Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201403589/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2013 heeft het Participatiefonds het verzoek van Orion om de uitkeringskosten te vergoeden die voortvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [betrokkene], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403589/1/A2.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Orion (hierna: Orion), gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het bestuur van de stichting Stichting Participatiefonds voor het onderwijs (hierna: het Participatiefonds),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2013 heeft het Participatiefonds het verzoek van Orion om de uitkeringskosten te vergoeden die voortvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [betrokkene], afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2014 heeft het Participatiefonds het door Orion hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Orion beroep ingesteld.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2014, waar Orion, vertegenwoordigd door mr. M.L. Diepenhorst en mr. M.F. Hilberdink, beiden advocaat te Amsterdam, vergezeld door G.J.T.M. Lommerse, werkzaam bij Orion, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. M. Wieërs en I. El Assati, beiden werkzaam bij het Participatiefonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 132, derde lid, van de Wet op de Expertisecentra worden op de bekostiging in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 170, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 170, vierde lid, stelt het bestuur van de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 132, derde lid.

Het Participatiefonds heeft voor het schooljaar 2012-2013 het Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2012-2013 (hierna: het Reglement) opgesteld, dat ingevolge artikel 32 van dat Reglement in werking is getreden op 1 februari 2012 en betrekking heeft op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2012.

Ingevolge artikel 6.1 van het Reglement kan een vergoedingsverzoek alleen worden toegewezen indien het ontslag is verleend met inachtneming van het gestelde in artikel 7 tot en met 11 en wanneer tevens is voldaan aan het gestelde in artikel 4.4.

Ingevolge artikel 6.2 is er sprake van eigen beleid indien het ontslag is verleend op andere dan in artikel 7 tot en met 11 genoemde gronden. Als er sprake is van eigen beleid wordt het vergoedingsverzoek afgewezen.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder h, kan ontslag op andere gronden een overige grond voor toewijzing van het vergoedingsverzoek zijn.

Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag de onvermijdbaarheid van het ontslag op andere gronden aantoont. Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag is genoemd.

In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingsovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

1. het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

2. het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

3. de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

2. Orion is op 16 februari 2012 een vaststellingsovereenkomst aangegaan met betrokkene. In artikel 14 van deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat de overeenkomst van rechtswege zal zijn ontbonden indien de aanstelling van betrokkene niet op eigen verzoek eindigt vóór 1 september 2012 en het Participatiefonds het verzoek om bekostiging van de WW-uitkering van betrokkene weigert. In die bepaling is voorts vastgelegd dat de in die overeenkomst opgenomen reeds uitgevoerde verplichtingen dan ongedaan dienen te worden gemaakt, met uitzondering van de in artikel 8 aan betrokkene toegekende tegemoetkoming in advocaatkosten.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft Orion per 1 september 2012 aan betrokkene ontslag verleend.

3. Orion heeft het Participatiefonds verzocht om de uitkeringskosten, die voortvloeien uit het ontslag van betrokkene, ten laste van het Participatiefonds te brengen.

4. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het Participatiefonds ten grondslag gelegd dat Orion, gelet op de ontbindende voorwaarde in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst, de onvermijdbaarheid van het ontslag van betrokkene niet heeft aangetoond en het ontslag derhalve een gevolg is van haar eigen beleid.

5. Orion betoogt dat het Participatiefonds zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de onvermijdbaarheid van het ontslag niet is aangetoond. Daartoe voert zij aan dat door het overleggen van de beëindigingsovereenkomst tussen haar en betrokkene de onvermijdbaarheid is aangetoond. Dit is ook door het Participatiefonds in bijlage 1 bij het besluit van 4 november 2013 erkend. In die bijlage heeft het Participatiefonds haar akkoord gegeven op het ‘document onderbouwing onvermijdbaarheid ontslag’ en op een tweetal ‘ter zake overtuigende documenten’.

De door het Participatiefonds aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling is volgens Orion op dit geval niet van toepassing, nu die jurisprudentie betrekking heeft op beëindigingsovereenkomsten waarin de mogelijkheid bestond het ontslag in te trekken of het dienstverband met terugwerkende kracht te herstellen, terwijl in dit geval het ontslagbesluit definitief is. Het ontslagbesluit vormt immers geen onderdeel van de vaststellingsovereenkomst, aldus Orion. Daarbij is bovendien, anders dan in de door het Participatiefonds aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002 in zaak nr. 200105992/1 (www.raadvanstate.nl), bij de beoordeling van het aanwezig zijn van eigen beleid niet meer relevant of het bevoegd gezag in overwegende mate invloed kan uitoefenen op de oorzaak van het ontslag. In de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2012 in zaak nr. 201111681/1/A2 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling dit ten onrechte niet onderkend.

5.1. Het betoog faalt. Orion dient ingevolge artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement, naast overlegging van het ontslagbesluit of een beëindigingsovereenkomst in de zin van die bepaling, aan te tonen dat het ontslag onvermijdbaar is. Die onvermijdbaarheid van het ontslag moet aldus worden uitgelegd dat geen andere mogelijkheid dan ontslag meer openstaat.

Anders dan Orion heeft betoogd, heeft het Participatiefonds in bijlage 1 bij het besluit van 4 november 2013 niet erkend dat met het overleggen van de beëindigingsovereenkomst de onvermijdbaarheid van het ontslag is aangetoond. In die bijlage heeft het Participatiefonds bij ‘afschrift beëindigingsovereenkomst’ juist ‘niet akkoord’ vermeld en daarbij toegelicht dat de onvermijdbaarheid van het ontslag door de overeenkomst niet is aangetoond.

Indien het Participatiefonds het verzoek om bekostiging van de WW-uitkering van betrokkene weigert, wordt op grond van artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst de overeenkomst van rechtswege ontbonden en dienen de in die overeenkomst opgenomen reeds uitgevoerde verplichtingen ongedaan gemaakt te worden. Zowel Orion als het Participatiefonds hebben zich in beroep respectievelijk verweer op het standpunt gesteld dat dit ertoe leidt dat aan betrokkene in beginsel een nieuwe aanstelling zal moeten worden aangeboden. Nu de vaststellingsovereenkomst daarmee bij afwijzing van het vergoedingsverzoek door het Participatiefonds feitelijk leidt tot voortzetting van de aanstelling van betrokkene bij Orion en derhalve hetzelfde resultaat wordt bereikt als in de uitspraken van de Afdeling van 2 mei 2012 in zaak nrs. 201110985/1/A2 en 201111681/1/A2, heeft het Participatiefonds zich terecht op het standpunt gesteld dat het ontslag niet onvermijdbaar is als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement en de oorzaak van het ontslag het gevolg is van eigen beleid in de zin van het Reglement. Dat, zoals Orion ter zitting heeft toegelicht, de vordering van betrokkene tot het ongedaan maken van de ontbinding uiteindelijk zal leiden tot een schadevordering van betrokkene en niet tot indiensttreding, maakt dat niet anders. Het Participatiefonds heeft het vergoedingsverzoek derhalve terecht op grond van artikel 6.1 in verbinding gelezen met artikel 6.2 van het Reglement afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Verheij w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

480-705.