Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201404725/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404725/1/V1.

Datum uitspraak: 2 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 mei 2014 in zaak nr. 12/29950 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. De staatssecretaris klaagt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van 'personal participation' in de zin van paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) en de vreemdeling daarom ten onrechte artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (hierna: artikel 1(F)) heeft tegengeworpen. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank daartoe ten onrechte heeft overwogen dat de werkzaamheden die de vreemdeling heeft verricht - hij was als hoofd van een logistieke afdeling verantwoordelijk voor de uitgifte van wapens, munitie en kleding aan strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat - behoren tot de normale ondersteunende activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de reguliere taken van strijdkrachten en in een te ver verwijderd verband staan tot de door de Hezb-i-Wahdat op een andere locatie gepleegde misdrijven. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat de werkzaamheden van de vreemdeling een direct, feitelijk en substantieel effect hebben gehad op de misdrijven die de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat hebben gepleegd en hij die misdrijven derhalve direct heeft gefaciliteerd. Voorts voert de staatssecretaris aan dat de vreemdeling, als hoofd van een logistieke afdeling, gedurende een lange periode verantwoordelijk is geweest voor het leveren van wapens aan de strijdkrachten. Indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld, hadden die misdrijven niet op dezelfde wijze kunnen plaatsvinden, zodat zijn handelen in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan die misdrijven, aldus de staatssecretaris.

2.1. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, moet de staatssecretaris aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, hoeft hij niet te bewijzen volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet hij niettemin zorgvuldig motiveren. Als er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling schuldig heeft gemaakt, dient die vreemdeling, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1(F) van toepassing wordt verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen.

Teneinde te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor handelingen, als bedoeld in artikel 1(F), verantwoordelijk dient te worden gehouden, onderzoekt de staatssecretaris of ten aanzien van die vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven ('knowing participation') én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation'). Indien hiervan sprake is kan de staatssecretaris artikel 1(F) aan de desbetreffende vreemdeling tegenwerpen.

Van 'personal participation' is onder meer sprake wanneer de desbetreffende vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijke bijdrage moet worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de desbetreffende vreemdeling had vervuld dan wel indien de desbetreffende vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling van begin 1993 tot begin 1995 in Kabul, Afghanistan, en van begin 1995 tot begin 1999 in Kajab, Afghanistan, hoofd van een logistieke afdeling van de Hezb-i-Wahdat is geweest en in die functie onder meer voor de uitgifte van wapens en munitie verantwoordelijk is geweest.

2.3. In het deelambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2000 inzake mensenrechtenschendingen door de Hezb-i-Wahdat in Afghanistan in de periode 1992-1999 (hierna: het ambtsbericht) is in paragraaf 2.2 'Partijstructuur' het volgende vermeld:

"Shura-i-Markazi (Centraal Leiderschapsorgaan)

De Shura-i-Markazi is de facto het belangrijkste orgaan binnen Hezb-i-Wahdat. Alle belangrijke beslissingen binnen genoemde politieke beweging, ook inzake militaire aangelegenheden en veiligheidskwesties, worden binnen de Shura-i-Markazi genomen. De Shura-i-Markazi telt in totaal 180 leden. Deze 180 leden zijn afkomstig uit alle acht politieke bewegingen waaruit Hezb-i-Wahdat is voortgekomen. De politieke macht binnen Shura-i-Markazi ligt met name bij de voormalige leden van Sazman-i-Nasr, Pasdaran-i-Jihad-i-Islami en Shura-i-Ittefaq. Binnen het Centraal Leiderschapsorgaan hebben hardliners het overwicht en worden de meer gematigde, op consensus gerichte leden naar de achtergrond gedrongen. Enkele hardliners binnen de Shura-i-Markazi waren/zijn Mazari, Mohaqiq, Mohammed Bashir Tawhidi en Qurban Ali Irphani. Khalili wordt als gematigd gekenmerkt."

In paragraaf 3.7 'Verantwoordelijkheid voor mensenrechtenschendingen' is voorts het volgende vermeld:

"Hezb-i-Wahdat wordt gezien als één van de meest gewelddadige groeperingen in Afghanistan gedurende de Afghaanse burgeroorlog. Niet alleen vanwege de verrichtingen van de milities van Hezb-i-Wahdat op het strijdveld en de genadeloze afrekening met hun politieke tegenstanders, maar vooral ook vanwege de misdaden die de milities van Hezb-i-Wahdat de burgerbevolking van Afghanistan hebben aangedaan. De partij oefende een waar terreurklimaat in Afghanistan uit."

