Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4577

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201402662/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Bezuidenhout West (wijk 64) te Den Haag.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/738
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402662/1/A4.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Bezuidenhout West (wijk 64) te Den Haag.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2014, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Helm en drs. S.F. Lakhichand, beiden werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van een plaatsingsplan, in de wijk Bezuidenhout West concrete locaties aangewezen waar ORAC's worden geplaatst. Onder meer wordt voorzien in de plaatsing van twee naast elkaar gelegen ORAC's op locatie 64-11. Deze locatie is gesitueerd ter hoogte van de woning van [appellante] aan de [locatie 1].

2. Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn kadervoorstel ‘Ondergrondse inzamelcontainers voor restafval’ met kenmerk RIS 160943 (hierna: de randvoorwaarden), gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

"- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!)

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!)

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."

3. [appellante] betoogt dat het college locatie 64-11 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen. Daartoe voert zij aan dat de ORAC's een meter vanaf de voorgevel van haar woning worden geplaatst, dat zij wisselende diensttijden heeft en dat haar rust door de herrie bij het legen van de containers ernstig wordt verstoord. Verder voert zij, onder verwijzing naar haar zienswijze, aan dat zij haar scooter binnenshuis stalt en dat dit door de plaatsing van de containers niet meer mogelijk is. Ook leidt de aanwezigheid van de ORAC's volgens haar tot een verslechtering van haar uitzicht en stankoverlast. Ter zitting heeft zij nader toegelicht dat de ORAC's inmiddels zijn geplaatst, dat zij al twee keer melding heeft moeten maken van onjuist aangeboden huisvuil en dat een van de ORAC's onlangs in brand is gestoken.

3.1. Het college heeft in de Nota van antwoord op de ingebrachte zienswijzen toegelicht dat het legen van de ORAC's doorgaans op werkdagen tussen 07.00 en 22.00 uur plaatsvindt en slechts vijf tot tien minuten duurt. De mogelijke geluidhinder zal daarom binnen aanvaardbare grenzen blijven. Voorts worden de ORAC's grotendeels ondergronds geplaatst en steekt het bovengrondse gedeelte, de inwerpzuil, slechts één meter uit. Er is volgens het college dan ook geen devaluatie van het uitzicht. Doordat de ORAC's zich grotendeels onder de grond bevinden en twee halve schalen hebben die tegen elkaar indraaien, zal ook de stankoverlast tot een minimum worden beperkt. Bovendien worden alle ORAC's in Den Haag met enige regelmaat van binnen en buiten gewassen. In het verweerschrift heeft het college nader toegelicht dat bij de plaatsing van de ORAC's rekening wordt gehouden met een minimale afstand van 1,5 meter tussen de gevel en de ORAC's. De containers zullen [appellante] derhalve niet hinderen bij het stallen van de scooter. In reactie op hetgeen zij ter zitting naar voren heeft gebracht, stelt het college zich op het standpunt dat brandstichting een kwestie van handhaving is en dat hierin geen aanleiding wordt gezien om terug te komen van de aanwijzing van locatie 64-11 voor de plaatsing van ORAC's.

3.2. Gelet op deze motivering ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stank- en geluidhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. In het door [appellante] gestelde verminderde woongenot heeft het college in redelijkheid evenmin aanleiding hoeven vinden om af te zien van de aanwijzing van locatie 64-11 voor de plaatsing van de ORAC’s. Het betoog dat er onlangs brand is gesticht in een van de containers leidt niet tot een ander oordeel, nu dit illegaal gebruik betreft, waarmee het college bij de besluitvorming geen rekening behoefde te houden. Het college heeft in dit verband terecht gesteld dat brandstichting een kwestie van handhaving is.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt dat in de omgeving alternatieve locaties aanwezig zijn voor het plaatsen van de ORAC’s, die volgens haar de voorkeur verdienen boven de bij het bestreden besluit aangewezen

locatie 64-11. Zij wijst daarbij op het Charlotte de Bourbonplein aan de overzijde van haar woning, waar volgens haar meer dan genoeg ruimte is om ORAC's te plaatsen. Verder wijst zij erop dat naast het plein minimaal 4 parkeerplaatsen liggen waar de ORAC's geplaatst kunnen worden. Ook de blinde muur tegenover [locatie 2] is volgens haar een geschikt alternatief, omdat de ORAC's daar niemand tot last zullen zijn. Voor het geval het college deze locaties echter ongeschikt acht, wijst zij op de mogelijkheid om de ORAC's twee meter te verplaatsen, zodat ze voor het portiek komen te staan en niet pal voor haar woning.

4.1. In de Nota van antwoord heeft het college vermeld dat de door [appellante] voorgestelde locatie op het Charlotte de Bourbonplein niet mogelijk is in verband met de daar aanwezige kabels en leidingen. Hetzelfde geldt voor de door [appellante] voorgestelde locatie voor de blinde muur tegenover [locatie 2]. In het verweerschrift heeft het college nader toegelicht dat rond het Charlotte de Bourbonplein een asbest-cement leiding loopt die erg kwetsbaar is. Deze loopt door de parkeerstrook heen, waardoor het plaatsen van ORAC's ook hier niet mogelijk is. Het college heeft het voorgaande ter zitting nader toegelicht aan de hand van een kabels- en leidingenkaart. Ten aanzien van de voorgestelde verplaatsing heeft het college toegelicht dat het portiek niet breed genoeg is voor de plaatsing van twee naast elkaar gelegen ORAC's, zodat ze in dat geval nog altijd deels voor de gevel van de woning van [appellante] of voor de gevel van een andere woning staan.

4.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, gelet op het voorgaande en gegeven de randvoorwaarden, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellante] voorgestelde alternatieve locaties niet geschikter zijn dan de aangewezen locatie 64-11. De door [appellante] voorgestelde alternatieve locaties geven dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college locatie 64-11 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van de ORAC's.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Dekker

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

563.