Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201405158/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoef en Haag" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6427

Uitspraak

201405158/1/R6.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Vianen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoef en Haag" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2014, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Montfoort, en D.M. Vlieger, werkzaam bij Peutz, en de raad, vertegenwoordigd door J. Ariaans, werkzaam bij de gemeente, en P.F.G.M. Kennes, K. Mensinga en ing. M.M. Busscher, allen werkzaam bij Antea Group, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Bouwfonds Ontwikkeling B.V. en Am Grondbedrijf B.V., vertegenwoordigd door [locatie manager] en bijgestaan door mr. R.M. Mussaeus, advocaat te Bunnik en mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in de realisatie van 1.500 woningen in de polder Hoef en Haag.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

[locatie 1]

2.1. [appellant] en anderen vrezen dat hun aannemersbedrijf aan de [locatie 1] zal worden beperkt in zijn bedrijfsvoering als gevolg van de voorziene woningen. Onder verwijzing naar het in hun opdracht opgestelde rapport "Beoordeling Bestemmingsplan Hoef en Haag en Milieuonderzoek Hoef en Haag" van Peutz (hierna: het tegenrapport) van 24 juni 2014 stellen zij dat een milieuzone van 100 m ontoereikend is om een goed woon- en leefklimaat te verzekeren ter plaatse van de voorziene woningen. Volgens het tegenrapport is in het in het rapport "Milieuhinderonderzoek Hoef en Haag" (hierna: het milieuhinderonderzoek) van Antea Group van 25 maart 2014 ten onrechte geen rekening gehouden met een piekbelasting van 120 dB(A) in de nacht op het terrein van het aannemersbedrijf, maar slechts met een piekbelasting van 115 dB(A). Volgens [appellant] en anderen is niet gebleken dat bij een piekbelasting van 120 dB(A) in de nacht de geluidnormen in het Activiteitenbesluit zouden worden overschreden, anders dan de raad stelt. Daartoe voeren zij aan dat omwonenden nooit hebben geklaagd over geluidoverlast. Voorts is deze stelling van de raad alleen gebaseerd op modelmatige berekeningen en niet op geluidmetingen. Bij deze berekeningen is volgens [appellant] en anderen ook onvoldoende rekening gehouden met het geluiddempende effect van een loods. Verder is bij deze berekeningen uitgegaan van een te kleine afstand tot de woning [locatie 2] en is een bedrijfswoning op het perceel [locatie 3] ten onrechte in deze berekeningen meegenomen.

2.2. [appellant] en anderen exploiteren een aannemersbedrijf op het perceel [locatie 1] dat onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Dit bedrijf grenst aan de zuidzijde van het perceel aan het plangebied. Aan de gronden in het plangebied die aan het aannemersbedrijf grenzen is over een breedte van ongeveer 100 m de aanduiding "milieuzone - zones Wet milieubeheer" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1.1, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - zones Wet milieubeheer", ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen milieugevoelige functie worden opgericht.

2.3. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt voor het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting dat het niveau op de gevels van geluidgevoelige gebouwen tussen 07:00 en 19:00 uur niet meer dan 70 dB (A) bedraagt. Tussen 19:00 en 23:00 uur mag het maximale geluidsniveau niet meer dan 65 dB(A) bedragen. Tussen 23:00 uur en 07:00 uur mag het maximale geluidsniveau niet meer dan 60 dB(A) bedragen.

2.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bedrijfsvoering van het aannemersbedrijf van [appellant] en anderen zal worden beperkt als gevolg van de voorziene woningen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het milieuhinderonderzoek wordt geconcludeerd dat het aannemersbedrijf met een milieuzone van 100 m aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer kan voldoen. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan het milieuhinderonderzoek op dit punt zodanige gebreken kleven of dat dit zodanige leemten in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het plan. Daartoe overweegt de Afdeling dat de raad in reactie op het tegenrapport de notitie "Onderbouwing piekgeluidniveau’s LAmax [aannemersbedrijf] tbv Hoef en Haag" (hierna: nadere notitie) van 22 juli 2014 van Antea Group heeft overgelegd. In de nadere notitie wordt aan de hand van modelmatige berekeningen geconcludeerd dat een piekbelasting van 120 dB(A) in de nacht op het terrein van het aannemersbedrijf reeds leidt tot een overschrijding van de norm van 60 dB (A) in het Activiteitenbesluit milieubeheer voor piekgeluiden in de nacht bij de bestaande woning aan de [locatie 4]. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. De omstandigheid dat omwonenden niet hebben geklaagd over geluidoverlast betekent nog niet dat aan de geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan. Voorts kan bij akoestisch onderzoek ten behoeve van een bestemmingsplan worden volstaan met modelmatige berekeningen aan de hand van een representatieve bedrijfssituatie. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in de nadere notitie niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie. Anders dan Van Lee en anderen aanvoeren, is in de nadere notitie voldoende rekening gehouden met de loods. Niet in geschil is dat de activiteiten met een piekbelasting van 120 dB(A) op het achterterrein worden uitgevoerd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat dit terrein niet wordt afgeschermd door de loods, zodat deze geen geluiddempende werking heeft op deze activiteiten. Nu reeds bij de woning aan de [locatie 4] niet aan de geluidnorm van 60 dB (A) wordt voldaan, is verder niet van belang of in de nadere notitie is uitgegaan van een te kleine afstand tot de woning aan de [locatie 2] en of de woning aan de [locatie 3] als bedrijfswoning moet worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

3. [appellant] en anderen vrezen voorts dat hun aannemersbedrijf in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt door de afwijkingsbevoegdheid die in artikel 15, lid 15.1.2, van de planregels is opgenomen.

