Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201200032/3/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Besluit omgevingsrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2015/35 met annotatie van Y. van Hoven
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200032/3/A4.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Teylingen,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Teylingen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. D. Pool, [appellant sub 2] en anderen en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. van der Wijst, ing. C.H. Brunt, drs. A.M.A. Bakker en P.L.A.M. de Wijs, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Bij tussenuitspraak van 28 augustus 2013 in zaak nr. 201200032/1/A4 (aangehecht; hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 22 november 2011 te herstellen.

Bij brief van 4 november 2013 heeft het college, ter uitvoering van de tussenuitspraak, het besluit van 22 november 2011 voorzien van een nadere motivering.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [vergunninghouder] hebben hierover hun zienswijze naar voren gebracht.

Hiertoe in de gelegenheid gesteld heeft het college hierop bij brief van 22 januari 2014 een reactie gegeven.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak voor de tweede maal ter zitting behandeld op 17 april 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. D. Pool en [gemachtigde], [appellant sub 2] en anderen en het college, vertegenwoordigd door drs. A.M. Burger, ing. C.H. Brunt en drs. A.M.A. Bakker, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend.

Daartoe verzocht heeft het college bij brief van 28 april 2014 inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb gegeven.

[appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben hierop een schriftelijke reactie gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak voor de derde maal ter zitting behandeld op 9 september 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 2] en anderen en het college, vertegenwoordigd door drs. A.M. Burger, ing. C.H. Brunt en drs. A.M.A. Bakker, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 22 november 2011 in strijd is met artikel 3:2 van de Awb voor zover het college bij de beoordeling van de vergunningaanvraag niet het scenario van een incident met een tankwagen heeft betrokken.

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van rechtsoverweging 24 van de tussenuitspraak, het gebrek te herstellen.

2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak het besluit van 22 november 2011 van een nadere motivering voorzien.

Het college heeft alsnog onderzoek verricht naar de gevolgen van een incident met een tankwagen. Hiervoor heeft het de risicobenadering gehanteerd en is het uitgegaan van twee scenario’s, te weten het instantaan falen van de tankwagen en een breuk van de losslang. Naar aanleiding van de uitgevoerde berekeningen heeft het college geconcludeerd dat binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 geen kwetsbare objecten liggen, zodat de gevolgen van het scenario van een incident met een tankwagen niet aan vergunningverlening in de weg staan.

3. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] betogen dat het college bij de beoordeling van een incident met een tankwagen ten onrechte voor de risicobenadering heeft gekozen. [appellant sub 2] en anderen stellen dat altijd moet worden gekozen voor de benadering waarbij de gevolgen voor het milieu het meest ernstig zijn. Het college heeft volgens hen onvoldoende onderzoek gedaan naar de te hanteren benadering. [appellant sub 1] betoogt dat het college bij de beoordeling van de gevolgen van een incident met een tankwagen voor de effectbenadering had moeten kiezen, omdat het eerder bij de beoordeling van de gevolgen van een incident bij een afleverzuil ook voor deze benadering heeft gekozen. In de notitie ‘Beoordeling berekeningen Omgevingsdienst West-Holland n.a.v. de tussenuitspraak van de Raad van State van 28 augustus 2013’, kenmerk RJ/RK/TvdE/FA 16864-2-NO, van Peutz B.V. van 4 december 2013, die hij heeft ingediend, is een berekening naar de effecten van het scenario van een incident met een tankwagen uitgevoerd, naar aanleiding waarvan wordt geconcludeerd dat brandoverslag naar de meest nabijgelegen woning zal plaatsvinden.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bij de beoordeling van het scenario van een incident met een tankwagen heeft gekozen voor de risicobenadering, omdat de kans op een dergelijk incident zeer gering is en bij een onbemand tankstation niet anders is dan bij een bemand tankstation. Het wijst er hierbij op dat de risicobenadering tevens het uitgangspunt is in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

3.2. Voor de beoordeling van het scenario van een ongeval van een tankende bezoeker bij een afleverzuil heeft het college naar aanleiding van de studie ‘Creditcard Benzinetankstations, Minimum afstanden tot externe objecten, Deel 2 Veiligheidsaspect, Comprimo, 1989’ de effectbenadering gehanteerd. De beoordeling van een incident met een tankwagen heeft het college uitgevoerd aan de hand van de risicobenadering.

Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak heeft overwogen, is er geen regeling waarin is bepaald dat het bevoegd gezag de effectbenadering dan wel de risicobenadering dient toe te passen bij de beoordeling van de externe veiligheid. Verder is er geen regeling die ertoe verplicht dat bij de beoordeling van verschillende scenario’s eenzelfde benadering dient te worden gehanteerd. Gelet op hetgeen het college heeft gesteld, waaronder de omstandigheid dat de kans op een incident met een tankwagen zeer gering is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van dat scenario niet in redelijkheid de risicobenadering heeft kunnen hanteren.

