Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201207718/4/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207718/4/R2.

Datum uitspraak: 12 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Eemnes,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Eemnes,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2013, waar [appellant A] en [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij de uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201207718/1/R2, hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad naar aanleiding van het beroep van [appellant A] en [appellant B] opgedragen om binnen 16 weken na de verzending daarvan het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit van 17 december 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 17 december 2012

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 16.3 overwogen dat de raad ten tijde van het nemen van het besteden besluit van 17 december 2012 niet heeft onderkend dat een gedeelte van de bestaande schuur aan de [locatie] te Eemnes met een oppervlakte van 167 m², niet als zodanig is bestemd. De Afdeling heeft de raad vervolgens opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 16.3 alsnog toereikend te motiveren waarom het bedoelde gedeelte van de schuur niet als zodanig is bestemd dan wel voor de gronden waarop de schuur staat bij besluit een nieuw bestemmingsplan vast te stellen waarmee de gehele schuur alsnog als zodanig wordt bestemd.

2. De tussenuitspraak verplicht het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn is ongebruikt verstreken, zodat niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het besluit van 17 december 2012 is derhalve niet hersteld.

3. Gelet op hetgeen is overwogen onder 16.3 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 17 december 2012, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende een gedeelte van de schuur aan de [locatie] te Eemnes, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 17 december 2012 is gegrond, zodat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het besluit van 25 juni 2012

4. Gelet op de tussenuitspraak en de hiervoor vermelde overweging 3 zal het besluit van 17 december 2012 onherroepelijk worden, behalve voor zover daarmee het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende een gedeelte van de schuur aan de [locatie] te Eenmes is vastgesteld. Voor zover het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 25 juni 2012 is gericht tegen plandelen betreffende het als zodanig bestemde gedeelte van de schuur en de gronden rond deze schuur, hebben zij dan ook geen belang meer bij een beoordeling daarvan, aangezien het bestemmingsplan dat bij dit besluit is vastgesteld voor deze gronden niet langer het geldende planologische regime vormt en niet is gebleken van omstandigheden die hun belangen raken. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 25 juni 2012 is in zoverre niet-ontvankelijk.

5. Na de vernietiging van het besluit van 17 december 2012, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Tuin", zal het bestemmingsplan dat is vastgesteld bij het besluit van 25 juni 2012 voor de betreffende gronden het geldende planologische regime vormen. Gelet hierop hebben [appellant A] en [appellant B] in zoverre nog wel belang bij een beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 25 juni 2012.

Het bestemmingsplan dat is vastgesteld bij het besluit van 25 juni 2012 voorziet voor het bedoelde gedeelte van de schuur in een gelijkluidende planregeling als het bestemmingsplan dat is vastgesteld bij het besluit van 17 december 2012, zodat de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen onder 16.3 van de tussenuitspraak in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd aanleiding ziet voor het oordeel dat het eerstgenoemde besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende een gedeelte van de schuur aan de [locatie] te Eemnes, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 25 juni 2012 is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Opdrachten

6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw bestemmingsplan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 25 juni 2012 waarbij het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" is vastgesteld, voor zover het is gericht tegen de plandelen betreffende het als zodanig bestemde gedeelte van de schuur aan de [locatie] te Eemnes en de gronden rond deze schuur, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 25 juni 2012 waarbij het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" is vastgesteld, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 25 juni 2012 waarbij het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende een gedeelte van de schuur aan de [locatie] te Eemnes;

IV. verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 17 december 2012 waarbij het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" is vastgesteld, gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 17 december 2012 waarbij het bestemmingsplan "Wakkerendijk-Meentweg 2012" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende een gedeelte van de schuur aan de [locatie] te Eemnes;

VI. draagt de raad van de gemeente Eemnes op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen voor de onder III en V vernietigde onderdelen van de bestreden besluiten een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Eemnes aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014

579-743.