Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201403717/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:2122, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 1] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van een deel van het erf bij het pand op het perceel [locatie 1] als terras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403717/1/A1.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Tilburg,

2. [appellant sub 2], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 maart 2014 in zaak nr. 13/5242 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 1] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van een deel van het erf bij het pand op het perceel [locatie 1] als terras.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college het besluit van 10 september 2012 herroepen en de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gestart.

Bij uitspraak van 25 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft tegen deze uitspraak incidenteel hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 2] en [belanghebbende A] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2014, waar [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. van den Biggelaar en L.P.A. Janssen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 16 september 2011 heeft het college omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend voor het realiseren van een horecafunctie op het perceel. Bij besluit van 11 mei 2012 heeft het college, onder andere, de door [belanghebbende B] tegen het besluit van 16 september 2011 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het door [belanghebbende B] tegen het besluit van 11 mei 2012 gemaakte beroep is door de rechtbank Breda bij uitspraak van 9 november 2012 ongegrond verklaard. [appellant sub 1] heeft vervolgens op 8 juni 2012 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de functie van het achter het pand op het perceel gelegen stuk grond te wijzigen van "tuin" naar "terras".

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad 2010" rust op het perceel de bestemming "Gemengd-Binnenstad".

Ingevolge artikel 1, onder 34, van de planregels dient onder bouwlaag te worden verstaan een deel van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkant van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten meer dan 1,5 meter in hoogte verschillen, zulks met uitzondering van een onderbouw of zolder.

Ingevolge dat artikel, onder 57 dient te worden verstaan onder gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met (minimaal 2) wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 7.1.2, onder a, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding horeca van de categorie 1 of 2 en zoals nader beschreven in Bijlage 3 ‘Register horecabedrijven binnen het plangebied’ aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij weergegeven functie(s).

Ingevolge artikel 7.5.1, onder e, wordt in elk geval tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming "Gemengd-Binnenstad" gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor horecadoeleinden anders dan toegelaten op grond van artikel 7.1.1 en 7.1.2.

Ingevolge artikel 7.6.2 kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in artikel 7.5.1 ten behoeve van het vestigen van een horeca van de categorie 1 indien er sprake is van situering en oriëntatie op een van de straten Tuinstraat, Noordstraat en Telefoonstraat en onder voorwaarde dat:

a. door het verlenen van omgevingsvergunning geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige functies, waarbij in het bijzonder de woonfunctie;

b. vestiging van de functie horeca uitsluitend op de eerste bovengrondse bouwlaag is toegestaan;

c. het vestigen van de horeca past binnen het vastgestelde horecabeleid;

d. de nieuwe horecavestiging dient bij te dragen aan het realiseren van een evenwichtig horeca-aanbod;

e. er mag geen sprake zijn van ontoelaatbare publieks- en verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige horecavestigingen.

3. Vast staat dat op het perceel in de verbeelding geen nadere aanduiding als bedoeld in artikel 7.1.2, onder a, van de planregels is opgenomen en het gebruik van het erf achter het pand als terras in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft zich in het besluit van 13 augustus 2013 op het standpunt gesteld dat het niet met toepassing van artikel 7.6.2 van de planregels omgevingsvergunning kan verlenen, nu dit artikel slechts voorziet in het veranderen van inpandig gebruik voor horecadoeleinden op de begane grond, te weten de eerste bouwlaag, en niet op achtererven behorende bij dergelijke panden. Volgens het college dient te worden bezien of het omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo gelezen in verbinding met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omgevingsvergunning wenst te verlenen.

4. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bij besluit van 16 september 2011 verleende omgevingsvergunning niet ziet op het gebruik van de achtertuin van het perceel als terras voor horecadoeleinden, nu deze omgevingsvergunning het gebruik van het gehele perceel voor horecadoeleinden mogelijk maakt. Hij voert hiertoe aan dat uit de door hem overgelegde stukken duidelijk blijkt dat het altijd de bedoeling is geweest de achtertuin te betrekken bij de horecagelegenheid op het perceel, dat het college daarvan op de hoogte was ten tijde van het besluit van 16 september 2011 en dat het college het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij de achtertuin kon gebruiken als terras ten behoeve van de op het perceel gevestigde horecagelegenheid.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bij besluit van 16 september 2011 verleende omgevingsvergunning niet ziet op het gebruik van de achtertuin van het perceel voor horecadoeleinden. De rechtbank heeft hierbij terecht als uitgangspunt genomen dat het college op grondslag van de aanvraag om omgevingsvergunning dient te beslissen en dat op de bij de aanvraag ingediende bouwtekeningen, aangeduid met "situatie bestaand" en "situatie nieuw", alleen een plattegrond van de begane grond van de panden op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is te zien en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat het gebruik van de tuin aan de achterzijde van het pand als terras onderdeel uitmaakt van de ingediende aanvraag om omgevingsvergunning. Bovendien is in het onherroepelijke besluit op bezwaar van 10 mei 2012 te kennen gegeven dat de verleende omgevingsvergunning alleen ziet op het gebruik van het pand als horeca-inrichting en niet op het gebruik van het erf als terras en had [appellant sub 1], indien hij het hiermee niet eens was, tegen dat besluit beroep bij de rechtbank kunnen instellen. Het voorgaande brengt mee dat [appellant sub 1] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het gebruik van de tuin achter het pand op het perceel als terras reeds was toegestaan.

Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet met toepassing van artikel 7.6.2, van de planregels, omgevingsvergunning kan verlenen. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat het bestemmingsplan het gebruik van het gehele perceel regelt en dat met toepassing van artikel 7.6.2 een omgevingsvergunning kan worden verleend in afwijking van het in het bestemmingsplan opgenomen gebruik. Volgens [appellant sub 1] is met artikel 7.6.2, onder b, van de planregels slechts beoogd te voorkomen dat horecagelegenheden verdiepingen van het pand op het perceel gebruiken voor horecadoeleinden. Daarnaast is het in de omgeving van het perceel gebruikelijk dat een terras in de achtertuin gebruikt wordt voor horecadoeleinden, aldus [appellant sub 1]. Hij verwijst ter staving van dit betoog naar de horecagelegenheden Beans and Bites, Spaarbank, [bedrijf], Soups & Shakes en Café Noir.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet met toepassing van artikel 7.6.2 van de planregels omgevingsvergunning voor het gebruik van het terras in de achtertuin van het perceel kan verlenen. Hierbij heeft de rechtbank in navolging van het college in aanmerking kunnen nemen dat ingevolge artikel 7.6.2, onder b, van de planregels slechts kan worden afgeweken van hetgeen is opgenomen in artikel 7.5.1 gelezen in verbinding met artikel 7.1.2, onder a, van de planregels, indien het een vestiging van horeca betreft op de eerste bovengrondse bouwlaag. In dit geval is het aangevraagde gebruik niet voorzien in het gebouw, maar in de tuin behorende bij het gebouw en derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat het terras geen onderdeel uitmaakt van een bouwlaag als bedoeld in artikel 1, onder 57, van de planregels. Voorts heeft de rechtbank in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de bedoeling van de planwetgever terecht geen grond gezien voor een ander oordeel, nu artikel 7.6.2 duidelijk is en slechts gebruik voor horecadoeleinden in afwijking van het bestemmingsplan op de eerste bouwlaag van een gebouw mogelijk maakt. Verder heeft de rechtbank in het beroep dat [appellant sub 1] doet op het gebruik van de tuinen door de horecagelegenheden in de omgeving van het perceel, terecht geen grond gezien voor een ander oordeel, reeds omdat de door [appellant sub 1] genoemde gevallen niet op één lijn zijn te stellen met het onderhavige geval. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals nader toegelicht door het college in het verweerschrift en ter zitting van de Afdeling, het terras behorende bij de Spaarbank deel uitmaakte van de aan hen verleende vrijstelling en bouwvergunning met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het terras van [bedrijf] is vergund bij besluit van 9 juni 1989 en in deze gevallen niet is afgeweken van het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde bestemmingsplan "Binnenstad 2010". Daarnaast is het terras van Beans & Bites gelegen op de eerste bouwlaag van het gebouw, nu het is omgeven met wanden en is gesitueerd in de nis en zijn ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad 2010" de terrassen bij de horecagelegenheden Soups & Shakes en Café Noir gelegen op percelen waarop de nadere aanduiding "horeca van de categorie 1" rust, waardoor de aldaar gelegen terrassen in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

7. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant sub 1], gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Borman w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

700.