Het betoog faalt.

3.3. Voor een beoordeling van de door [appellant sub 1] overgelegde berekeningen volgens de effectbenadering van Peutz B.V. bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.

4. [appellant sub 1] betoogt dat het college zich in de risicoberekening ten onrechte heeft beperkt tot het scenario van een incident met een tankwagen en wijst hierbij op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak. Het college heeft volgens hem in de risicoberekening ten onrechte niet alle mogelijke incidenten binnen de gehele inrichting betrokken.

4.1. In de tussenuitspraak is onder meer overwogen dat bij de beoordeling van de aanvraag om een oprichtingsvergunning de gehele inrichting dient te worden betrokken. Overwogen is dat de effecten van een incident met een tankwagen groter kunnen zijn dan de effecten van een ongeval van een bezoeker bij een afleverzuil, zodat het college de effecten van een incident met een tankwagen ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken.

Het college heeft de scenario’s van een ongeval van een tankende bezoeker bij een afleverzuil en een incident met een tankwagen afzonderlijk beoordeeld. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het het scenario van een ongeval van een tankende bezoeker bij een afleverzuil niet in de risicobeoordeling heeft betrokken, omdat de kans dat beide incidenten zich gelijktijdig voordoen gering is. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om aan dit standpunt van het college te twijfelen. Verder is niet gebleken van andere incidenten binnen de inrichting die in de beoordeling hadden moeten worden betrokken.

Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de risicoberekening van het college niet is gebaseerd op de juiste uitgangspunten, hetgeen volgens hen tot gevolg heeft dat de berekende risico’s zijn onderschat. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het college bij het beoordelen van een incident met een tankwagen ten onrechte niet het scenario van een lek in de losslang in zijn beoordeling heeft betrokken. Verder betoogt [appellant sub 1] dat het college bij het beoordelen van het instantaan falen ten onrechte uitsluitend een scenario met betrekking tot domino-effecten tijdens de verlading in zijn beoordeling heeft meegenomen. Volgens hem hadden nog twee scenario’s in de beoordeling moeten worden betrokken, te weten het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud en het vrijkomen van de gehele inhoud uit de grootste aansluiting.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het zich bij de keuze van de scenario’s heeft laten leiden door hetgeen hierover is vermeld in het deskundigenbericht. Vervolgens heeft het college bepaald welke van de in het deskundigenbericht genoemde scenario’s relevant zijn in het onderhavige geval. Omdat een lek in de losslang weinig impact heeft, heeft het college dit scenario niet in de berekening betrokken. Het college stelt verder dat het zich voor de beoordeling van het instantaan falen van de tankwagen heeft gebaseerd op het Scenarioboek Externe Veiligheid uit april 2011, ontwikkeld door de veiligheidsregio’s in de provincie Noord-Holland. Naar aanleiding van de door [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] naar voren gebrachte zienswijzen in reactie op de aanvullende motivering van het college stelt het college dat het, om elke onzekerheid uit te sluiten, de in de notitie van Peutz B.V. genoemde scenario’s ten aanzien van het instantaan falen van de tankwagen alsnog in de beoordeling heeft betrokken.

5.2. Het deskundigenbericht vermeldt dat de scenario’s die relevant zijn bij de beoordeling van het scenario van een incident met een tankwagen betreffen het instantaan falen van (een compartiment van) de tankwagen en een breuk of een lek in de losslang. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college in de berekening niet in redelijkheid de scenario’s kon betrekken die volgens het deskundigenbericht van belang worden geacht.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een lek in de losslang dermate grote gevolgen heeft dat het college dit scenario ten onrechte niet in de berekening heeft betrokken. Niet is gebleken dat de berekening in zoverre is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.

Verder heeft het college, om elke onzekerheid uit te sluiten, alsnog de door [appellant sub 1] genoemde scenario’s ten aanzien van het instantaan falen van de tankwagen in de berekening betrokken, naar aanleiding waarvan is geconcludeerd dat binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 geen kwetsbare objecten liggen.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende risico’s in zoverre zijn onderschat.

