Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201402686/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:854, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft het college [appellant sub 1] gelast het bedrijfsmatig houden en fokken van honden in strijd met het bestemmingsplan op het perceel aan de [locatie] te Almelo binnen drie maanden te staken en gestaakt te houden onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van één constatering per maand en een bedrag van € 15.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402686/1/A1.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Almelo,

2. het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 februari 2014 in zaak nr. 13/2125 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft het college [appellant sub 1] gelast het bedrijfsmatig houden en fokken van honden in strijd met het bestemmingsplan op het perceel aan de [locatie] te Almelo binnen drie maanden te staken en gestaakt te houden onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van één constatering per maand en een bedrag van € 15.000,00.

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft het college beslist tot invordering van de als gevolg van het besluit van 4 augustus 2010 verbeurde dwangsom, vermeerderd met de wettelijke rente, van € 15.045,51.

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college onder meer [appellant sub 1] gelast het bedrijfsmatig houden en fokken van honden op het perceel vóór 15 april 2013 te staken en gestaakt te houden onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van één constatering per week en een bedrag van € 30.000,00.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college het door onder meer [appellant sub 1] gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 4 augustus 2010, niet-ontvankelijk verklaard, en voor zover gericht tegen de besluiten van 13 februari 2013 en 19 maart 2013, ongegrond verklaard en die besluiten met een aanvullende motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 20 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep:

- ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het tegen het besluit van 4 augustus 2010 gemaakte bezwaar,

- gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de handhaving van het besluit van 13 februari 2013 voor zover daarbij een dwangsom van € 5.000,00 wordt ingevorderd wegens een op 11 december 2012 geconstateerde overtreding en heeft zij het besluit van 13 augustus 2013 in zoverre vernietigd en herroepen,

- gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de handhaving van het besluit van 19 maart 2013 en heeft zij het besluit van 13 augustus 2013 in zoverre vernietigd en herroepen,

- voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van het besluit van 13 augustus 2013.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. D.F. Briedé, advocaat te Almelo, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ossenkoppelerhoek" heeft het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 1.3 van de planregels wordt in deze regels onder "aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit" verstaan: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.

Ingevolge artikel 25.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor: wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge artikel 25.5, aanhef en onder a, is het verboden de in de bestemming "Wonen" begrepen gronden en de daarop voorkomende opstallen te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van zelfstandige bewoning.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2013 ten onrechte ongegrond heeft verklaard, voor zover het college bij dat besluit het door hem tegen het besluit van 4 augustus 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat het besluit van 4 augustus 2010 deel uitmaakt van een keten van besluiten, welke besluiten nauw met elkaar verweven zijn.

2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] eerst op 25 maart 2013 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 augustus 2010 en dat [appellant sub 1] derhalve niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit. In hetgeen [appellant sub 1] in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gezien de termijnoverschrijding op de voet van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht verschoonbaar te achten. Dat het besluit op bezwaar van 13 augustus 2013 ziet op verschillende besluiten over hetzelfde onderwerp, betekent niet dat [appellant sub 1] niet eerder bezwaar had kunnen maken tegen het besluit van 4 augustus 2010.

Het betoog faalt.

3. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat dwangsommen zijn verbeurd en dat het college tot invordering daarvan mocht overgaan wegens op 25 mei 2011 en 17 augustus 2012 geconstateerde overtredingen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank een onjuist dan wel eenzijdig criterium heeft toegepast bij de beoordeling of een dwangsom is verbeurd. [appellant sub 1] stelt dat de rechtbank diende te toetsen of de activiteiten op het perceel in overeenstemming waren met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voor zover de rechtbank heeft bedoeld dat zij gebonden is aan het door het college in het besluit van 4 augustus 2010 gehanteerde criterium "bedrijfsmatig fokken", heeft zij dat onvoldoende gemotiveerd en is dat onbegrijpelijk. Voorts had de rechtbank zich vanwege de doorwerking van de verschillende besluiten de vraag moeten stellen of de invordering op een juiste grondslag berust. Verder stelt [appellant sub 1] dat onduidelijk was hoeveel honden op het perceel aanwezig mochten zijn en dat niet is gemotiveerd waaruit het gestelde winstoogmerk zou blijken. De rechtbank laat volgens [appellant sub 1] tevens ten onrechte in het midden waarom voorzieningen op het perceel duiden op bedrijfsmatig gebruik.

