Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201403414/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:3239, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2007 heeft de raad een verzoek van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0024
ABKort 2014/461
O&A 2015/10

Uitspraak

201403414/1/A2.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2014 in zaak nr. 12/7837 in het geding tussen:

[appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3]

en

de raad van de gemeente Katwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2007 heeft de raad een verzoek van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de raad het door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3], als rechtsopvolger van [bedrijf], daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door A. Mastenbroek, werkzaam bij de gemeente, en mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts in het geval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

3. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] waren ten tijde van belang al dan niet gezamenlijk eigenaar van vier percelen aan de Vinkenweg te Rijnsburg, kadastraal bekend gemeente Rijnsburg, sectie C, nrs. 3005, 3979, 5129 en 5302 (hierna gezamenlijk ook: de vier percelen). Bij brief van 23 maart 2005 hebben zij de raad verzocht om vergoeding van de schade, bestaande uit de waardedaling van de vier percelen, die zij stellen te hebben geleden door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Vinkenwegzone (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) op 17 juli 2004 (hierna: de peildatum). Daartoe hebben zij aangevoerd dat de bebouwingsmogelijkheden van de vier percelen als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zijn vervallen.

4. In het besluit van 5 juli 2012, gelezen in samenhang met een daarin ingelast advies van Ten Have Advies van 8 mei 2012, heeft de raad het standpunt ingenomen dat de planologische verandering ertoe heeft geleid dat de planologische mogelijkheden voor glastuinbouw op de vier percelen zijn komen te vervallen en [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] in een nadeliger positie zijn komen te verkeren, maar dat zij geen planschade door waardevermindering van de vier percelen hebben geleden, omdat de percelen op de peildatum feitelijk niet geschikt en vrijwel onverkoopbaar voor glastuinbouw waren in verband met de ongunstige kavelvorm, de zeer geringe oppervlakte, de ligging buiten een glastuinbouwgebied en de matige bereikbaarheid. Voorts heeft de raad het standpunt ingenomen dat [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] ten tijde van de peildatum gezamenlijk eigenaar waren van vijf andere percelen, kadastraal bekend gemeente Rijnsburg, sectie A, nrs. 1062, 1096 en 1097, en sectie C, nrs. 5440 en 5441 (hierna gezamenlijk ook: de vijf percelen), dat de planologische mogelijkheden van de vijf percelen als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zijn toegenomen en dat [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [bedrijf] daardoor in een voordeliger positie zijn komen te verkeren, maar de omvang van de waardestijging van deze percelen in het midden kan blijven, omdat zij, gelet op het vorenstaande, geen planschade hebben geleden.

5. De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. In een verslag van 11 juni 2013 heeft de StAB uiteengezet dat glastuinbouw op de vier percelen onder het oude planologische regime niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten en dat de raad hiermee ten onrechte bij de taxatie van de waarde van de vier percelen onder het oude planologische regime geen rekening heeft gehouden. Vervolgens heeft de StAB een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime. Uit deze vergelijking heeft zij, met verwijzing naar een taxatierapport van T. de Boer (hierna: De Boer) van 7 juni 2013, de conclusie getrokken dat de planologische verandering ertoe heeft geleid dat de gezamenlijke waarde van de vier percelen op de peildatum met € 932.305,00 is gedaald en de gezamenlijke waarde van de vijf percelen met € 1.914.700,00 is gestegen, zodat de planschade per saldo nihil is. In een nader verslag van 24 oktober 2013 heeft de StAB deze conclusie in zoverre aangepast, dat de gezamenlijke waarde van de vijf percelen met € 1.732.900,00 is gestegen, maar de planschade per saldo nog steeds nihil is. Voorts is in dit nader verslag uiteengezet dat, rekening houdend met de eigendomssituatie op de peildatum, de planologische verandering voor [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gezamenlijk tot een voordeel van € 309.442,50 en voor [bedrijf] tot een voordeel van € 735.952,50 heeft geleid.

6. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de onder het oude planologische regime bestaande bebouwingsmogelijkheden in een gedeelte van 30.000 m² van perceel C5129, dat voor agrarische doeleinden, klasse B, was bestemd, zodanig beperkt waren, dat het vervallen van die bebouwingsmogelijkheden geen gevolgen voor de waarde van dat perceel heeft gehad. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de onder het oude planologische regime toepasselijke planvoorschriften (hierna: de oude planvoorschriften) was het op dat gedeelte van perceel C5129 toegestaan één gebouw per bedrijf op te richten. Omdat het aantal bedrijven in de oude planvoorschriften niet was beperkt, is bij de planologische verandering derhalve niet, zoals de StAB heeft verondersteld, de mogelijkheid tot het bouwen van slechts één gebouw komen te vervallen. Voorts was het krachtens artikel 4, tweede lid, van de oude planvoorschriften mogelijk vrijstelling te verlenen voor de bouw van een woning met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, aldus [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3].