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] betoogt verder dat het college bij de beoordeling van een incident met een tankwagen ten aanzien van het scenario van een breuk in de losslang ten onrechte heeft nagelaten het scenario te beoordelen waarbij de chauffeur van de tankwagen niet ingrijpt en waarbij gedurende 30 minuten uitstroom plaatsvindt. Hij wijst ter onderbouwing van dit standpunt op de Handleiding Risicoberekeningen Bevi, waaruit volgens hem volgt dat in de berekening rekening moet worden gehouden met een kans van 10 procent dat de chauffeur niet ingrijpt. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat in de berekening ten onrechte is uitgegaan van de aanwezigheid van een doorstroombegrenzer.

6.1. Het college stelt dat het, naar aanleiding van hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld, het scenario van een breuk in de losslang waarbij de chauffeur van de tankwagen niet ingrijpt niet in de risicoberekening heeft betrokken. Het is er bij de beoordeling van dit scenario van uitgegaan dat de kans dat de chauffeur ingrijpt 100 procent bedraagt. Het college stelt verder dat het naar aanleiding van de toelichting van De Groot over de aanwezigheid van een doorstroombegrenzer een scenario aan de risicoberekening heeft toegevoegd, te weten een breuk in de losslang met ingrijpen van de doorstroombegrenzer. Daarnaast heeft het een scenario van een breuk in de losslang met ingrijpen van de chauffeur van de tankwagen aangepast in die zin, dat de chauffeur van de tankwagen ingrijpt indien de doorstroombegrenzer bij een breuk in de losslang faalt.

6.2. Het college heeft in zijn beoordeling onder meer de Handleiding Risicoberekeningen Bevi betrokken. In deze Handleiding is vermeld dat het ingrijpen van de chauffeur van de tankwagen tijdens het verladen kan worden meegenomen in de risicoberekening, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn, kort weergegeven, dat de chauffeur van de tankwagen zicht heeft op de verlading, dat het aanwezig zijn van de chauffeur wordt geborgd door een voorziening als een dodemansknop, dat het inschakelen van de noodstopvoorziening door de chauffeur is vastgelegd in een procedure, dat de chauffeur voldoende is opgeleid en bekend is met de geldende procedures en dat de noodstopvoorziening volgens de geldende normen is gepositioneerd.

6.3. Volgens het deskundigenbericht is een scenario waarbij de chauffeur van een tankwagen niet ingrijpt wellicht correct in een procesomgeving, maar niet realistisch in de omgeving van een tankstation. Indien voldoende garanties bestaan dat de chauffeur actief toezicht houdt en dus snel kan ingrijpen, mag volgens het deskundigenbericht rekening worden houden met een uitstroomtijd van twee minuten.

[vergunninghouder] heeft bij schrijven van 30 december 2013 uiteengezet en ter zitting toegelicht aan welke eisen de tankwagen en de chauffeur van een tankwagen moeten voldoen. Zij heeft toegelicht dat de tankwagen is voorzien van veiligheidssystemen, waaronder een doorstroombegrenzer, en dat de chauffeur, indien zich een incident voordoet, weet op welke wijze hij dient te handelen. Indien het systeem niet op normale wijze in werking is, kan de tankwagen volgens [vergunninghouder] niet gelost worden. De door [appellant sub 1] gestelde vrije val van benzine doet zich in het geheel niet voor, aldus [vergunninghouder].

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de berekening niet in redelijkheid kon uitgaan van de aanwezigheid van een doorstroombegrenzer. Evenmin bestaat, mede gelet op hetgeen is vermeld in het deskundigenbericht, aanleiding voor het oordeel dat het college er in de risicoberekening niet in redelijkheid van kon uitgaan dat de kans dat de chauffeur van de tankwagen tijdens de verlading ingrijpt 100 procent bedraagt.

Het betoog faalt.

7. Voor zover het college er in de risicoberekening ten aanzien van het scenario van een breuk in de losslang van mocht uitgaan dat de kans dat de chauffeur ingrijpt 100 procent bedraagt, betoogt [appellant sub 1] dat het college in de risicoberekening ten onrechte is uitgegaan van een kans van 90 procent dat de chauffeur van de tankwagen ingrijpt. Hij wijst ter onderbouwing van dit betoog op de tabel in de bijlage ‘Lindenlaan reactie op zienswijzen 22 januari 2014’ bij de reactie van het college van 22 januari 2014 naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen, waarin is vermeld dat het college ten aanzien van het scenario van een breuk van de losslang is uitgegaan van een kans van 90 procent dat de chauffeur van de tankwagen ingrijpt. Hij stelt verder dat uit deze tabel niet volgt dat de kans van 10 procent dat de chauffeur van de tankwagen niet ingrijpt, in de berekening is betrokken.

7.1. Tijdens de zitting van 17 april 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het in de berekening is uitgegaan van een kans van 100 procent dat de chauffeur van de tankwagen ingrijpt, en dat de in de tabel opgenomen kans van 90 procent een verschrijving betreft.

