Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201401248/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad onder meer de aanvraag van [appellant] en anderen om een bestemmingsplan vast te stellen dat de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie B, nr. 3449 aan de Wipstraat mogelijk maakt na splitsing van dit perceel, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0299
ABkort 2015/48
JOM 2015/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401248/1/R3.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Woensdrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad onder meer de aanvraag van [appellant] en anderen om een bestemmingsplan vast te stellen dat de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie B, nr. 3449 aan de Wipstraat mogelijk maakt na splitsing van dit perceel, afgewezen.

Bij uitspraak van 14 maart 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de aan de rechtbank gerichte brief van 13 februari 2013 van [appellant] en anderen aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 13 december 2012 en dit met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de raad.

Bij besluit van 12 december 2013, kenmerk 2013-099, heeft de raad het door [appellant] en anderen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb het beroep doorgezonden aan de Afdeling.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2014, waar [appellant] en anderen, en de raad, vertegenwoordigd door ing. K. Kegel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Met het bestreden besluit wordt beoogd gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2013 met zaaknummer AWB 12/4337 WRO. De rechtbank heeft in die uitspraak beslist op het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 28 juni 2012 van het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht en daarnaast besloten de brief van [appellant] en anderen van 13 februari 2013 door te zenden aan de raad, ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit van de raad van 13 december 2012. Het besluit dat thans ter beoordeling voorligt, verklaart dit bezwaar niet-ontvankelijk, omdat het buiten de daartoe in de wet gestelde termijn is ingediend.

2. [appellant] en anderen betogen dat een inhoudelijke beslissing op hun bezwaar genomen had moeten worden zodat de raad dit bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe voeren zij aan niet te hebben geweten dat zij bezwaar moesten maken bij de raad tegen het besluit van de raad van 13 december 2012 naast het door hen ingestelde beroep bij de rechtbank. In dit verband wijzen zij erop dat de raad voormeld besluit niet aan hen bekend heeft gemaakt en dat zij, nadat de rechtbank dit besluit aan hen had doorgezonden, alsnog terstond op het besluit hebben gereageerd middels een brief aan de rechtbank.

De gevolgde procedure omtrent het verzoek tot herziening van het bestemmingsplan is door toedoen van het gemeentebestuur onbegrijpelijk geworden, aldus [appellant] en anderen. Hiertoe wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 in zaak nr. 200606649/1, de reeds door de rechtbank vernietigde en herroepen besluiten van het college van burgemeester en wethouders, de onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting bij de bekendmaking van het bestreden besluit, de vermelde datum op het advies van de bezwaarschriftencommissie en het uitblijven van een reactie op hun verzoek om een afspraak.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] en anderen op de hoogte waren van de vaststelling van het raadsbesluit van 13 december 2012, omdat zij aanwezig waren bij de raadsvergadering waarin dit besluit is vastgesteld. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2000 in zaak nr. H01.99.0563 (AB 2000, 227), stelt de raad dat nu [appellant] en anderen op de hoogte waren van voormeld raadsbesluit, zij daartegen een bezwaarschrift hadden kunnen indienen ondanks het ontbreken van een schriftelijke bekendmaking.

2.2. Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, eerste volzin, geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld: de schriftelijke weigering een besluit te nemen;

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift 6 weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op wettelijk voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, blijft

niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen.

2.3. Anders dan in de uitspraak waarnaar de raad verwijst in zaak nr. H01.99.0563, staat niet vast dat het besluit van 13 december 2012 mondeling aan appellanten bekend is gemaakt. Dat

[appellant] en anderen bij de raadsvergadering waarin dit besluit is vastgesteld aanwezig waren, is hiertoe onvoldoende. Een vergelijking met die uitspraak gaat reeds daarom niet op.

2.4. Het besluit van de raad van 13 december 2012 waarin de aanvraag van [appellant] en anderen tot herziening van het bestemmingsplan wordt afgewezen, is een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht. Gelet op artikel 3:42, tweede lid, eerste volzin, van de Awb, dient een dergelijk besluit bekend te worden gemaakt door kennisgeving hiervan in een van overheidswege uitgegeven blad of dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad dan wel op andere geschikte wijze. De Afdeling stelt vast dat aan deze wettelijk voorgeschreven wijze van bekendmaken niet is voldaan, nu de raad het besluit na vaststelling slechts aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft toegezonden. Hieruit volgt dat ingevolge artikel 3:40 van de Awb dat besluit niet in werking is getreden en ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift nimmer is aangevangen. De raad gaat er derhalve ten onrechte vanuit dat deze termijn reeds is afgelopen. Nu het besluit ten tijde van de indiening van de brief bij de rechtbank -die ingevolge de beslissing van de rechtbank is behandeld als bezwaarschrift- reeds tot stand was gekomen, heeft de raad het bezwaar in strijd met artikel 6:10, eerste lid, van de Awb,

niet-ontvankelijk verklaard. De raad had het bezwaar van [appellant] en anderen inhoudelijk moeten behandelen. Nu dit betoog slaagt, behoeft het betoog dat de gevolgde procedure door toedoen van de gemeente onbegrijpelijk is geworden, geen bespreking meer.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