6.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de oude planvoorschriften zijn de op de kaart voor agrarische doeleinden, klasse B, aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering met de daartoe benodigde gebouwen en andere bouwwerken, met uitzondering van kassen, met dien verstande, dat overigens per bedrijf slechts één bedrijfsgebouw, geen woning zijnde, met een grondoppervlak van ten hoogste 50 m² en een goothoogte van ten hoogste 3 m is toegestaan.

Ingevolge het tweede lid zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bouw van een woning met daarbij behorende bedrijfsgebouwen ten behoeve van akkerbouw- en veeteeltbedrijven, welke worden overgeplaatst uit het gebied met andere bestemmingen, mits de aaneengesloten bouwperceeloppervlakte ten minste 5 ha zal bedragen.

6.2. In de oude planvoorschriften was het aantal bedrijven op de gronden van het voor agrarische doeleinden, klasse B, bestemde gedeelte van perceel 5129 niet beperkt, zodat het oprichten van meer dan één bedrijfsgebouw niet was uitgesloten. In het verslag van 24 oktober 2013 heeft de StAB het standpunt ingenomen dat het vervallen van deze bebouwingsmogelijkheid geen negatieve invloed op de waarde van het perceel heeft gehad. In het verweerschrift in hoger beroep is in dit verband aangevoerd dat bedrijfsgebouwen met een grondoppervlakte van ten hoogste 50 m² niet geschikt zijn als productiehal en slechts worden gebruikt als melkstal, voederschuur of schuur voor het stallen van materieel, dat een melkschuur of voederschuur pas toegevoegde waarde heeft als het betrokken perceel groot genoeg is om voldoende dieren te kunnen weiden, dat een schuur voor het stallen van materieel op losse grond de agrarische productie niet verhoogt en bij een akker- of tuinbouwbedrijf dus geen toegevoegde waarde heeft en dat een agrariër, mede uit veiligheidsoverwegingen, zijn materieel bij het bedrijfscentrum stalt en niet op een op afstand daarvan gelegen klein los perceel grond.

In het betoog van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] is geen grond te vinden voor het oordeel dat de StAB de betekenis van de vervallen bebouwingsmogelijkheid voor de waarde van het perceel heeft onderschat.

Dat zij het niet eens zijn met de waardering van dit planologische nadeel, betekent niet dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat dit onderdeel van het aanvullend verslag van 24 oktober 2013 niet juist is.

Het eerste onderdeel van het betoog faalt derhalve

6.3. Voor zover toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 4, tweede lid, van de oude planvoorschriften, ondanks het in deze bepaling gestelde vereiste aan de minimale omvang van de bouwperceeloppervlakte, in dit geval niet was uitgesloten, omdat de aangrenzende vier percelen gezamenlijk een oppervlakte van 67.830 m² hebben, is deze vrijstellingsmogelijkheid ten onrechte buiten de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime gehouden. Dit leidt echter, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

In de zienswijze van 10 juli 2013 hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] zich onder verwijzing naar door hen overgelegde taxatierapporten op het standpunt gesteld dat het vervallen van de bebouwingsmogelijkheden in het voor agrarische doeleinden, klasse B, bestemde gedeelte van perceel 5129 op de peildatum tot een waardevermindering van dat gedeelte van € 255.000,00 heeft geleid. Voor zover dit juist is, laat dit onverlet dat [bedrijf], die op de peildatum eigenaar van dat perceel was, per saldo geen schade heeft geleden.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen verder dat de rechtbank, gezien de kritiek die zij in de zienswijze van 10 juli 2013, onder verwijzing naar deskundigenrapporten van Agro AdviesBuro (hierna: Agro) van 5 juli 2013 en Basis Bedrijfsvoering van 9 juli 2013, op de taxatie van De Boer hebben geleverd, ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat deze taxatie niet inzichtelijk en niet juist is. Daartoe voeren zij aan dat De Boer niet genoeg vergelijkingsobjecten heeft gebruikt en de waarden op de peildatum onder het nieuwe planologische regime van de vijf percelen heeft overschat.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201304996/1/A2), mag een rechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige, als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders, indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

7.2. In het verslag van de StAB van 11 juni 2013, met het daarbij gevoegde taxatierapport van De Boer, is voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de waarden van de vijf percelen op de peildatum onder het oude en het nieuwe planologische regime zijn vastgesteld. Uit het rapport blijkt dat De Boer zich bij de taxatie met name heeft gebaseerd op de in het rapport vermelde transacties van vergelijkingsobjecten.

