Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201403464/1/A2 en 201406227/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:4066, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende huurtoeslag en zorgtoeslag over 2010 definitief vastgesteld op € 1.495,00 onderscheidenlijk € 698,00 en bedragen van € 1.085,00 onderscheidenlijk € 376,00 van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403464/1/A2 en 201406227/1/A2.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2014 in zaak nr. 14/297 en 18 juli 2014 in zaak nr. 14/1441 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende huurtoeslag en zorgtoeslag over 2010 definitief vastgesteld op € 1.495,00 onderscheidenlijk € 698,00 en bedragen van € 1.085,00 onderscheidenlijk € 376,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluiten van 10 december 2013 en 11 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 11 april 2014 en 18 juli 2014 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellante] hoger beroepen ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft verweerschriften ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 27 november 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij die dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft de beide hoger beroepen vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awir, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder partner verstaan: de persoon bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, onder 3º, is de partner van de belanghebbende degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) en uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren.

Ingevolge artikel 6, derde lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op basis waarvan iemand die in de GBA niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven.

Ingevolge het vierde lid wordt voor de toepassing van het derde lid naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.

De Wet op de huurtoeslag en de Wet op de zorgtoeslag zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1 van de Awir.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt iemand die in de GBA niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de GBA voor de periode tot aan de datum van adreswijziging als bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet GBA.

Ingevolge artikel 47, derde lid, van de Wet GBA, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt als datum van adreswijziging de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

3. De herziening en gedeeltelijke terugvordering van de huurtoeslag en zorgtoeslag over 2010 zien op de periode 1 augustus tot en met 31 december 2010. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen had [appellante] in die periode een toeslagpartner in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, onder 3º, van de Awir, J.C.C. Denis, en was eerder uitgegaan van een te laag inkomen van hem.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat Denis feitelijk eerst op 9 november 2010 bij haar woonachtig was, zodat zijn inkomen in de periode 1 augustus 2010 tot die datum ten onrechte is betrokken bij het bepalen van de hoogte van de toeslagen. De rechtbank heeft in dat verband verder miskend dat zij die stukken reeds in bezwaar had overgelegd, zodat de Belastingdienst/Toeslagen niet had mogen afzien van het houden van de door haar gevraagde hoorzitting, aldus [appellante].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2014 in zaak nr. 201311195/1/A2) is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir de inschrijving in de GBA bepalend. Van deze inschrijving kan in de gevallen bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir worden afgeweken. Deze bepaling ziet, blijkens de toelichting erop (Stcrt. 2005, 251), op gevallen waarin de partner of medebewoner niet op hetzelfde adres als de belanghebbende is ingeschreven maar daar feitelijk wel woont. Daarbij is vermeld dat ook de omgekeerde situatie mogelijk is, bijvoorbeeld in geval van ex-partners die zich niet laten uitschrijven uit de GBA. Ook hier geldt dat zodra de adreswijziging in de GBA is doorgevoerd, met terugwerkende kracht het feitelijke woonadres als inschrijvingsadres geldt. Hierdoor telt de betrokkene niet mee bij de vaststelling van de draagkracht, aldus de toelichting.

4.2. Vaststaat dat Denis van 13 juli 2010 tot en met 25 februari 2011 in de GBA stond ingeschreven op hetzelfde adres als [appellante]. [appellante] stelt dat Denis daar eerst op 9 november 2010 feitelijk is gaan wonen en hij zich derhalve te vroeg heeft ingeschreven op haar adres. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir niet van toepassing is op een dergelijke situatie, nu die bepaling betrekking heeft op het toekennen van terugwerkende kracht aan een te late inschrijving op een adres. Verder heeft [appellante] erkend dat Denis in ieder geval van 9 november 2010 tot en met 25 februari 2011 bij haar woonachtig was. Het toekennen van terugwerkende kracht aan de inschrijving van 25 februari 2011 op een ander adres, is derhalve evenmin aan de orde.

Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat de Awir en de Uitvoeringsregeling Awir in dit geval geen mogelijkheid bieden om van de inschrijving in de GBA af te wijken.

4.3. Zoals de Afdeling verder heeft overwogen in de uitspraak van 5 november 2014, is het alleen aan het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, als beheerder van de GBA, om de daarin geregistreerde gegevens te wijzigen of daarbij een aantekening van onjuistheid dan wel onderzoek daarnaar te plaatsen. Aan een beoordeling van de waardering door de Belastingdienst/Toeslagen van de overgelegde bewijsmiddelen komt de rechter - nu artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir in dit geval toepassing mist - in deze procedure omtrent huur- en zorgtoeslag daarom niet toe. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.

4.4. Gelet op het voorgaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen Denis voor het jaar 2010 terecht als toeslagpartner van [appellante] aangemerkt in de periode 1 augustus tot en met 31 december 2010. De rechtbank is, zij het op andere gronden, terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt in zoverre.

5. De Belastingdienst/Toeslagen heeft van het horen van [appellante] afgezien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1. tot en met 4.3. is overwogen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt mogen stellen dat die situatie zich in dit geval voordeed.

De rechtbank heeft derhalve, zij het op andere gronden, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase.

Het betoog faalt in zoverre eveneens.

6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rusten.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Steendijk w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

611.