3. De Afdeling ziet voorts, gelet op het verzoek van partijen, aanleiding om te bezien of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak kan voorzien.

Hierbij betrekt de Afdeling dat het voorstel aan de raad van 5 november 2013, waarmee de raad heeft ingestemd, het inhoudelijke standpunt van de raad bevat inzake woningbouwmogelijkheden op dit perceel. Ook worden de nadere stukken die de raad bij brief van 9 oktober 2014 heeft toegezonden, hierbij betrokken, alsmede het verhandelde ter zitting.

3.1. Volgens de raad is nieuwe woningbouw niet toelaatbaar op het perceel van [appellant] en anderen, omdat dit perceel is gelegen in de groenblauwe mantel zodat het creëren van woningbouwmogelijkheden in strijd is met de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012).

3.2. Uit de kaartbijlage bij de Verordening 2012 volgt dat het perceel van [appellant] en anderen de aanduiding "groenblauwe mantel" heeft.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

3.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat woningbouw op het perceel van [appellant] en anderen in strijd is met de algemene regels, zoals neergelegd in de ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit geldende Verordening 2012. Nu vast staat dat het perceel in de Verordening 2012 de aanduiding "groenblauwe mantel" heeft, is woningbouw ter plaatse in strijd met artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012.

3.4. Ter zitting is voorts, met het oog op het ex nunc-karakter van een toetsing in het kader van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, ingegaan op de thans geldende provinciale Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening ruimte 2014). Uit de kaartbijlage bij de Verordening ruimte 2014, bezien in samenhang met artikel 6.7, eerste lid, aanhef en onder a, van deze Verordening, volgt dat aan het perceel de aanduiding "groenblauwe mantel" is toegekend, zodat het bestemmingsplan nieuwbouw van een burgerwoning aldaar dient uit te sluiten. Ingevolge artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wro, dient de raad deze algemene regels uit de Verordening in acht te nemen.

Ter zitting hebben [appellant] en anderen betoogd dat een inhoudelijke afwijzing van hun aanvraag om nieuwbouw van een burgerwoning mogelijk te maken in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. Over de door hen gemaakte vergelijking met de percelen aan de Mareberg, Klein Brembrood en de Bossestraat overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) voor genoemde percelen, anders dan voor het perceel van [appellant] en anderen, de Verordening ruimte 2014 heeft gewijzigd. Deze drie percelen horen als gevolg van deze wijziging bij bestaand stedelijk gebied, zodat de Verordening niet in de weg staat aan mogelijkheden voor woningbouw op deze percelen. Overigens volgt uit de door de raad bij brief van 9 oktober 2014 overgelegde nadere stukken, zoals toegelicht ter zitting, dat het college van mening is dat de percelen aan de Mareberg en aan Klein Brembrood niet in het buitengebied zijn gelegen, omdat deze percelen eerstelijnsbebouwing betreffen en aan de hoofdstraat zijn gelegen. Wat betreft het perceel aan de Bossestraat is sprake van verkregen (bouw)rechten. Ook in zoverre is derhalve geen sprake van vergelijkbare situaties. Uit deze nadere stukken volgt verder dat het college de Verordening ruimte 2014 niet wil aanpassen teneinde het perceel van [appellant] en anderen bij bestaand stedelijk gebied te laten horen, omdat het perceel niet intensief is bebouwd en de karakteristiek van het gebied past bij de structuur van het buitengebied. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] en anderen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Nu het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en de gewenste bouwmogelijkheid in strijd is met de Verordening ruimte 2014, is er geen andere mogelijkheid dan dat de raad het bezwaar ongegrond verklaart. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit op bezwaar van de raad van de gemeente Woensdrecht van 12 december 2013, kenmerk 2013-099;

III. verklaart het bezwaar van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Woensdrecht van 13 december 2012 ongegrond;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Woensdrecht tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 36,14 (zegge: zesendertig euro en veertien cent) met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Woensdrecht aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

350-813.