Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4564

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201401614/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:82, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het college aan Jewels24 (voorheen [naam] & Zoon B.V.) € 1.875,00 aan nadeelcompensatie toegekend op grond van de Verordening Nadeelcompensatie en Planschade Noord-Zuidlijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/2
AB 2015/48 met annotatie van C.M.M. van Mil
O&A 2015/9
JOM 2015/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401614/1/A2.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jewels24 B.V., gevestigd te Haarlem,

2. het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014 in zaak nr. 12/508 in het geding tussen:

Jewels24

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het college aan Jewels24 (voorheen [naam] & Zoon B.V.) € 1.875,00 aan nadeelcompensatie toegekend op grond van de Verordening Nadeelcompensatie en Planschade Noord-Zuidlijn.

Bij besluit van 14 december 2011 heeft het college het door Jewels24 daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2014 heeft de rechtbank het door Jewels24 daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Jewels24 hoger beroep ingesteld.

Het college heeft incidenteel hoger beroep als bedoeld in artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) ingesteld.

Jewels24 heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2014, waar Jewels24, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. P.M.L. Schilder, advocaat te Utrecht, en mr. H. Dulack, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, en mr. H.M. van Velsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:22 van de Awb is in geval van faillissement artikel 25 van de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 25, eerste lid van de Fw worden rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator ingesteld. Indien zij, door of tegen de gefailleerde ingesteld of voortgezet, een veroordeling van de gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeling ingevolge het tweede lid tegenover de failliete boedel geen rechtskracht.

2. Op 2 november 2006 heeft As [naam] & Zoon B.V een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade in de vorm van winstderving geleden als gevolg van de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Door de werkzaamheden is de bereikbaarheid van de juwelierswinkel in het pand [locatie] verminderd en is de passantenstroom langs de winkel afgenomen.

3. Op 2 september 2010 is namens As [naam] & Zoon B.V. door Corpeq B.V., enig aandeelhouder en directeur van As [naam] & Zoon B.V., bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 augustus 2010.

4. Op 16 september 2010 heeft de statutaire naamswijziging van As [naam] & Zoon B.V. naar Jewels24 plaatsgevonden.

5. As [naam] & Zoon B.V. is bij vonnis van de rechtbank van 2 november 2010 in staat van faillissement verklaard onder benoeming van mr. E.C.N. Sweep als curator.

6. Op 30 januari 2012 heeft Corpeq namens Jewels24 beroep ingesteld tegen het besluit van 14 december 2011.

7. Op 22 oktober 2013 is het faillissement van Jewels24 geëindigd.

8. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat Jewels24 op het moment van het instellen van het beroep in staat van faillissement verkeerde. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010 in zaak nr. 200907840/1/H2 heeft de rechtbank overwogen dat artikel 25, eerste lid, van de Fw niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het beroep indien de curator expliciet, eventueel achteraf, te kennen geeft in te stemmen met het beroep en de procedure heeft overgenomen. Nu de curator, hoewel hij daartoe is uitgenodigd door de rechtbank bij brieven van 7 januari en 29 augustus 2013, in zijn reacties van 25 maart en 4 september 2013 wel heeft aangegeven in te stemmen met de beroepsprocedure, maar niet nadrukkelijk heeft aangegeven deze procedure over te nemen, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dat de curator heeft aangegeven een mondelinge overeenkomst tot lastgeving tussen Corpeq en Jewels24 te hebben bekrachtigd, krachtens welke Corpeq beroep heeft ingesteld namens Jewels24, is volgens de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de curator de procedure heeft overgenomen.

Hoger beroep Jewels24

9. Jewels24 betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de brieven van 25 maart en 4 september 2013 volgt dat de curator heeft ingestemd met het beroep en de procedure heeft overgenomen. De curator heeft de rechtbank bericht dat Jewels24 gerechtigd is tot de vordering en dat deze vordering onderdeel uitmaakt van de faillissementsboedel. Op de vraag van de rechtbank of de curator de beroepszaak persoonlijk wenst voort te zetten, heeft de curator gewezen op een door hem met instemming van een rechter-commissaris bekrachtigde overeenkomst van lastgeving krachtens welke Corpeq beroep heeft ingesteld namens Jewels24. De rechtbank heeft miskend dat de curator krachtens artikel 68, tweede lid, van de Fw toestemming nodig heeft van de rechter-commissaris om in rechte op te treden. Door het bekrachtigen van de overeenkomst tot lastgeving heeft de curator expliciet ingestemd met de procedure en moet het er derhalve voor worden gehouden dat hij de procedure heeft overgenomen. Voorts volgt uit de brief van 4 september 2013 dat hij vertegenwoordigers van Corpeq heeft gemachtigd om ter zitting namens de boedel op te treden.