3.1. Ingevolge artikel 15, lid 15.1.2, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders (lees: het bevoegd gezag) bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.1.1 voor het bouwen van milieugevoelige functies, mits:

a. de milieubelastende bedrijvigheid op het belendende perceel in gunstige zin wordt verplaatst of beëindigd, of;

b. aangetoond is dat de milieubelastende bedrijvigheid op het belendende perceel geen belemmering vormt voor de milieugevoelige functies, of;

c. zodanig technische voorzieningen worden getroffen dat de milieubelasting van de belendende bedrijvigheid voldoende is afgenomen, of;

d. een gemeentelijke geurverordening een hogere geurbelasting mogelijk maakt.

3.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 15, lid 15.1.2, van de planregels zal leiden tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van het aannemersbedrijf. Op grond van lid 15.1.2, onder b, van de planregels moet zijn aangetoond dat de milieubelastende bedrijvigheid op het belendende perceel geen belemmering vormt voor de milieugevoelige functies, zodat het bevoegd gezag bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid rekening moet houden met de bedrijfsvoering van het aannemersbedrijf.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen vrezen verder dat functies als maatschappelijke en culturele voorzieningen, detailhandel en horeca binnen de milieuzone mogelijk zijn.

4.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.43, van de planregels worden onder milieugevoelige functies verstaan functies die gevoelig zijn voor hinder door geur, stof, geluid, gevaar, licht en/of trilling, zoals wonen, medische zorgverlening, onderwijs, kinderopvang, verblijfsrecreatie.

4.2. De raad heeft toegelicht dat maatschappelijke en culturele voorzieningen, detailhandel en horeca ook als milieugevoelige functies als bedoeld in de planregels moeten worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

Lekdijk16/16a en 12-14

5. [appellant] en anderen vrezen voorts voor een beperking van hun bestaande recht om op grond van een milieuvergunning op het perceel [locatie 5] 366 stuks vleesvee te houden als gevolg van de voorziene woningen. Zij stellen dat de geurcontour die in het milieuhinderonderzoek is berekend onjuist is.

5.1. De raad betwist dat de geurcontour voor het perceel [locatie 5] die in het milieuhinderonderzoek berekend is, onjuist is. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat hij een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat met de realisatie van de voorziene woningen is gemoeid dan aan het belang van [appellant] bij behoud van hun recht om op grond van een milieuvergunning 366 stuks vleesvee te houden, indien dit recht wel wordt beperkt als gevolg van het plan.

5.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat met de realisatie van de voorziene woningen is gemoeid dan aan het belang van [appellant] bij behoud van hun recht om op grond van een milieuvergunning 366 stuks vleesvee op het perceel [locatie 5] te houden, indien ervan moet worden uitgegaan dat dit recht wordt beperkt als gevolg van het plan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat onder het geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Vianen 2009" dat op 14 december 2010 door de raad is vastgesteld geen intensieve veehouderij op het perceel [locatie 5] is toegestaan. Verder is niet in geschil dat [appellant] en anderen geen beroep kunnen doen op het gebruiksovergangsrecht van dat plan, nu reeds sinds 2005 geen intensieve veehouderij meer is gevestigd op het perceel [locatie 5]. [appellant] en anderen kunnen derhalve geen gebruik meer maken van de milieuvergunning voor 366 stuks vleesvee op het perceel [locatie 5].

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen vrezen verder dat hun melkveehouderij aan de [locatie 6] waarvoor zij over een milieuvergunning beschikken in de bedrijfsvoering zal worden beperkt als gevolg van de voorziene woningen.

6.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor melkvee is geen geuremissiefactor vastgesteld.

6.2. De Afdeling stelt vast dat de melkveehouderij aan de [locatie 6] op een afstand van ten minste ongeveer 400 m van het plangebied ligt. Gelet hierop en gelet op artikel 4, eerste lid, van de Wgv, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de melkveehouderij in de bedrijfsvoering zal worden beperkt als gevolg van de voorziene woningen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen vrezen voorts voor wateroverlast als gevolg van de voorziene woningen ter plaatse van de percelen [locatie 6 en 5], omdat deze percelen op het laagste punt van de polder Hoef en Haag liggen.

7.1. De Afdeling overweegt dat de raad heeft toegelicht dat voor de ontwikkeling van de voorziene woningen samen met het waterschap Rivierenland en marktpartijen een waterhuishoudkundig systeem is ontworpen. Hierbij wordt het watersysteem voor de voorziene woningen losgekoppeld van het bestaande watersysteem. Op de grenzen van het plangebied worden waterlopen aangelegd dan wel gehandhaafd waardoor het huidige waterpeil behouden blijft. Voorts zal volgens de raad in het plangebied zowel waterberging voor de bestaande woonwijk De Hagen als voor de voorziene woningen worden ontwikkeld. De vrees van [appellant] en anderen voor wateroverlast als gevolg van het plan is volgens de raad dan ook ongegrond. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de raad onjuist is.

Het betoog faalt.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Driel Kluit

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

703.