Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201306575/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306575/1/A1.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juni 2013 in zaak nr. 12/4737 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, thans de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) wordt indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’.

In de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel II, Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer, onder 1, worden als feiten en omstandigheden genoemd:

Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:

a) wegrijden;

b) naderen en oprijden van kruispunten;

c) voorsorteren;

d) inhalen en het wisselen van rijstrook;

e) invoegen en het uitvoegen;

f) dan wel zich manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeen.

Onder 2, aanhef en onderdeel b, worden als feiten en omstandigheden genoemd:

Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid.

2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 augustus 2012 heeft het CBR naar aanleiding van een mededeling van de korpschef van de politie Gelderland-Zuid, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw, en het onderliggende proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2012, [appellante] verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek naar de geschiktheid. Volgens de mededeling heeft [appellante] op 22 juli 2012 gedrag tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van het verlenen van voorrang, het naar links of rechts afslaan en het negeren van een rood verkeerslicht. Volgens het proces-verbaal, dat op ambtsbelofte is opgemaakt door de betreffende ambtenaar, reed [appellante] zonder kenbare reden met een snelheid van ongeveer 40 km per uur over de snelweg, waar 100 km per uur is toegestaan. Volgens het proces-verbaal voegde [appellante] zonder richting aan te geven uit op de uitvoegstrook, stuurde zij aan het einde van uitvoegstrook plotseling naar links terwijl haar richtingaanwijzer rechts aangaf en reed zij door een rood licht het kruispunt op, waardoor medeweggebruikers hard moesten remmen om een aanrijding te voorkomen. Het CBR heeft het rijgedrag van [appellante] aangemerkt als niet adequaat kijkgedrag en gebrekkige rijvaardigheid, als bedoeld in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel II, Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer, onder 1, aanhef en onder f, en onder 2, aanhef en onder b.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR haar ten onrechte een rijvaardigheidsonderzoek heeft opgelegd. Daartoe voert zij aan dat de feiten en omstandigheden als vermeld in het proces-verbaal onjuist zijn. Voorts voert zij aan dat de rechtbank evenals het CBR niet inzichtelijk heeft gemaakt welke handelingen blijk geven van het niet hanteren van adequaat kijk- en rijgedrag.

3.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012 in zaak nr. 201105936/1/A3 overwogen dat een bestuursorgaan, evenals de rechter, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. In het in beroep aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat in dit geval aanleiding bestond om van dat uitgangspunt af te wijken, aangezien [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het proces-verbaal op onjuiste waarnemingen is gebaseerd. De enkele stelling van [appellante] dat zij sneller dan 40 km per uur heeft gereden, op correcte wijze richting heeft aangegeven, op juiste wijze heeft voorgesorteerd en dat zij pas bij groen licht de kruising is overgestoken, is daarvoor onvoldoende. Gelet op de mededeling van de korpschef en het onderliggende proces-verbaal van 30 juli 2012 heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een vermoeden is ontstaan dat [appellante] niet over de vereiste geschiktheid beschikte om een motorrijtuig te besturen, zodat het CBR gehouden was om een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank evenals het CBR inzichtelijk gemaakt welke handelingen blijk geven van het niet hanteren van adequaat kijk- en rijgedrag. De omstandigheid dat [appellante] zonder kenbare reden 40 km per uur reed op een snelweg waar een snelheid van 100 km per uur is toegestaan, kan worden aangemerkt als gebrekkige rijvaardigheid. De omstandigheid dat [appellante] door rood licht is gereden waardoor medeweggebruikers hard moesten remmen om een aanrijding te voorkomen, geeft reeds voldoende aanleiding voor het oordeel dat sprake was van niet adequaat kijkgedrag.

De rechtbank heeft voorts bij haar oordeel terecht in aanmerking genomen dat bij het bestaan van een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw er voor het CBR geen ruimte meer bestaat om een nadere belangenafweging te maken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

672.