Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
201308757/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:1693, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 6 augustus 2012 heeft de minister gereageerd op verzoeken van [appellant] om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) van beschikkingen krachtens artikel 4 van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308757/1/A3.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 augustus 2013 in zaak nr. 13/578 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 6 augustus 2012 heeft de minister gereageerd op verzoeken van [appellant] om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) van beschikkingen krachtens artikel 4 van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv).

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft de minister de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, die besluiten herroepen en de verzoeken van [appellant] afgewezen.

Bij uitspraak van 5 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.E. van Dijk en mr. G. van der Meer, beiden werkzaam bij het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge artikel 4 wordt de verzoeker, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wahv wordt de administratieve sanctie opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen

2. Bij besluit van 30 januari 2013 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de beschikkingen krachtens artikel 4 van de Wahv reeds aan [appellant] zijn gezonden. Nu dat volgens [appellant] niet de verzochte documenten zijn en deze ook niet in het bezit zijn van het CJIB, heeft de minister de verzoeken afgewezen. Andere documenten dan de besluiten die reeds aan [appellant] zijn gezonden, zijn het CJIB niet bekend.

3. In de uitspraak van 5 augustus 2013 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet heeft bestreden dat de documenten waarom hij heeft verzocht niet bestaan en de vraag of die zouden moeten bestaan hier niet relevant is. De rechtbank volgt het betoog van [appellant], dat hij beroep heeft moeten instellen om daar duidelijkheid over te verkrijgen, niet. Uit het besluit van 30 januari 2013 had [appellant], mede gelet op de lange discussies en eerdere procedures die hij heeft gevoerd, kunnen opmaken dat de door hem verzochte documenten niet bestaan. De vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken vormt onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van een beroep over te gaan. Niet is gebleken dat [appellant] enig processueel belang heeft, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat hij belang had bij zijn beroep, namelijk om rechtszekerheid te verkrijgen over het bestaan van de door hem verzochte documenten en de toepasselijkheid van de doorzendplicht krachtens artikel 4 van de Wob. Volgens [appellant] is eerst in beroep door de minister gesteld dat de gevraagde documenten niet bestaan. Voorts heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waaruit [appellant] dat eerder had kunnen opmaken en ten onrechte bepaalde stukken bij hem als bekend verondersteld.

4.1. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, nu hij daarmee een rechtsoordeel beoogt te krijgen over het bestaan van de door hem verzochte documenten en de toepasselijkheid van de doorzendplicht krachtens artikel 4 van de Wob. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het door [appellant] tegen het besluit van 30 januari 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen hij voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling met het oog op finale geschilbeslechting de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar het beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 januari 2013 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

6. In beroep heeft [appellant] aangevoerd dat hij heeft verzocht om openbaarmaking van een beschikking krachtens artikel 4 van de Wahv, zijnde een authentieke akte, waarbij door het bevoegde bestuursorgaan, namelijk de aangewezen politieambtenaar, niet het CJIB, in de voorliggende gevallen aan zijn vader een bestuurlijke sanctie is opgelegd. Daarbij bedoelde hij niet de reeds toegezonden beschikkingen van het CJIB. Volgens [appellant] kon de minister niet volstaan met de constatering dat de door hem gewenste documenten niet in diens bezit zijn, maar had de minister moeten onderzoeken bij welk bestuursorgaan die documenten berusten. Voorts blijkt onvoldoende uit het besluit of die documenten elders berusten of in het geheel niet bestaan, aldus [appellant].

6.1. Uit het besluit van 30 januari 2013 blijkt genoegzaam dat, anders dan de aan [appellant] toegezonden beschikkingen van het CJIB, geen documenten bestaan die voldoen aan zijn verzoek. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de minister reeds diverse malen, onder meer tijdens een gesprek op 27 januari 2012 en in een eerder besluit van 20 april 2012 te kennen heeft gegeven dat het toegezonden besluit van het CJIB de beschikking krachtens artikel 4 van de Wahv is en een beschikking, zoals door [appellant] gesteld, niet bestaat. De mededeling van de minister dat er verder geen documenten bij hem berusten, die aan dat verzoek voldoen, is niet ongeloofwaardig. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juni 2012 in zaak nr. 201104165/1/A3), is het in een dergelijk geval in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. [appellant] is hierin niet geslaagd. De stelling van [appellant] dat er wel een beschikking krachtens artikel 4 van de Wahv, zoals door hem geïnterpreteerd, zou moeten bestaan, is, daargelaten de juistheid van die stelling, daartoe onvoldoende.

Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Afdeling bepalen dat het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 augustus 2013 in zaak nr. 13/578;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant]het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Van Deventer-Lustberg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

587.