Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201403500/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:1461, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2013 heeft de RDW de erkenning van [wederpartij] voor het uitvoeren van periodieke keuringen van de categorie voertuigen tot en met 3500 kg (hierna: de erkenning) met ingang van 10 september 2013 voor negen weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403500/1/A1.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 21 maart 2014 in zaak nrs. 13/2823 en 13/2799 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de RDW.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2013 heeft de RDW de erkenning van [wederpartij] voor het uitvoeren van periodieke keuringen van de categorie voertuigen tot en met 3500 kg (hierna: de erkenning) met ingang van 10 september 2013 voor negen weken ingetrokken.

Bij besluit van 22 november 2013 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 november 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2014, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. E. Houtman, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK (hierna: de Regeling) wordt door de keurmeester het resultaat van elke keuring schriftelijk vastgelegd op het keuringsrapport.

Ingevolge het tweede lid wordt voor dit keuringsrapport gebruikgemaakt van het door de Dienst Wegverkeer vastgestelde model keuringsrapport, dat bekend is gemaakt in de Staatscourant.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, wordt na afloop van elke keuring het bepaalde in het tweede lid tot en met het vijfde lid in acht genomen, alvorens het keuringsrapport aan de aanvrager af te geven.

Ingevolge het tweede lid wordt, alvorens tot het afmelden, als bedoeld in het derde lid, wordt overgegaan, door de keurmeester die het voertuig afmeldt aan de hand van het kentekenregister nagegaan of de keuring van dat voertuig heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt het voertuig door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld onder verstrekking van de volgende gegevens:

[…]

h. de bevestiging dat de in het tweede lid voorgeschreven controleverplichting is nagekomen, waarna acceptatie van de afmelding wordt weergegeven:

1°. de transactiecode en het tijdstip van de afmelding;

2°. indien het voertuig is goedgekeurd: tevens een nieuwe vervaldatum;

3°. indien het voertuig aan een steekproef moet worden onderworpen: tevens de einde wachttijd van de steekproef.

Bij het toezicht op keuringen en het opleggen van sancties hanteert de RDW beleidsregels die zijn neergelegd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van, ten tijde van belang, 1 oktober 2012, welke aan elke erkenninghouder en keurmeester bekend zijn gemaakt. De Toezichtbeleidsbrief is aan elke erkenninghouder en keurmeester verstrekt. In de Toezichtbeleidsbrief worden een Algemeen Deel en verschillende Bijlagen onderscheiden.

Volgens paragraaf 4.4 van het Algemeen Deel wordt voor sancties een verjaringstermijn van 30 maanden gehanteerd. Dit betekent dat bij het opleggen van een vervolgsanctie binnen die termijn eerdere overtredingen worden meegewogen, aldus die passage.

Volgens paragraaf 4.5 zijn de mogelijke overtredingen ondergebracht in vier categorieën, te weten I tot en met IV, waarbij categorie I de lichtere overtredingen en categorie IV de zwaarste overtredingen bevat. De hoogte van een sanctie wordt in beginsel bepaald door de categorie waarin een overtreding wordt ingedeeld, aldus die passage.

Volgens het Stroomschema sancties overtreding erkenning/bevoegdheid, voor zover thans van belang, volgt, wanneer binnen 30 maanden eenmaal een overtreding uit categorie I en daarna eenmaal een overtreding uit categorie III is begaan, in beginsel een intrekking van de erkenning voor de duur van negen weken.

Volgens paragraaf 4.5 van de Bijlage Erkenninghouder APK, voor zover thans van belang, is het afgeven van een keuringsrapport, terwijl de keuring niet volledig is uitgevoerd, een overtreding uit categorie III.

Ingevolge artikel 5.3.0 van de Regeling voertuigen moet een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding 'bus' dan wel 'autobus' is vermeld, voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

Ingevolge artikel 5.3.11, achtste lid, mogen de uitlaatgassen van bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing.

Ingevolge het tiende lid van dat artikel moet, indien bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting, en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van bijlage VIII van toepassing.

In de artikelen 44 en 45 van bijlage VIII van de Regeling voertuigen zijn bepalingen opgenomen waarin eisen worden gesteld aan een roetmeting en de wijze waarop een roetmeting moet worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 45a van deze bijlage is deze paragraaf van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.

Ingevolge artikel 45b, eerste lid, wordt de aanwezigheid en de goede werking van de waarschuwingsinrichting van het emmissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem visueel of auditief gecontroleerd. De waarschuwingsinrichting in het voertuig moet gaan branden of een akoestisch signaal geven als het contact wordt ingeschakeld.

Ingevolge het tweede lid, moet, onverminderd het eerste lid, het uitleesapparaat aangesloten worden op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Vervolgens moet worden vastgesteld dat de status van de waarschuwingsinrichting zoals die weergegeven wordt op het uitleesapparaat overeenkomt met de feitelijke toestand van de waarschuwingsinrichting in het voertuig.

