Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201403749/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:16952, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403749/1/V1.

Datum uitspraak: 8 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 april 2014 in zaak nr. 13/19883 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling bij vonnis van 17 november 2009 van de rechtbank te Accra, Ghana, is veroordeeld wegens diefstal in vereniging, vergezeld door geweld, waarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf is verschaft door middel van braak en welke gepaard ging met bedreiging met de dood, gedurende zijn werkzaamheden als politieagent bij de Rapid Deployment Force van de politie in Accra.

2. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit niet heeft voldaan aan de opdracht in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Maastricht, van 1 maart 2013 in zaak nr. 12/1804 en dat hij daarom niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig niet-politiek misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (hierna: artikel 1(F)). Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op zijn weg ligt de minister van Buitenlandse Zaken te vragen nader onderzoek te doen naar de veroordeling van de vreemdeling en daarover een individueel ambtsbericht uit te brengen. De staatssecretaris betoogt dat hij nader bronnenonderzoek heeft verricht naar de gebeurtenissen die voorafgaand aan de veroordeling hebben plaatsgevonden en daaraan ten grondslag liggen. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris niet onderkend dat hij terecht van deze journalistieke bronnen is uitgegaan, aangezien in Ghana persvrijheid bestaat. Gelet hierop is het aan de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij ten onrechte is veroordeeld. Hij heeft zijn stelling dat hij het slachtoffer is van corruptie echter niet gestaafd, aldus de staatssecretaris. In het licht van voormeld nader bronnenonderzoek bestaat volgens de staatssecretaris geen aanleiding de minister van Buitenlandse Zaken te vragen een individueel ambtsbericht uit te brengen.

2.1. De staatssecretaris heeft eerder, bij besluit van 21 december 2011, de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. In voormelde uitspraak van 1 maart 2013 heeft de rechtbank dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig niet-politiek misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), omdat uit de bronnen waarnaar de staatssecretaris in dat besluit heeft verwezen niet kan worden afgeleid of de vreemdeling terecht is veroordeeld. Daarnaast heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank het betoog van de vreemdeling over corruptie binnen de Ghanese overheid niet deugdelijk gemotiveerd weersproken. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2.2. In het besluit, en het daarin ingelaste voornemen, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet wordt gevolgd in zijn betoog dat hij ten onrechte is veroordeeld. De staatssecretaris heeft daartoe, in aanvulling op de in het besluit van 21 december 2011 vermelde bronnen, verwezen naar de volgende bronnen, afkomstig van database Factiva en allAfrica.com:

- "Who is in Charge, Mr. President?" van Daniël Danquah Damptey van 26 februari 2009;

- "Police And Armed Robbery" van 18 mei 2009;

- "A-G Takes Over Robbery Case" van Ivy Benson van 1 april 2009;

- "Police Robbers Go Haywire" van Ivy Benson van 19 november 2009.

Deze bronnen ondersteunen niet de verklaringen van de vreemdeling over de gebeurtenissen die voorafgaand aan de veroordeling hebben plaatsgevonden, aldus de staatssecretaris. Zo wordt in deze bronnen het slachtoffer van voormeld misdrijf steeds aangeduid als zakenman en volgt daaruit niet, zoals de vreemdeling heeft gesteld, dat dit slachtoffer een drugscrimineel is. Uit die bronnen, en het "2009 Human Rights Report: Ghana" van het US Department of State van 11 maart 2010, kan voorts niet worden afgeleid dat de vreemdeling het slachtoffer is van corruptie. Volgens de staatssecretaris reageren die bronnen juist positief op het feit dat wantoestanden als corruptie bij de politie worden aangepakt. Uit het door de vreemdeling overgelegde arrest van het hooggerechtshof te Accra van 13 juni 2013 betreffende de vrijspraak van een collega van de vreemdeling, kan volgens de staatssecretaris temeer worden afgeleid dat de rechtsgang in Ghana naar behoren functioneert.

2.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris met dit nadere bronnenonderzoek en deze aanvullende motivering voldaan aan de opdracht in voormelde uitspraak van 1 maart 2013. De onder 2.2 vermelde bronnen ondersteunen immers het vonnis van de Ghanese rechtbank en bieden geen aanknopingspunten voor de stelling van de vreemdeling dat hij het slachtoffer is van corruptie. Nu de vreemdeling voorts zijn stelling dat hij ten onrechte is veroordeeld niet heeft gestaafd, bestond voor de staatssecretaris geen aanleiding niet van de juistheid van het vonnis van de Ghanese rechtbank uit te gaan en heeft hij dit vonnis terecht ten grondslag gelegd aan de tegenwerping van artikel 1(F). Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris terecht geen aanleiding heeft gezien de minister van Buitenlandse Zaken te vragen een individueel ambtsbericht uit te brengen.

De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

4. Aan het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling derhalve geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

5. Het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is niet-ontvankelijk.

6. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat hetgeen de vreemdeling in beroep aanvoert over de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van zijn beroep tegen het inreisverbod.

7. De staatssecretaris heeft, anders dan de vreemdeling betoogt, terecht geen aanleiding gezien het vonnis van 17 november 2009 van de rechtbank te Accra op te vragen. Daargelaten dat de vreemdeling de inhoud van dit vonnis niet heeft betwist, heeft de staatssecretaris, gelet op het onder 2.3 overwogene, reeds met de in het besluit vermelde bronnen aannemelijk gemaakt dat ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig niet-politiek misdrijf als bedoeld in artikel 1(F).

8. Voor zover de vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ghana een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), kan hij daarin niet worden gevolgd. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het slachtoffer van voormeld misdrijf een drugscrimineel is, niet geloofwaardig is dat de vreemdeling en zijn familie worden bedreigd door diens handlangers. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van 20 jaren geen onevenredige strafoplegging is voor voormeld misdrijf, nu een politieagent in Nederland voor een vergelijkbaar delict tot een gevangenisstraf van ten hoogste 16 jaren zou kunnen worden veroordeeld. De vreemdeling heeft voorts zijn stelling dat hij wegens de slechte gevangenisomstandigheden in Ghana een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet gestaafd.

9. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 april 2014 in zaak nr. 13/19883;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2014

620-760.