Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201306651/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Brunneper Bongerd 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306651/1/R1.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Kampen,

en

de raad van de gemeente Kampen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Brunneper Bongerd 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door S.H. Koopmans, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan is conserverend van aard en ziet op het gedeelte van de woonwijk Brunnepe te Kampen dat ligt op de grens met het bedrijventerrein Haatland. Het gebied ligt ingeklemd tussen de Greenterweg, de Noordweg en de Beltweg.

3. [appellanten] wonen op het perceel [locatie] en vrezen voor het verdwijnen van groen als gevolg van het plan. In dit verband betogen zij dat de wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt om de bestemming "Groen" te wijzigen in een verkeersbestemming in strijd is met de uitgangspunten van de Groenstructuurvisie 2012 (hierna: de groenstructuurvisie). [appellanten] stellen dat het aanwezige groen deel uitmaakt van een bestaande groenstructuur, het zogenoemde ‘groene raamwerk’, en niet bedoeld is als inbreidingslocatie. Volgens hen is het binnen de gemeente gangbaar om belangrijke groenstructuren in het bestemmingsplan op te nemen. [appellanten] wijzen in dit verband tevens op de structuurvisie Kampen 2030 (hierna: de structuurvisie), vastgesteld op 28 mei 2009, welke volgens hen de indruk wekt dat het groengebied zal blijven bestaan.

3.1. De raad stelt dat de groenstructuurvisie een lange termijnvisie is, die is opgesteld om als uitgangspunt te dienen in toekomstige discussies over groen en de basis voor het groen in nieuwe plannen. De inbreng van de groenstructuurvisie maakt deel uit van een bredere belangenafweging, waardoor de inrichting van een gebied anders kan plaatsvinden dan zoals in de groenstructuurvisie is voorgeschreven. Voor het plangebied is een uitwerking op buurtniveau gemaakt waarin het gebied als ruimtelijke ontwikkelingslocatie is aangewezen. In de groenstructuurvisie staat daarom ook dat woningbouw in het gebied is geprojecteerd. In de uitwerking is tevens een voorstel opgenomen voor de groeninrichting die meegenomen kan worden bij een complete renovatie van het gebied. Een dergelijke renovatie is in dit bestemmingsplan niet aan de orde. Wel is het in potentie waardevolle riviertje de Riete in het plan beschermend bestemd.

De door [appellanten] aangehaalde passages uit de structuurvisie betreffen volgens de raad algemeen beleid. In deze visie is het plangebied juist als ontwikkellocatie aangewezen.

3.2. Aan verschillende gronden binnen het plangebied is de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder a, sub 1, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders deze bestemming wijzigen naar "Verkeer-Verblijfsgebied" of "Verkeer" voor de aanleg van parkeerplaatsen of voor aanpassingen van bestaande wegvoorzieningen, mits deze aanpassingen van beperkte omvang zijn.

Ingevolge dit artikellid, onder b, vindt ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in sub a genoemde wijziging een evenredige belangenafweging plaats waarbij betrokken worden:

1. het straat- en bebouwingsbeeld;

2. de woonsituatie;

3. de verkeersveiligheid;

4. de fysieke en externe veiligheid;