Ingevolge artikel 45d, eerste lid, van deze bijlage hoeft, indien voldaan wordt aan artikel 45b en 45c, de meting als bedoeld in de artikelen 39 tot en met 43 dan wel de meting als bedoeld in de artikelen 44 en 45 van deze bijlage niet te worden uitgevoerd.

Ingevolge het tweede lid, moet, in afwijking van het eerste lid, de meting als bedoeld in de artikelen 39 tot en met 43 dan wel de meting als bedoeld in de artikelen 44 en 45 van deze bijlage worden uitgevoerd, indien het uitleesapparaat foutcodes beginnend met de letter P weergeeft die niet op de lijst met emmissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld of aangeeft dat de readiness-test niet is afgerond.

2. Bij het besluit van 3 september 2013 heeft de RDW de erkenningsbevoegdheid ingetrokken omdat op 31 juli 2013 door de steekproefcontroleur is geconstateerd dat geen volledige keuring is uitgevoerd, nu geen roetmeting is uitgevoerd. Volgens de RDW is daarmee in strijd met de artikelen 29 en 30, tweede en derde lid, onder h, van de Regeling gehandeld en kan gelet op het Stroomschema sancties en overtreding erkenning/bevoegdheid de erkenningsbevoegdheid voor de duur van negen weken worden ingetrokken.

3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat in dit geval geen roetmeting behoefde te worden uitgevoerd omdat het voertuig is voorzien van een Emmissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (hierna: EOBD) als omschreven in artikel 5.3.11, tiende lid, van de Regeling voertuigen en de keurmeester, nu de door hem verrichte EOBD-meting een goed resultaat te zien gaf derhalve ingevolge artikel 45d van bijlage VIII met die meting kon volstaan. De RDW betoogt dat de voorzieningenrechter door aldus te overwegen heeft miskend dat in artikel 5.3.11, tiende lid, van de Regeling voertuigen slechts eisen worden gesteld aan voertuigen die na 31 december 2005 in gebruik zijn genomen en dat uit dit artikel niet volgt dat bij voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2006 bij een periodieke keuring zou mogen worden volstaan met een EOBD-meting. Volgens de RDW dient bij het in dit geval gekeurde voertuig op grond van artikel 5.3.11, achtste lid, van de Regeling voertuigen een roetmeting met toepassing van de artikelen 44 en 45 van Bijlage VIII te worden uitgevoerd, omdat dit voertuig in gebruik is genomen vanaf 26 oktober 2005.

3.1. Anders dan de RDW betoogt staat in de Regeling voertuigen en de daarbij behorende bijlage VIII niet dat bij auto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2006 geen EOBD-meting mag worden uitgevoerd. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen is in artikel 5.3.11, tiende lid, van de Regeling voertuigen slechts bepaald dat auto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005 en beschikken over een EOBD-systeem moeten zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting dat geen emissiegerelateerde fouten mag bevatten. Voorts is in artikel 45a van de bijlage VIII van de Regeling voertuigen opgenomen dat, indien communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is, deze paragraaf over EOBD-metingen van toepassing is, zonder dat daarbij is bepaald dat deze paragraaf niet van toepassing is op auto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2006. Daarnaast staat in artikel 45d, eerste lid, dat, indien wordt voldaan aan de vereisten opgenomen in de artikelen 45b en 45c van de Regeling voertuigen, de metingen als bedoeld in de artikelen 44 en 45 van deze bijlage niet worden uitgevoerd. Voorts is noch uit de toelichting bij de Regeling voertuigen noch anderszins gebleken van concrete aanwijzingen dat artikel 5.3.11, tiende lid, van de Regeling voertuigen aldus moet worden begrepen dat voertuigen die in gebruik zijn genomen voorafgaand aan 1 januari 2006 niet mogen worden gekeurd door middel van een EOBD-meting.

Nu vast staat dat [wederpartij] een EOBD-meting heeft verricht in overeenstemming met artikel 5.3.11, tiende lid, van de Regeling voertuigen gelezen in verbinding met de artikelen 45a tot en met 45d van bijlage VIII bij deze regeling en deze meting niet heeft geleid tot een (fout)melding als bedoeld in artikel 45d, tweede lid, van die bijlage, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de RDW zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen volledige keuring heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de RDW niet bevoegd was over te gaan tot intrekking van de erkenning voor de duur van negen weken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu uit het hiervoor overwogene volgt dat de RDW in het besluit van 3 september 2013 ten onrechte is overgegaan tot intrekking van de erkenning van [wederpartij], ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

5. De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. herroept het besluit van 3 september 2013, kenmerk RN2013/2128;

III. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 22 november 2013, kenmerk BZW130682/bob;

IV. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij de [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1022,74 (zegge: duizendtweeëntwintig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. bepaalt dat van de directie van de Dienst Wegverkeer een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

700.