Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201404194/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:3935, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2014 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om de kosten voor het laten verrichten van een medisch onderzoek door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het onderzoek) te vergoeden, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404194/1/V1.

Datum uitspraak: 12 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 april 2014 in zaak nr. 14/2878 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2014 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om de kosten voor het laten verrichten van een medisch onderzoek door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het onderzoek) te vergoeden, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Het COa heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COa zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kosten voor het onderzoek geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, nu het primair aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is om in de asielprocedure te beoordelen of een medisch onderzoek nodig is. De rechtbank heeft bij haar beoordeling betrokken dat de staatssecretaris, die nog geen besluit op de asielaanvraag van de vreemdeling heeft genomen, zich vooralsnog op het standpunt heeft gesteld dat zijn asielrelaas deels ongeloofwaardig is. Dat de staatssecretaris het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) vooralsnog niet heeft ingeschakeld, brengt volgens de rechtbank niet met zich dat de kosten voor het onderzoek noodzakelijke kosten zijn als hiervoor bedoeld. In het geval de staatssecretaris geen onderzoek door het BMA aan het asielbesluit ten grondslag legt, is het aan de vreemdeling om in beroep in de asielprocedure aan te voeren en te staven dat de staatssecretaris wel degelijk medisch onderzoek had moeten laten doen, aldus de rechtbank.

De vreemdeling voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan hem is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat hij met de uitkomst van het onderzoek kan bewerkstelligen dat een verschuiving van de bewijslast plaatsvindt als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 in zaak nr. 201208171/1/V1). Hij wijst er in dit verband op dat de staatssecretaris de besluitvorming in zijn asielprocedure aanhoudt in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Voorts voert hij onder meer aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de rechter in de asielprocedure het onderzoek nodig heeft om te kunnen beoordelen of de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten een medisch onderzoek te laten doen.

1.1. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 volgt dat een vreemdeling, om de hierin bedoelde verschuiving van de bewijslast te bewerkstelligen, in elk geval een door een arts geproduceerd bewijsmiddel moet overleggen dat een sterke aanwijzing vormt dat de door hem in het asielrelaas gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf letsel bij hem heeft veroorzaakt. Uit de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010, R.C. tegen Zweden, nr. 41827/07 (paragrafen 11 en 53), en 19 september 2013, R.J. tegen Frankrijk, nr. 10466/11 (paragrafen 41 en 42) (www.echr.coe.int), volgt niet dat slechts een verklaring van een gespecialiseerde arts, werkzaam volgens het 'Istanbul Protocol, Manual on the Effective Investigation and Documentation of Torture and Other Cruel or Degrading Treatment or Punishment' van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, een sterke aanwijzing als hiervoor bedoeld kan opleveren.

Voorts volgt uit voormelde uitspraak van 19 februari 2014 dat de staatssecretaris in de asielprocedure ingevolge artikel 3:2 van de Awb verplicht is nader onderzoek te doen indien een overgelegde medische verklaring daartoe noopt, hetgeen hij moet beoordelen in het licht van de gestaafde dan wel geloofwaardig te achten persoonlijke situatie van de vreemdeling en tegen de achtergrond van de algemene situatie van het desbetreffende land. Dat andere onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft niet in de weg te staan aan het ontstaan van voormelde verplichting.

1.2. Gelet op het voorgaande is voor de bewerkstelliging van de hiervoor bedoelde verschuiving van de bewijslast niet vereist dat de vreemdeling een onderzoek laat verrichten door een gespecialiseerde arts als bedoeld onder 1.1. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het COa zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kosten voor het onderzoek geen noodzakelijke kosten zijn als hiervoor bedoeld.

Reeds hierom falen de grieven.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014

620-716.