3.1. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de rechtmatigheid van het dwangsombesluit van 4 augustus 2010 in het kader van de toetsing van het invorderingsbesluit van 13 februari 2013 niet meer aan de orde kan komen. In dat verband wijst de Afdeling nog op een uitspraak van 24 augustus 2014 in zaak nr. 201102842/1/A4. [appellant sub 1] heeft de bevindingen van de gemeentelijke toezichthouders zoals weergegeven in het verslag van het bezoek aan het perceel op 25 mei 2011, niet bestreden. In dat verslag is vermeld dat ter plaatse veertien volwassen Amerikaanse bulldogs en eenentwintig Amerikaanse bulldog pups zijn aangetroffen. Voorts is daarin vermeld dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat in de periode vanaf 27 april 2011 tot en met 24 mei 2011 door of namens [appellant sub 1] verschillende malen via internet pups ter verkoop werden aangeboden voor een verkoopprijs van onder meer € 550,00.

3.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat op 25 mei 2011 niet werd voldaan aan de last om het bedrijfsmatig houden en fokken van honden in strijd met het bestemmingsplan op het perceel te staken. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat in totaal 35 honden op het perceel zijn aangetroffen en dat de door [appellant sub 1] gefokte honden met winst werden verkocht.

Over het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst of de activiteiten op het perceel in overeenstemming waren met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, wordt als volgt overwogen. Het college heeft zich in het besluit van 4 augustus 2010 op het standpunt gesteld dat de activiteiten van [appellant sub 1] een zodanige omvang hebben dat deze niet passen binnen de geldende woonbestemming en voorts dat de activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die niet past binnen de woonbestemming ter plaatse. Dat standpunt ligt op zichzelf niet meer ter toetsing voor. Tijdens de laatste controle op 22 april 2010 die heeft geleid tot het besluit van 4 augustus 2010, zijn vijftien volwassen honden en vijftien pups op het perceel aangetroffen en waren negen kennels in de schuur en drie buitenkennels op het perceel aanwezig. Reeds omdat op 25 mei 2011 meer honden zijn aangetroffen dan bij de controle op 22 april 2010 en bovendien het aantal kennels niet was verminderd, heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien de vraag of de activiteiten strijdig waren met het bestemmingsplan nog te bespreken.

Over de stelling dat het college het winstoogmerk niet heeft aangetoond, wordt overwogen dat het college in de bijlage bij het dwangsombesluit van 4 augustus 2010 heeft gesteld dat de kosten per pup en de extra kosten per moederdier in totaal ongeveer € 350,00 bedragen, dat de verkoopprijs per pup hoger ligt dan dat bedrag en dat [appellant sub 1] daar niets tegenover heeft gesteld. De stelling van [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte in het midden laat waarom de voorzieningen op het perceel duiden op bedrijfsmatig gebruik, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft de bedrijfsmatigheid beoordeeld aan de hand van verschillende factoren, waaronder de voorzieningen op het perceel.

3.3. [appellant sub 1] heeft de bevindingen van de gemeentelijke toezichthouders zoals weergegeven in het verslag van het bezoek aan het perceel op 17 augustus 2012 niet bestreden. In dat verslag is vermeld dat twaalf volwassen Amerikaanse bulldogs, drie Amerikaanse bulldogs jonger dan een jaar en vijf Amerikaanse bulldog pups op het perceel zijn aangetroffen die worden gehouden in de schuur. Voorts is daarin vermeld dat drie volwassen Engelse bulldogs en drie Engelse bulldog pups zijn aangetroffen die in de woning worden gehouden. De rechtbank heeft, gelet op het aantal aangetroffen volwassen Amerikaanse bulldogs en in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat het aantal kennels is verminderd en dat aannemelijk is dat de pups zijn verkocht, terecht overwogen dat het bedrijfsmatig houden en fokken van honden op het perceel ten tijde van de controle op 17 augustus 2012 niet was gestaakt.

3.4. Gelet op de omstandigheid dat het bedrijfsmatig houden en fokken van honden in strijd met het bestemmingsplan op het perceel ten tijde van de controles op 25 mei 2011 en 17 augustus 2012 niet was gestaakt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant sub 1] tweemaal een dwangsom heeft verbeurd van € 5.000,00 als gevolg van niet-naleving van het dwangsombesluit van 4 augustus 2010. Nu niet is gesteld of gebleken van bijzondere omstandigheden die het college noopten om van invordering af te zien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college tot invordering daarvan mocht overgaan.