"Het is, gelet op de belangrijke rol van de Shura-i-Markazi, onontkoombaar dat leden van deze raad verantwoordelijkheid dragen voor schendingen van de mensenrechten en oorlogsmisdrijven. De leden van Shura-i-Markazi waren immers op concrete wijze betrokken bij de politieke en militaire besluitvorming binnen Hezb-i-Wahdat."

"Het feit dat lagere officieren en soldaten van Hezb-i-Wahdat ook verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor schendingen van de mensenrechten en/of oorlogsmisdrijven heft terzake geenszins de verantwoordelijkheid op van de hogere politieke en militaire leidinggevenden van Hezb-i-Wahdat. De geweldscultuur, mede jegens de Afghaanse burgerbevolking, die Hezb-i-Wahdat zo kenmerkte werd immers door de Shura-i-Markazi en haar Politieke en Militaire Comités bewust gestimuleerd."

2.4. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling voldoet aan het vereiste van 'personal participation' en daarom individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor het uitvoeren van willekeurige aanvallen op en buitensporig geweld tegen burgers door de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat. De vreemdeling heeft verklaard dat hij in de periode dat hij hoofd van een logistieke afdeling was zijn opdrachten tot uitgifte van grote hoeveelheden wapens en munitie rechtstreeks kreeg van Mazari, Khalili en Mohaqiq, vooraanstaande leden van de Shura-i-Markazi, aldus de staatssecretaris. In aanmerking genomen dat zij in die periode een leidende rol hadden in de gevechtshandelingen tussen verschillende etnische groeperingen in Kabul waarbij tienduizenden burgers de dood vonden en uit het ambtsbericht volgt dat de geweldscultuur, mede jegens de Afghaanse burgerbevolking, door de Shura-i-Markazi werd gestimuleerd, heeft de vreemdeling door in hun opdracht te zorgen dat wapens en munitie op de juiste plaats en bij de juiste persoon kwamen volgens de staatssecretaris een wezenlijke bijdrage geleverd aan de wreedheden die de Hezb-i-Wahdat in die periode heeft begaan. Indien niemand de rol van de vreemdeling, als hoofd van een logistieke afdeling, had vervuld, hadden die misdrijven volgens de staatssecretaris hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze kunnen plaatsvinden.

2.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris aldus deugdelijk gemotiveerd dat de werkzaamheden van de vreemdeling een feitelijk effect hebben gehad op het begaan van die misdrijven en die misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld. Voorts kunnen de door de vreemdeling verrichte werkzaamheden, bezien in het licht van de door Shura-i-Markazi gestimuleerde geweldscultuur, niet louter worden gerekend tot de normale ondersteunende activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de reguliere taken van strijdkrachten. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de misdrijven die de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat hebben gepleegd en sprake is van 'personal participation' in de zin van paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

4. Aan het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling derhalve geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

5. Het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is niet-ontvankelijk.

6. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat hetgeen de vreemdeling in beroep aanvoert over de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van zijn beroep tegen het inreisverbod.

7. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij onvoldoende inspanningen heeft verricht om tot Iran te worden toegelaten en dat hij derhalve niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang. Volgens de vreemdeling volgt uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 juli 2012 dat veel Afghanen door de Iraanse autoriteiten gedwongen worden teruggestuurd naar Afghanistan. Voorts hebben de Iraanse autoriteiten volgens de vreemdeling zijn eerdere verblijf alleen toegestaan omdat hij in het bezit was van een Nederlands terugkeervisum, zodat zij ervan waren verzekerd dat de vreemdeling niet illegaal in Iran zou verblijven.

7.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich weliswaar reeds gedurende tien jaren in de situatie bevindt dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in de weg staat aan uitzetting naar Afghanistan, maar dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar Iran niet mogelijk is. In dat kader heeft de staatssecretaris terecht van belang geacht dat familieleden van de vreemdeling in Iran wonen en dat hij eerder in Iran heeft verbleven om zijn zieke vader te bezoeken. De staatssecretaris heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit voormeld algemeen ambtsbericht volgt dat vooral illegaal in Iran verblijvende Afghanen gedwongen worden teruggestuurd naar Afghanistan, zodat de vreemdeling met zijn verwijzing naar dat algemeen ambtsbericht evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar Iran niet mogelijk is. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris in het verweerschrift van 1 augustus 2013 te kennen heeft gegeven dat hij van de vreemdeling niet verwacht dat hij illegaal in Iran verblijft. Nu de vreemdeling zijn betoog dat hij niet tot Iran zal worden toegelaten niet heeft gestaafd en geen inspanningen heeft verricht om tot Iran te worden toegelaten, voldoet hij niet aan het duurzaamheidsvereiste als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000.

