Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4494

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201402885/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:973, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2011 heeft het college aan het waterschap Regge en Dinkel (thans: Vechtstromen) omgevingsvergunning verleend voor de herinrichting van de Hagmolenbeek tussen de Oude Haaksbergerdijk en de Oude Buurserdijk en de herinrichting van de Biesheuvelleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402885/1/A1.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellante D] handelend onder de naam [maatschap], wonend dan wel gevestigd te Haaksbergen (hierna: [appellant A] en anderen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 februari 2014 in zaak nr. 12/355 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2011 heeft het college aan het waterschap Regge en Dinkel (thans: Vechtstromen) omgevingsvergunning verleend voor de herinrichting van de Hagmolenbeek tussen de Oude Haaksbergerdijk en de Oude Buurserdijk en de herinrichting van de Biesheuvelleiding.

Bij besluit van 22 februari 2012 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 28 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het waterschap een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2014, waar [appellant A] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A] en [appellant C], bijgestaan door mr. M. Withaar, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A.H. Horck-van Mast en G.E.M. Willemsen, beiden bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het waterschap, vertegenwoordigd door mr. M. Guijs en ing. P.J. Damsté, gehoord.

Overwegingen

1. Anders dan het college betoogt, hebben [appellant A] en anderen belang bij een beoordeling van het door hen ingestelde hoger beroep, nu zij hebben verzocht om vergoeding van proceskosten in bezwaar en het college dit verzoek heeft afgewezen.

2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 31 augustus 2011 heeft het college het waterschap omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het project Paardebroek-Biesheuvelleiding zoals omschreven in het inrichtingsplan "Herinrichting beken Buurserveld". Het geding is beperkt tot de in projectonderdeel 4B omschreven ophoging van de Biesheuvelleiding met meer dan 0,3 m.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1981" heeft het in geding zijnde deel van de Biesheuvelleiding (hierna: het perceel) de bestemming van de aangrenzende gronden, te weten "Agrarisch gebied van landschappelijke waarde".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder "landschappelijke waarden" verstaan: de waarden die een inzicht geven in de relaties tussen het natuurlijke en het cultuurlijke milieu, alsmede de landschappelijke esthetische en landschappelijk structurele waarden.

Ingevolge artikel 5, onder A, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied van landschappelijke waarde" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en het bosbouwbedrijf met daarbij behorende bebouwing.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, is het verboden binnen de gronden, welke op de kaart met zwarte stippen zijn aangeduid zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college de volgende andere werken of werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde, uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: het afgraven of ophogen met meer dan 0,3 m.

Ingevolge het tweede lid zijn de andere werken of werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid slechts toelaatbaar indien door die andere werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, de natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

4. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend. Daartoe voeren zij aan dat de werkzaamheden in strijd zijn met het bestemmingsplan. Volgens [appellant A] en anderen zijn hun percelen die aan de Biesheuvelleiding grenzen te nat en ontstaat door de werkzaamheden een verdere vernatting, met als gevolg dat hun percelen niet meer voor landbouw gebruikt kunnen worden.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voordat kan worden toegekomen aan de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden in overeenstemming zijn met artikel 21, tweede lid, van de planvoorschriften, beoordeeld dient te worden of de werkzaamheden strekken ten dienste van de op het perceel rustende bestemming en of het gebruik van de aangrenzende percelen in overeenstemming met de bestemming niet onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de werkzaamheden niet ten dienste staan van de bestemming van het perceel. Daarbij wordt het in het besluit van 22 februari 2012 door het college ingenomen standpunt betrokken dat uit het "Scenario-onderzoek waterhuishoudkundige maatregelen de Rietschot, ’t Waarecht en het Buurserveld; Mogelijkheden voor optimalisatie van de waterhuishoudkundige inrichting & Afleiding van de combineerbaarheid met waterberging" van het Ecohydrologisch Adviesbureau Bell Hullenaar van 8 mei 2006 volgt dat het inrichtingsplan als doel heeft de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied waarin het perceel is gelegen te optimaliseren voor bos, natuur en landbouw. Voorts heeft de rechtbank terecht het standpunt van het college gevolgd dat de werkzaamheden zijn bedoeld om verdroging van onder meer landbouwgrond tegen te gaan. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat door de werkzaamheden het gebruik van de percelen van [appellant A] en anderen in overeenstemming met de bestemming onmogelijk wordt gemaakt.

De Afdeling is, mede gelet op de ter zitting door partijen gegeven toelichting, van oordeel dat de werkzaamheden gevolgen hebben voor de percelen van [appellant A] en anderen. De gevolgen voor die percelen acht de Afdeling echter, mede gelet op het rapport van 8 mei 2006, niet zodanig dat moet worden geoordeeld dat het gebruik daarvan in overeenstemming met de bestemming onmogelijk wordt gemaakt. De Afdeling ziet in het rapport "Bevindingen betreffende de hydrologische effecten van het Inrichtingsplan Paardebroek-Biesheuvelleiding op de waterhuishoudkundige situatie van het perceel [appellant C]" van 5 mei 2011 van dr. ir. P.J.T. van Bakel, mede in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013 in zaak nr. 201112786/1/A4 over het op 16 september 2009 door gedeputeerde staten van Overijssel vastgestelde hydraulisch ontwerp en het inrichtingsplan Paardebroek-Buurserveld onvoldoende grond voor een ander oordeel.

De rechtbank heeft voorts terecht geen strijd met artikel 21, tweede lid, van de planvoorschriften aanwezig geacht. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college met juistheid omgevingsvergunning heeft verleend als het heeft gedaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wijgerde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

672.