Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201405308/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2012 heeft het college het verzoek van [appellanten] tot wijziging van hun in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) opgenomen datum van vertrek uit Nederland, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201405308/1/A3.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 mei 2014 in zaak nr. 13/1116 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2012 heeft het college het verzoek van [appellanten] tot wijziging van hun in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) opgenomen datum van vertrek uit Nederland, afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2014, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door R.J. Boes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281) (hierna: Privacyrichtlijn) bepalen de Lid-Staten dat de persoonsgegevens nauwkeurig dienen te zijn en, zo nodig, dienen te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te corrigeren.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) treft de verantwoordelijke de nodige maatregelen opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.

De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) is op 6 januari 2014 vervangen door de Wet basisregistratie personen, maar is op dit geding nog van toepassing.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet GBA worden aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat hij het vermelde adres niet heeft.

Ingevolge het derde lid wordt als datum van adreswijziging de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge het tweede lid geeft het college aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van dit hoofdstuk.

2. In een e-mailbericht van 8 maart 2012 hebben [appellanten] aan het college te kennen gegeven dat zij in [plaats], Uruguay, verblijven en zich willen uitschrijven uit de GBA. Het college heeft hierop in de GBA als datum van vertrek uit Nederland 8 maart 2012 geregistreerd.

Bij brief van 16 oktober 2012 hebben [appellanten] het college verzocht deze datum te verbeteren, aangezien zij al in juni 2008 uit Nederland zijn vertrokken.

Bij besluit op bezwaar van 7 mei 2013 heeft het college zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2008 in zaak nr. 200801467/1 op het standpunt gesteld dat de in artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA vervatte bevoegdheid tot het verbeteren van gegevens in de GBA niet ziet op de datum van adreswijziging in de zin van artikel 47, derde lid, van de Wet GBA, aangezien die bepaling een strikt imperatieve werking heeft. Hierdoor heeft het niet de bevoegdheid om de datum van adreswijziging te baseren op de dag waarop [appellanten] feitelijk op een nieuw adres zijn gaan wonen, aldus het college.

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het beroep op het materiƫle recht tot correctie van een aantoonbaar foutief in de GBA geregistreerde datum van vertrek uit Nederland. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 11, tweede lid, van de Wbp, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Privacyrichtlijn, de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 11 maart 2009 in zaak nr. 200805067/1) en de Hoge Raad (arrest van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/00563; www.rechtspraak.nl) het college een grondslag bieden om de datum van vertrek uit Nederland te wijzigen naar de feitelijke situatie. Hierdoor is de aangevallen uitspraak tot stand gekomen in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, hetgeen een schending oplevert van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus [appellanten].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 16 oktober 2013 in zaak nr. 201302764/1/A3) kan het college, gelet op het bepaalde in artikel 82, tweede lid, van de Wet GBA, slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 van de Wet GBA uitvoering geven aan een verzoek tot verbetering, aanvulling of verwijdering van gegevens in de GBA. Ingevolge artikel 47, derde lid, van de Wet GBA, welk artikel deel uitmaakt van de eerste afdeling van hoofdstuk 2 van de Wet GBA, dient als datum van adreswijziging te worden opgenomen de dag waarop de aangifte van adreswijziging is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres van betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat artikel 82 van de Wet GBA het college niet de bevoegdheid geeft om in de GBA de datum van een adreswijziging te baseren op de dag waarop de betrokkene feitelijk op een nieuw adres is gaan wonen.

Het beroep op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Privacyrichtlijn en de implementatie van die bepaling in artikel 11, tweede lid, van de Wbp treft geen doel, aangezien uit die bepalingen niet voortvloeit dat het opnemen in de GBA van de datum waarop de aangifte van adreswijziging is ontvangen, onjuist is. Het beroep op voornoemd arrest van de Hoge Raad in zaak nr. 10/00563 treft evenmin doel. Dit arrest ziet immers op de vraag wanneer iemand een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. De rechtbank is tot dezelfde conclusies gekomen.

Het betoog van [appellanten] dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig en ongemotiveerd en derhalve in strijd met artikel 6 van het EVRM tot stand is gekomen, bouwt voort op de hiervoor besproken gronden en faalt derhalve eveneens. Nu door [appellanten] niet wordt betwist dat de datum van aangifte van adreswijziging 8 maart 2012 is, is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien de registratie in de GBA te wijzigen als door [appellanten] is verzocht.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Borman w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

43-816.