5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

3.3. In de groenstructuurvisie van de gemeente Kampen, vastgesteld op 4 oktober 2012, is de groenstructuur op hoofdlijnen aangegeven. De Afdeling stelt vast dat het plangebied volgens de groenstructuurvisie deels binnen de hoofdgroenstructuur valt, maar daarin tevens is aangegeven als ontwikkellocatie voor wonen. Ook in de structuurvisie is het plangebied aangeduid als ontwikkelingslocatie. De hoofdgroenstructuur wordt volgens de plantoelichting gekoesterd als een krachtig landschappelijk en sociaal bindend element in de stad en niet gezien als inbreidingslocatie. In de uitwerking op buurtniveau, die hoort bij de groenstructuurvisie, is een voorstel gedaan voor behoud en versterking van de groenstructuur die meegenomen kan worden bij een renovatie van het gebied. De raad heeft echter te kennen gegeven dat een dergelijke grootschalige renovatie thans niet aan de orde is. Uit het voorgaande volgt dat het plangebied zowel geschikt wordt bevonden als woonlocatie maar tevens deel uitmaakt van de bestaande groenstructuur. Met een woonlocatie hangt het gebruik van gronden als "Verkeer-Verblijfsgebied" of "Verkeer" samen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met de groenstructuurvisie. Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de bestemming "Water" ten onrechte de realisatie van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van 3,5 m toelaat, en de raad op dit punt ten onrechte een vergelijking maakt met andere bestemmingsplannen, overweegt de Afdeling dat de raad te kennen heeft gegeven dat de oeverbeschoeiing van de Riete aan de kant van de bestaande woningbouw bestaat uit damwandprofielen, die op het hoogste punt 3 m hoog zijn. Hier bovenop is een afschermend hekwerk geplaatst. Deze profielen bevinden zich binnen de bestemming "Water", zodat een hoogte van 3,5 m voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, volgens de raad passend is. Gelet op deze door de raad geschetste feitelijke situatie acht de Afdeling de genoemde hoogtebepaling voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet onredelijk. De enkele stelling van [appellanten] dat ter plaatse een beschermde diersoort aanwezig is, leidt niet tot een ander oordeel. Nu de watergang als zodanig is bestemd zijn in beginsel geen negatieve effecten voor de bittervoorn te verwachten.

5. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de motivering voor het toestaan van erfafscheidingen van 2,5 m hoog binnen de bestemming "Wonen" en voor het toestaan van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 4,5 m binnen de bestemmingen "Groen" en "Verkeer-Verblijfsgebied" ontbreekt, overweegt de Afdeling als volgt. Een toegestane hoogte van 2,5 m binnen de bestemming "Wonen" ziet niet alleen op erfafscheidingen maar ook op andere bouwwerken. De raad heeft te kennen gegeven dat deze hoogte een gebruikelijke maat is die overeenkomt met de werkelijke hoogte van deze bouwwerken. Binnen de bestemming "Groen" is een hoogte van 4,5 m toegestaan, hetgeen de raad passend acht voor bouwwerken als straatverlichting en speelvoorzieningen, welke binnen deze bestemming zijn toegestaan.

De Afdeling acht de hoogtebepalingen voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, die horen bij de bestemmingen "Wonen", "Groen" en "Verkeer-Verblijfsgebied" niet onredelijk of ongebruikelijk, gelet op de binnen die bestemmingen toegestane functies. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bouwmogelijkheden binnen die bestemmingen niet ruimtelijk inpasbaar zijn.

6. [appellanten] vrezen dat het plan niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd, ondanks de stelling van de raad in de nota zienswijzen dat er behoefte aan de woningen in het plangebied bestaat. Zij wijzen in dit verband op de huidige economische situatie, op andere nieuwbouwprojecten binnen de gemeente Kampen en op de reeds te koop staande woningen. Voorts voeren zij aan dat de bestaande bouwmogelijkheden uit het voorgaande plan sinds de jaren zestig van de vorige eeuw niet zijn benut en wijzen zij er op dat het bestemmingsplan afwijkt van de in 2005 gepresenteerde plannen voor dit gebied van de projectontwikkelaar. De motivering uit de nota zienswijzen achten [appellanten] op dit punt ontoereikend.

6.1. De stelling van de raad dat het plangebied is vermeld in de structuurvisie als ontwikkellocatie en in de Woonvisie 2012-2016 als inbreidingslocatie is niet betwist. Mede gelet op het feit dat woningbouw op deze locatie in het woningbouwprogramma past en uit de toelichting blijkt dat de overige ruimtelijke aspecten van dit gebied geen belemmering vormen, is de uitvoerbaarheid van het plan volgens de raad gegeven. [appellanten] hebben dit weliswaar betwijfeld, maar hetgeen zij hebben aangevoerd acht de Afdeling ontoereikend voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is binnen de planperiode. Daarbij betrekt de Afdeling dat het blijkens de plantoelichting om een beperkt aantal woningen gaat en dat een deel van de gronden blijkens de stukken eigendom is van een ontwikkelaar.

7. [appellanten] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellanten] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

91-667.