De taxatie kan door de rechter, die zelf niet over de daarvoor vereiste deskundigheid beschikt, slechts terughoudend worden getoetst. Dat De Boer, ten behoeve van de taxatie, mogelijk ook andere vergelijkingsobjecten had kunnen gebruiken of een andere taxatiemethode had kunnen toepassen, betekent dat niet dat de door De Boer gevolgde methode in zijn algemeenheid onjuist is of in het geval van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] tot een onjuist resultaat heeft geleid. Voorts is van belang dat de waardering van onroerende zaken niet slechts door het toepassen van een taxatiemethode plaatsvindt, maar daarbij ook de kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol spelen. Dat [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] het met de taxatie van De Boer niet eens zijn en kritische kanttekeningen erbij hebben geplaatst, betekent niet dat het door de StAB verrichte onderzoek zodanig onzorgvuldig of onvolledig is geweest, dat de rechtbank de aan dat onderzoek verbonden conclusies niet aan de oordeelsvorming ten grondslag had mogen leggen. Uit deze kanttekeningen volgt niet dat de taxatie van De Boer niet juist is. Verder is van belang dat de StAB in het nader verslag van 24 oktober 2013 uitgebreid op de in de zienswijze aangevoerde bezwaren is ingegaan en dat uit een e-mailbericht van De Boer van dezelfde dag blijkt dat hij zich kan vinden in de inhoud van het nader verslag.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu [appellant sub 1] op de peildatum enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante sub 2] was, de percelen die destijds eigendom van [appellante sub 2] waren door middel van de aandelen in economische zin tot het vermogen van [appellant sub 1] behoorden, zodat tussen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voordeelsverrekening mag plaatsvinden. Daartoe voeren zij aan dat de percelen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] van meet af aan tot hetzelfde vermogen hebben behoord, dat geen onderlinge transacties met het oog op de planologische verandering of de planschadeprocedure hebben plaatsgevonden en dat misbruik of oneigenlijk gebruik van recht hier niet aan de orde is, zodat vereenzelviging van [appellant sub 1] met [appellante sub 2] niet voor de hand ligt.

8.1. Omdat de percelen C3005, C3979 en C5441, door middel van de waarde van de aandelen, in economische zin tot het vermogen van [appellant sub 1] behoorden, was de vermeerdering van de waarde van die aandelen een voordeel dat [appellant sub 1] in zijn eigen vermogen genoot. Dat dit vermogen, in juridische zin, van dat van [appellante sub 2] was afgescheiden, is niet relevant in het kader van de vraag of [appellant sub 1] schade heeft geleden die redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 1999 in zaak nr. H01.98.1315 (AB 2000, 65). In het betoog is derhalve geen grond te vinden voor het oordeel dat de planologische nadelen, die [appellant sub 1] ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan heeft ondervonden, niet mogen worden verrekend met de uit dat bestemmingsplan voortvloeiende voordelen voor [appellante sub 2].

Indien [appellant sub 1] en [appellante sub 2] afzonderlijk een verzoek om vergoeding van planschade hadden ingediend, zou deze conclusie overigens niet anders zijn geweest. Dat zij gezamenlijk om vergoeding van planschade hebben verzocht, is, anders dan de raad ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd, niet doorslaggevend voor het oordeel dat in dit geval voordeelsverrekening mag plaatsvinden.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de StAB, bij het vaststellen van de omvang van het planologische voordeel uit de planologische verandering in de percelen C5440 en C5441, terecht niet heeft betrokken dat de planologische ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de percelen op 28 januari 2002 voor [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voorzienbaar was en dat dit in de koopprijs van de percelen van € 102,10 per m² is verdisconteerd. Daartoe voeren zij aan dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] financieel gezien geen baat bij dit planologische voordeel hebben gehad en voordeelsverrekening daarom niet redelijk is.

