Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4557

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201400587/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 13 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel vastgesteld dat vreemdeling 1 geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft en het aan haar verleende document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) ingenomen, alsmede de aan vreemdeling 2 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vreemdelingenwet 2000 13
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vreemdelingenbesluit 2000 8.15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/30

Uitspraak

201400587/1/V3.

Datum uitspraak: 9 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2013 in zaken nrs. 13/6804 en 13/9883 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna tezamen: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 13 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel vastgesteld dat vreemdeling 1 geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft en het aan haar verleende document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) ingenomen, alsmede de aan vreemdeling 2 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluiten van 21 februari 2013 en 22 februari 2013 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 23 december 2013 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2014, waar vreemdeling 1, bijgestaan door mr. J. van der Wielen, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.M.K. Frijters, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Hetgeen als eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de medische omstandigheden van vreemdeling 1 niet kunnen vallen onder klemmende redenen van humanitaire aard die ertoe nopen haar verblijfsrecht op grond van artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet te beëindigen.

De staatssecretaris voert daartoe aan, onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het Besluit van 2 april 2012 tot wijziging van het Vb 2000 in verband met de nadere implementatie van Richtlijn 2004/38/EG (Stb. 2012, 159; hierna: het Besluit), dat artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 een implementatie vormt van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de richtlijn). Volgens de staatssecretaris vloeit uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de richtlijn voort dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden die verband houden met de relatie van de vreemdeling met een burger van de Unie, het verblijfsrecht hier te lande niet wordt beëindigd. Volgens de staatssecretaris moet sprake zijn van een zeker slachtofferschap binnen de relatie van de vreemdeling en de burger van de Unie, en biedt voormelde bepaling uit de richtlijn geen ruimte voor het behoud van het verblijfsrecht vanwege humanitaire omstandigheden in brede zin die geen verband houden met die relatie. De nationale wetgever staat met de zinsnede "klemmende redenen van humanitaire aard" in artikel 8.15, vierde lid, onder d, van het Vb 2000 geen andere invulling voor dan de Uniewetgever. Aan de wetsgeschiedenis vallen geen aanknopingspunten te ontlenen voor het oordeel dat de bedoeling is geweest met artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 ruimere verblijfsaanspraken te bieden. Ook de plaatsing binnen het vierde lid duidt op een tot de relatie beperkt toepassingsbereik. Nu vreemdeling 1 een beroep doet op haar medische omstandigheden en deze geen verband houden met de relatie die zij had met een burger van de Unie, voldoet zij niet aan het bepaalde in artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000, aldus de staatssecretaris.

3. Volgens artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de richtlijn leiden, onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b, niet tot verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, indien bijzonder schrijnende situaties zulks rechtvaardigen, bijvoorbeeld wanneer een familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld.

Ingevolge artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000, eindigt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, niet door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap indien klemmende redenen van humanitaire aard tot aanvaarding van voortgezet verblijf nopen, bijvoorbeeld wanneer een familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld.

4. Daargelaten of, zoals de staatssecretaris heeft aangevoerd, artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de richtlijn zo moet worden uitgelegd dat deze bepaling geen ruimte laat voor het behoud van het verblijfsrecht in andere situaties dan die zien op de relationele sfeer tussen het familielid en de burger van de Unie, kan hij niet worden gevolgd in zijn betoog dat geen sprake is van een ruimere implementatie. Daarbij overweegt de Afdeling dat de richtlijn zich, gelet op artikel 37, niet verzet tegen gunstigere nationale bepalingen. Aan de in artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 neergelegde formulering "klemmende redenen van humanitaire aard" komt in het nationale vreemdelingenrecht een ruimere betekenis toe dan aan de in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de richtlijn neergelegde formulering "bijzonder schrijnende situaties". Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar het algemeen geformuleerde uitgangspunt in artikel 13, aanhef en onder c, van de Vw 2000 alsmede naar de in artikel 3.51 van het Vb 2000 neergelegde mogelijkheden een verblijfsvergunning te verlenen op niet-tijdelijke humanitaire gronden. In dit verband kan ook worden gewezen op de beleidsbrief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 februari 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr. 1131), inzake toelating op grond van schrijnendheid, waaruit volgt dat onder klemmende redenen van humanitaire aard onder meer ernstige medische omstandigheden kunnen worden verstaan. Aan de kennelijke bedoeling van de wetgever en de opbouw van het vierde lid van artikel 8.15 van het Vb 2000 kan, anders dan de staatssecretaris betoogt, geen doorslaggevende betekenis worden gehecht, nu de wetgever ervoor heeft gekozen de formulering uit de richtlijn niet over te nemen en de tekst van artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 duidelijk is en niet tot een beperkte uitleg dwingt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, overwogen dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de medische omstandigheden van vreemdeling 1 niet kunnen vallen onder klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000, die nopen tot het behoud van het verblijfsrecht.

De grief faalt.

5. Voor zover de staatssecretaris in zijn derde grief klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verblijfsrecht van vreemdeling 2 afhankelijk is van dat van vreemdeling 1, zodat het besluit ten aanzien van vreemdeling 2 eveneens voor vernietiging in aanmerking komt, faalt deze grief reeds gelet op het hiervoor overwogene.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bechinka

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014

371-759.