7.2. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting op 17 april 2014 heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college de gelegenheid gegeven zijn standpunt dat de risicoberekening op de juiste wijze is uitgevoerd en dat de in de tabel opgenomen kans van 90 procent een verschrijving betreft, schriftelijk te onderbouwen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft met een nieuwe berekening aangetoond dat het er in de eerder uitgevoerde berekening ten aanzien van het scenario van een breuk in de losslang van is uitgegaan dat de kans dat de chauffeur van de tankwagen ingrijpt 100 procent bedraagt en dat de in de tabel vermelde kans van 90 procent een verschrijving betreft. De in de bijlage bij het stuk van 22 januari 2014 weergegeven risicocontouren wijzigen derhalve niet. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de berekening, voor zover het betreft het ingrijpen van de chauffeur, niet op de juiste wijze heeft uitgevoerd. Ook in zoverre bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende risico’s zijn onderschat.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college in de risicoberekening rekening had moeten houden met de dampen die vrijkomen via het dampretoursysteem. Verder stellen zij dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat tijdens het lossen van de tankwagen beperkte ruimte overblijft voor bezoekers om te tanken.

8.1. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de dampen die vrijkomen via het dampretoursysteem zodanig zijn dat hiermee in de risicobeoordeling rekening had moeten worden gehouden. Voor zover tijdens het lossen van de tankwagen onvoldoende ruimte zou overblijven voor bezoekers om te tanken, overweegt de Afdeling dat dit niet tot gevolg heeft dat de risicobeoordeling op dit punt onjuist is.

Het betoog faalt.

9. Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 1] dat het college in zijn risicoberekening ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de tijd die is benodigd voor het aan- en loskoppelen van de tankwagen, hetgeen volgens hem tot gevolg heeft dat de risico’s zijn onderschat, heeft het college de berekening aangepast door wat betreft de verladingsduur uit te gaan van tweemaal 30 minuten per week in plaats van tweemaal 15 minuten per week.

Verder is het college, naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 1] dat het bij de beoordeling van het scenario instantaan falen in de berekening ten onrechte niet is uitgegaan van een plasoppervlak van 1.500 m², in de hernieuwde berekening uitgegaan van een plasoppervlak van 1.500 m² bij het vrijkomen van de inhoud van de gehele tankwagen en van een plasoppervlak van 375 m² bij het vrijkomen van de inhoud van één van de compartimenten van een tankwagen.

Nu het college naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] de kritiek van [appellant sub 1] in de berekening heeft betrokken, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de berekening in zoverre onjuistheden bevat die tot gevolg hebben dat de berekende risico’s zijn onderschat.

10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat uit het bij de aanvraag gevoegde rapport ‘Brandveiligheid tankstation te Sassenheim’ van 26 juli 2002 van IDDS B.V. volgt dat de risiconormen bij twee bezoeken van de tankwagen aan het tankstation per week worden overschreden.

10.1. Naar aanleiding van de door het college uitgevoerde risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat twee bezoeken van de tankwagen aan het tankstation per week niet leiden tot een overschrijding van de risiconormen. Het door [appellant sub 2] en anderen aangehaalde rapport, dat in 2002 is opgesteld, geeft geen aanleiding aan de conclusie van de door het college uitgevoerde risicobeoordeling te twijfelen.

Het betoog faalt.

11. Voor zover [appellant sub 2] en anderen zich keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

12. Gezien de tussenuitspraak zijn de beroepen gegrond. Het besluit van 22 november 2011 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven.

13. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het betreft een vergoeding voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, reiskosten van [appellant sub 1] en de deskundige in verband met het bijwonen van een zitting en kosten voor het opstellen van deskundigenrapporten.

Met betrekking tot het verzoek van [appellant sub 1] om vergoeding van de kosten voor het opstellen van de deskundigenrapporten wordt overwogen dat het rapport van Peutz B.V. van 16 mei 2014, waarvoor [appellant sub 1] de factuur van 10 juni 2014 heeft overgelegd, niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat dit rapport niet van betekenis is geweest bij de beoordeling van het besluit van 22 november 2011 en de aanvullende motivering hierop. Ten aanzien van de overige rapporten wordt overwogen dat op grond van de facturen wordt uitgegaan van de opgegeven 52,25 uren, waarvoor een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur wordt gehanteerd.

14. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen van [appellant sub 2] en anderen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Teylingen van 22 november 2011, kenmerk 2010008296;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Teylingen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.906,17 (zegge: vijfduizend negenhonderdzes euro en zeventien cent), waarvan € 1.948,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Teylingen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1].

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Grinsven

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

462-684.