10. Uit de brieven van 25 maart en 4 september 2013 blijkt dat de curator heeft ingestemd met het door Jewels24 op 30 januari 2012 ingestelde beroep. Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 30 juni 2010 heeft overwogen, wordt ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Fw een rechtsvordering door de curator ingesteld. Het tweede lid van artikel 25 laat de mogelijkheid open dat een gefailleerde zelf een rechtsvordering instelt. Indien dat resulteert in een veroordeling, heeft die tegenover de failliete boedel geen rechtskracht. In dit geval heeft Jewels24 beroep ingesteld teneinde een hoger bedrag aan schadevergoeding te verkrijgen, hetgeen een bate ten behoeve van de failliete boedel zou kunnen opleveren. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, staat artikel 25, eerste lid, van de Fw niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank, nu de curator expliciet, zij het achteraf, te kennen heeft gegeven in te stemmen met het beroep.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het beroep van Jewels24 desalniettemin niet-ontvankelijk is, omdat de curator heeft nagelaten nadrukkelijk te bevestigen dat hij de procedure heeft overgenomen. Uit de brieven van de curator van 25 maart en 4 september 2013 blijkt duidelijk dat het beroep ten behoeve van hem is ingesteld. Voorts blijkt uit de brieven dat de curator de lastgeving van Jewels24 aan Corpeq tot het instellen van bezwaar en beroep heeft bekrachtigd. Op grond van deze lastgeving kon Jewels24 op eigen naam in rechte optreden ten behoeve van de curator. Jewels was niet gehouden bij het instellen van beroep te vermelden ten behoeve van de curator op te treden. Het is voldoende dat als reactie op de brieven van de rechtbank van 7 januari en 29 augustus 2013 is aangegeven dat Jewels24 uit hoofde van lastgeving daartoe bevoegd was. Vergelijk onder meer het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2009 in zaak nr. 07/11104, ECLI:NL:HR:2009:BH2162.

De slotsom is dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Jewels24 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog slaagt.

Incidenteel hoger beroep college

11. Ingevolge artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan, indien hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen.

12. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 25, eerste lid, van de Fw volgt dat slechts de curator gerechtigd was beroep in te stellen. Daartoe stelt het college dat As [naam] & Zoon B.V. voor het instellen van beroep failliet is verklaard en het beroep de failliete boedel raakt. Ten onrechte heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010. Niet deze uitspraak is richtinggevend, maar de uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 200907290/1/M3, aldus het college. Uit de uitspraak van 22 juni 2011 volgt dat alleen de curator bevoegd is beroep in te stellen nadat het faillissement is uitgesproken. Ten onrechte heeft de rechtbank de vraag relevant geacht of de curator achteraf te kennen heeft gegeven in te stemmen met het beroep en de procedure heeft overgenomen.

12.1. Uit hetgeen onder 10. is overwogen, volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat alleen de curator beroep kan instellen. Anders dan het college betoogt, heeft de rechtbank terecht aansluiting gezocht bij de uitspraak van 30 juni 2010. Het tweede lid van artikel 25 Fw laat de mogelijkheid open dat een gefailleerde zelf een rechtsvordering instelt. Voorts kan de gefailleerde krachtens lastgeving op eigen naam ten behoeve van de curator beroep instellen. De gefailleerde is bovendien niet gehouden dit bij het maken van bezwaar of instellen van beroep aan te geven. Het is voldoende dat hij dit in een later stadium stelt en zo nodig bewijst. Anders dan het college betoogt, is in de uitspraak van 22 juni 2011 geen afstand genomen van de uitspraak van 30 juni 2010 en evenmin kan daaruit worden afgeleid dat dit kennelijk wel is beoogd.

Het betoog faalt.

13. Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat uit het beroepschrift niet blijkt dat Corpeq uitsluitend beroep heeft ingesteld namens As [naam] & Zoon B.V. en dat een schriftelijke machtiging ontbreekt op grond waarvan Corpeq gerechtigd was om ter zitting op te treden voor As [naam] & Zoon B.V.

13.1. Uit het beroepschrift van 30 januari 2012 volgt dat Corpeq namens Jewels24 beroep heeft ingesteld. Anders dan het college betoogt, hoeft de bevoegdheid daartoe niet te blijken uit een schriftelijke machtiging. Bij brief van 24 februari 2012 heeft Corpeq een uittreksel Kamer van Koophandel verstrekt, waaruit blijkt dat Corpeq enig aandeelhouder en bestuurder van Jewels24 is en als zodanig bevoegd is om Jewels24 te vertegenwoordigen. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de bevoegdheid van Corpeq tot het instellen van beroep. Daarbij komt dat de curator bij brief van 4 september 2013 aan de rechtbank heeft laten weten dat hij vertegenwoordigers van Corpeq heeft gemachtigd om ter zitting namens de boedel op te treden.

Het betoog faalt.

14. Het hoger beroep van Jewels24 is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De rechtbank is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil en Jewels24 heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De Afdeling ziet onder deze omstandigheden aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terug te wijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

15. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld, nu het college de onjuist bevonden uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van Jewels24 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, heeft uitgelokt en verdedigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jewels24 B.V. gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014 in zaak nr. 12/508;

IV. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jewels24 B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.191,50 (zegge: tweeduizend honderdeenennegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jewels24 B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

VII. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

299.