Het betoog faalt.

Het incidenteel hoger beroep van het college

4. Het college betoogt in het incidenteel hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant sub 1] op 11 december 2012 niet aan de last heeft voldaan. Daartoe voert het aan dat gemeentelijke toezichthouders hebben vastgesteld dat [appellant sub 1] meer dan zeven honden op het perceel had en dat [appellant sub 1] de toezichthouders geen toestemming heeft gegeven om zijn woning te betreden.

4.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant sub 1] ook op 11 december 2012 niet aan de last heeft voldaan. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat in het verslag van bevindingen van 11 december 2012 enkel is vermeld dat acht volwassen Amerikaanse bulldogs op het perceel zijn aangetroffen die in de schuur worden gehouden. Voorts wordt in aanmerking genomen dat in het verslag is vermeld dat [appellant sub 1] het aantal kennels heeft gereduceerd tot vier stuks. De enkele constatering van de aanwezigheid van acht Amerikaanse bulldogs op het perceel is, zonder dat daarbij bijkomende omstandigheden zijn betrokken, onvoldoende voor het oordeel dat het bedrijfsmatig houden en fokken van honden in strijd met het bestemmingsplan op het perceel ten tijde van de controle op 11 december 2012 niet was gestaakt. Dat de toezichthouders vermoedden dat [appellant sub 1] naast de honden die in de schuur werden gehouden nog zeven volwassen Amerikaanse bulldogs in de woning hield en daarmee het totale aantal volwassen honden op het perceel ten opzichte van de controle op 17 augustus 2012 niet had verminderd, maar zij geen toestemming of bevoegdheid hadden om de woning van [appellant sub 1] te betreden, betekent niet dat het college, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet was gehouden nader onderzoek te doen.

Het betoog faalt.

5. Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college [appellant sub 1] gelast het bedrijfsmatig houden en fokken van honden op het perceel in strijd met het bestemmingsplan vóór 15 april 2013 te staken en gestaakt te houden onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van één constatering per week en een bedrag van € 30.000,00. Het heeft daarbij bepaald dat [appellant sub 1], om uitvoering te geven aan de last, het aantal honden op het perceel dient terug te brengen tot maximaal zeven.

6. Het college betoogt in het incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat ten tijde van het opleggen van het dwangsombesluit van 19 maart 2013 een overtreding aanwezig was waartegen handhavend kon worden opgetreden.

6.1. In het besluit op bezwaar van 13 augustus 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat bij de beantwoording van de vraag of op het perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, de volgende criteria een rol spelen: continuïteit, winstoogmerk, hinder, omvang van de dierstapel, huisvesting van de dieren, commerciële doeleinden, gebruik of aanwending van de dieren, perceelgrootte en de omgeving waar de dieren worden gehouden. Het college heeft ten aanzien van die criteria enkel gesteld dat ten tijde van het besluit van 19 maart 2013 elf honden op het perceel aanwezig waren, geluidnormen worden overschreden, de ruimtelijke uitstraling die het houden en fokken van honden met zich brengt ernstige hinder oplevert voor het woonmilieu en dat op het perceel, gelet op de controles en de toetsingscriteria, op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of bedrijfsmatige commerciële activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 13 augustus 2013 echter niet inzichtelijk gemaakt dat [appellant sub 1] ten tijde van het besluit van 19 maart 2013 of in de daaraan voorafgaande periode met de honden op zijn perceel fokte. Voorts is het niet ingegaan op de huisvesting van de honden. Evenmin heeft het inzichtelijk gemaakt dat [appellant sub 1] volwassen honden of pups met winstoogmerk verkocht. Gelet daarop, is geen grond aanwezig voor het oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten tijde van het besluit van 19 maart 2013 bedrijfsmatige exploitatie of commerciële activiteiten op het perceel plaatsvonden. De rechtbank heeft reeds daarom terecht overwogen dat het college niet heeft aangetoond dat op 13 maart 2013 een overtreding aanwezig was waartegen handhavend kon worden opgetreden en zij heeft het besluit van het college van 13 augustus 2013 terecht in zoverre vernietigd.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wijgerde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

672.