De beroepsgrond faalt.

8. Voor zover de vreemdeling betoogt dat, gelet op de medische situatie en hulpbehoevendheid van zijn minderjarige zoon, de staatssecretaris ten onrechte van hem verwacht dat hij inspanningen verricht om tot een derde land te worden toegelaten, wordt verwezen naar hetgeen in 9.1 over de minderjarige zoon wordt overwogen.

9. De vreemdeling voert, onder verwijzing naar de in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, Boultif tegen Zwitserland (www.echr.coe.int) geformuleerde 'guiding principles', aan dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdeling uitvalt. Daartoe betoogt de vreemdeling dat hem ernstige gedragingen worden verweten, maar dat dit veronderstellingen zijn die niet onomstotelijk zijn bewezen, hij reeds sinds 1999 in Nederland verblijft en hij sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd.

Voorts betoogt de vreemdeling dat hij twintig jaren met zijn echtgenote is getrouwd en vier kinderen heeft - van wie twee minderjarig zijn - en zij allen de Nederlandse nationaliteit hebben. Volgens de vreemdeling blijkt uit de gehoren van zijn echtgenote dat zij niets heeft geweten van de gedragingen die hem worden verweten, heeft zij nooit in Iran gewoond en is zij derhalve onbekend met dit land.

De vreemdeling voert verder aan dat zijn minderjarige zoon hulpbehoevend is en dat uit een onderzoeksverslag van een GZ-psycholoog/gezinstherapeut en kinder- en jeugdpsychiater van 15 juli 2012 en een brief van die GZ-psycholoog/gezinstherapeut van 18 juli 2012 blijkt dat de afwezigheid van de vreemdeling nadelige gevolgen kan hebben voor zijn ontwikkeling. De staatssecretaris heeft daarom in het licht van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod ten onrechte geen advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) over de vraag in hoeverre zijn aanwezigheid noodzakelijk is voor het psychisch welzijn van zijn minderjarige zoon, aldus de vreemdeling.

9.1. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, gelet op de aard en de ernst van de misdrijven bedoeld in artikel 1(F) waarvoor de vreemdeling wegens zijn werkzaamheden voor de Hezb-i-Wahdat verantwoordelijk wordt gehouden, meer gewicht moet worden toegekend aan het algemeen belang dan aan het belang van de vreemdeling om in Nederland familie- en gezinsleven uit te oefenen met zijn echtgenote en kinderen. De tegenwerping van artikel 1(F) is dermate ernstig dat het tijdsverloop sinds die misdrijven en de duur van het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet maken dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen.

Verder heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gezinsleden van de vreemdeling, indien zij daarvoor kiezen, hem kunnen volgen naar een derde land om daar hun familie- en gezinsleven uit te oefenen. De vreemdeling heeft niet gestaafd dat dit niet mogelijk is. In dat kader heeft de staatssecretaris gewezen op het feit dat de echtgenote van de vreemdeling reeds eerder in Iran is geweest om haar zieke ouders te bezoeken en dat zij heeft verklaard dat een broer in Iran woonachtig is. Voorts heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging, ook als de echtgenote van de vreemdeling niet op de hoogte was van de misdrijven waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden, gelet op de ernst van die misdrijven, in het nadeel van de vreemdeling uitvalt.

Hoewel uit voormelde stukken volgt dat de aanwezigheid van de vreemdeling wenselijk is voor de ontwikkeling van zijn minderjarige zoon omdat de opvoeding anders grotendeels op zijn echtgenote neerkomt en hij de Nederlandse taal beter beheerst, valt niet in te zien dat bij zijn afwezigheid de overige gezinsleden geen zorg kunnen bieden of zijn echtgenote, indien nodig, geen intensievere ondersteuning kan krijgen van hulpinstanties. Daarnaast heeft de vreemdeling niet gestaafd dat in een derde land als Iran niet de benodigde zorg voor zijn minderjarige zoon aanwezig is.

Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de staatssecretaris verder terecht geen aanleiding gezien advies te vragen aan het BMA over de vraag of zijn afwezigheid nadelige gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van zijn minderjarige zoon. Het is immers aan de vreemdeling om de in het kader van artikel 8 van het EVRM gestelde omstandigheden te staven.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het recht op familie- en gezinsleven niet in de weg staat aan het uitvaardigen van het inreisverbod.

De beroepsgrond faalt.

10. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 mei 2014 in zaak nr. 12/29950;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014

620-760.