gelegd in zijn besluit van 21 oktober 2010 heeft gewijzigd. De rechtbank is derhalve, zij het op andere gronden, terecht tot het oordeel gekomen dat de minister er niet van had mogen afzien om [wederpartij] in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

Het betoog faalt.

7. De minister betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij verplicht is een minuut te verstrekken, indien deze uitsluitend persoonsgegevens bevat. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011 in zaak nr. 201005110/1/H3 volgt dat in zaken als deze kan worden volstaan met een verwijzing naar het reeds bij de betrokkene bekend zijnde procesdossier.

8. De Afdeling heeft bij de verwijzingsuitspraak het Hof onder meer de volgende vragen voorgelegd:

1) Dient artikel 12, aanhef en onder a, tweede streepje, van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281; hierna: de Privacyrichtlijn) aldus te worden uitgelegd dat er een recht bestaat op een afschrift van stukken waarin persoonsgegevens zijn verwerkt, of is voldoende dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm wordt verstrekt van de persoonsgegevens die in de desbetreffende stukken zijn verwerkt?

2) Dienen de woorden "recht van inzage" in artikel 8, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) aldus te worden uitgelegd dat er een recht bestaat op een afschrift van stukken waarin persoonsgegevens zijn verwerkt, of is voldoende dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm wordt verstrekt van de persoonsgegevens die in de desbetreffende stukken zijn verwerkt in de zin van artikel 12, aanhef en onder a, tweede streepje, van de Privacyrichtlijn?

3) Is artikel 41, tweede lid, aanhef en onder b, van het Handvest mede gericht tot de lidstaten van de Europese Unie voor zover zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, eerste lid, van het Handvest?

9. Het Hof heeft in het dictum voor recht verklaard:

2) Artikel 12, sub a, van de Privacyrichtlijn en artikel 8, lid 2, van het Handvest moeten in die zin worden uitgelegd dat de aanvrager van een verblijfstitel een recht heeft op inzage in alle hem betreffende persoonsgegevens die het voorwerp van een verwerking door de nationale overheid vormen in de zin van artikel 2, sub b, van deze richtlijn. Om daaraan te voldoen, volstaat het dat aan die aanvrager een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van deze gegevens wordt gegeven, dat wil zeggen in een vorm die deze aanvrager in staat stelt kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met deze richtlijn, opdat hij eventueel de hem bij die richtlijn verleende rechten kan uitoefenen.

3) Artikel 41, lid 2, sub b, van het Handvest moet in die zin worden uitgelegd dat de aanvrager van een verblijfstitel zich tegenover de nationale autoriteiten niet op deze bepaling kan beroepen.

9.1. Uit het arrest van het Hof volgt dat het recht op inzage, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wbp, uitsluitend betrekking heeft op de persoon betreffende gegevens die vallen onder het bereik van de Wbp. Over de wijze van verstrekking van deze gegevens heeft het Hof overwogen dat het aan de lidstaten is om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moet krijgen, mits de verstrekking in begrijpelijke vorm geschiedt. Voor zover aan de met het recht op inzage nagestreefde doelstelling volledig kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan artikel 12, aanhef en onder a, van de Privacyrichtlijn geen recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin hem betreffende gegevens staan, aldus het Hof. Het volstaat derhalve dat aan de aanvrager, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp, een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van deze persoonsgegevens wordt verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, zodat de aanvrager die gegevens kan controleren op hun juistheid en kan controleren of zij in overeenstemming met de Wbp zijn verwerkt.

9.2. Na kennisneming van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde minuut, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval ook anders dan door inzage in de minuut kan worden voorzien in kennisgeving van de daarin opgenomen persoonsgegevens. De minister is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, derhalve niet gehouden de minuut aan [wederpartij] te verstrekken.

De minister is ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden, gehouden tot verstrekking van een overzicht van de over [wederpartij] verwerkte persoonsgegevens, alsmede van informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. Hierbij kan rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de betrokkene in het bezit is van de processtukken in de vreemdelingenzaak. Zoals volgt uit de uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201104578/1/H3 kan de minister evenwel niet volstaan met een enkele verwijzing naar die processtukken, nu deze verwijzing geen mededeling van in de minuut verwerkte persoonsgegevens inhoudt, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp.

In dit geval heeft de minister in het besluit van 31 maart 2010 noch in het besluit van 21 oktober 2010 mededeling gedaan van de over [wederpartij] verwerkte persoonsgegevens, het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. Gelet hierop is de rechtbank, zij het deels op onjuiste gronden, terecht tot het oordeel gekomen dat de minister niet heeft voldaan aan de uit artikel 35, tweede lid, van de Wbp voortvloeiende verplichtingen.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

11. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. In het te vergoeden bedrag moeten de reis- en verblijfkosten die door de beroepsmatige rechtsbijstandverlener zijn gemaakt, geacht worden te zijn verdisconteerd, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet het verzoek van de gemachtigde van [wederpartij] om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van de behandeling ter zitting bij het Hof afzonderlijk in te willigen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.896,00 (zegge: drieduizend achthonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

290.