9.1. Uit de vergelijking tussen het nieuwe bestemmingsplan en het voordien geldende planologische regime voor de planologische mogelijkheden in de percelen is terecht de conclusie getrokken dat de planologische nadelen van het nieuwe bestemmingsplan niet tegen de planologische voordelen ervan opwegen, zodat de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan per saldo niet tot een planologische verslechtering en een vermindering van de totale waarde van de percelen heeft geleid. Dit betekent, gelet op de systematiek van de planschadevergoedingsregeling, dat de aanvraag terecht is afgewezen. In dit verband zijn de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voor de percelen betaalde koopprijzen niet relevant. Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2], gezien het verschil tussen de betaalde koopprijzen en de totale waarde van de percelen op de peildatum onder het nieuwe planologische regime, rekening houdend met indexatie, in feitelijk of financieel-economisch opzicht niet beter af zijn, laat dat onverlet dat zij niet in een nadeliger planologische positie zijn komen te verkeren en dat de gestelde schade derhalve geen rechtstreeks gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan is, zodat de gestelde schade niet op de voet van artikel 49 van de WRO voor vergoeding in aanmerking komt.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor zover zij om vergoeding van de in beroep gemaakte kosten van deskundigen hebben verzocht, deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat een specificering hiervan ontbreekt. Daartoe voeren zij aan dat het inschakelen van Agro en Basis Bedrijfshuisvesting redelijk was en dat de daarvoor in rekening gebrachte kosten, gezien de in hoger beroep overgelegde facturen, ook redelijk zijn. Verder voeren zij aan dat een nadere specificatie van die kosten in dit geval, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet nodig was, omdat de facturen geen aanleiding geven voor het oordeel dat de gefactureerde kosten niet in verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden.

10.1. Hoewel [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] de gestelde kosten dienden te onderbouwen en, zo nodig, te specificeren, brengt de zorgvuldigheid met zich dat de rechtbank het verzoek om vergoeding van die kosten niet had mogen afwijzen zonder [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] in de gelegenheid te stellen de vereiste onderbouwing of specificatie aan te leveren. Dat zij dat heeft nagelaten, leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] aannemelijk hebben gemaakt dat zij door dit verzuim zijn benadeeld.

10.2. Volgens de in hoger beroep overgelegde facturen van Agro van 21 februari en 9 oktober 2013 en van 26 februari en 20 maart 2014 heeft deze deskundige in beroep in totaal 67,75 uren, tegen een uurtarief van € 125,00 exclusief BTW, aan het geven van advies besteed. Voorts hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] met verwijzing naar een declaratie van Basis Bedrijfshuisvesting van 11 juli 2013 verzocht om vergoeding van de kosten van een taxatie van onroerende zaken aan de Vinkenweg en de Voorhouterweg ten bedrage van € 2.300,00.

10.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 5 november 2014 in zaak nr. 201211096/2/A2), kunnen in beroep gemaakte kosten van deskundige bijstand voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Voor het antwoord op de vraag of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals in dit geval aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die de bijstand van deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.

Het inroepen van deskundige bijstand in beroep voor onder meer het reageren op de verslagen van de StAB was redelijk. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat de door Agro gedeclareerde uren niet in verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden.

Voor de vergoeding van de kosten van Agro hanteert de Afdeling een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. Het door de raad te vergoeden bedrag voor de kosten van deze deskundige is derhalve € 5.081,25. Verder zijn de kosten van het in beroep overgelegde taxatierapport van Basis Bedrijfshuisvesting niet onevenredig hoog en als redelijk aan te merken.

Dit betekent dat de raad diende te worden veroordeeld tot een vergoeding voor de in beroep opgekomen kosten van deskundige bijstand van € 7.381,25. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

11. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd, voor zover de raad daarbij niet tot vergoeding van de in beroep bij [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] opgekomen kosten van deskundige bijstand is veroordeeld. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de raad tot vergoeding van die kosten veroordelen. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient voor het overige te worden bevestigd.

12. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2014 in zaak nr. 12/7837, voor zover de raad van de gemeente Katwijk daarbij niet is veroordeeld tot vergoeding van de in beroep bij [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] opgekomen kosten van deskundige bijstand;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Katwijk tot vergoeding van die kosten tot een bedrag van € 7.381,35 (zegge: zevenduizend driehonderdeenentachtig euro en vijfendertig cent);

IV. bevestigt die uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Katwijk tot vergoeding van bij [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Katwijk aan [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

452.