Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201306390/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Blockhovepark" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306390/1/R1.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Heiloo,

en

de raad van de gemeente Heiloo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Blockhovepark" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], bijgestaan door mr. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door L. Bas, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied ziet op het noordelijke deel van Heiloo en omvat onder meer de percelen aan de Westerweg. Het plan is consoliderend van aard.

3. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met de toekenning van de bestemming "Tuin" aan de gronden die achter hun percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] liggen. Deze gronden zijn eigendom van [belanghebbende].

4. [appellant] en anderen voeren aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest omdat hun belangen hierin onvoldoende zijn betrokken. Zij betogen in dit verband dat niet duidelijk was dat het doel van de door de raad geboden overlegmogelijkheid was om tussen partijen volledige overeenstemming over de bestemming van de genoemde gronden te bereiken. Als zij dit hadden geweten, dan zouden zij niet hebben vastgehouden aan de door hen gewenste planologische regeling, maar hebben ingestemd met een in hun ogen suboptimale regeling voor de desbetreffende gronden. De raad heeft zich volgens hen bij de vaststelling van het plan ten onrechte laten leiden door het niet bereiken van overeenstemming in het overleg tussen de partijen.

Ook betogen [appellant] en anderen dat zij ten onrechte niet zijn geïnformeerd over een amendement bij het collegevoorstel, strekkende tot toekenning van de bestemming "Tuin" aan de gronden van [belanghebbende], terwijl zij in het kader van het overleg diverse besprekingen met het gemeentebestuur hebben gehad in de periode voorafgaand aan de vaststelling van het plan.

4.1. De raad stelt dat hij, door de beslissing omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan aan te houden, de betrokken bewoners de gelegenheid heeft gegeven om gezamenlijk met de portefeuillehouder tot een oplossing te komen. De intentie was om de betrokkenen op één lijn te krijgen, maar de overleggen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Om deze reden heeft de raad het plan ongewijzigd vastgesteld. Gezien het exclusieve recht van de raad om inhoud aan een bestemmingsplan te geven kon hij daarbij afwijken van het collegevoorstel. De in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) voorgeschreven procedure is volgens de raad juist doorlopen. Uit de wet volgt geen aanvullende informatieplicht om indieners van zienswijzen afzonderlijk te informeren over (de inhoud van) het plan of de voorgenomen indiening van amendementen, aldus de raad.

4.2. Bij brief van 26 april 2013 heeft de raad de indieners van zienswijzen er van op de hoogte gebracht dat in de raadsvergadering van 12 november 2012 geen besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is genomen in afwachting van nader overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en [appellant] en anderen. De brief vermeldt dat dit overleg is afgerond en dat de raad voornemens is tijdens de raadsvergadering van 13 mei 2013 te besluiten over het bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen zijn voor deze raadsvergadering uitgenodigd.

Ter gelegenheid van de raadsvergadering van 13 mei 2013 is een amendement ingediend, inhoudende dat de grondslag voor de toekenning van een andere bestemming voor de gronden tussen de achtererven van de woningen aan de Westerweg [locatie 1]-[locatie 4] en het spoor dan in het ontwerpplan is weggevallen, aangezien geen volledige overeenstemming is bereikt over de bestemming. Daarom is voorgesteld om terug te vallen op de bestemming in het ontwerpplan, namelijk "Tuin".

4.3. Dat [appellant] en anderen niet duidelijk was dat de raad bij zijn besluit volledige overeenstemming van groot belang achtte, maakt, wat hiervan ook zij, niet dat van het standpunt van de raad om bij gebreke van overeenstemming aan te sluiten bij de in het ontwerpplan opgenomen bestemming moet worden gezegd dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Te minder nu de raad onverplicht betrokkenen de gelegenheid heeft gegeven onderling overeenstemming te bereiken.

4.4. In de Wro, noch in enig ander wettelijk voorschrift, valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen over de voorgenomen indiening van amendementen. De beroepsgrond die ertoe strekt dat dit wel had moeten gebeuren, slaagt niet. Overigens zijn [appellant] en anderen persoonlijk uitgenodigd om de raadsvergadering op 13 mei 2013 bij te wonen en dat hun de mogelijkheid is geboden om daar gebruik te maken van hun inspreekrecht, hetgeen zij ook gedaan hebben.

4.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig was.

5. [appellant] en anderen betogen voorts dat de toegekende bestemming "Tuin" niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, aangezien het gebruik ter plaatse wezenlijk anders is dan op de aangrenzende percelen met diezelfde bestemming. Volgens hen past de bestemming "Groen-Groene ruimte" beter bij het gebruik.

5.1. De raad stelt dat de gronden tussen de achtererven van de woningen aan de Westerweg en het spoor na diverse opsplitsingen zijn toegevoegd aan de particuliere bestaande kavels. Volgens de raad is van agrarisch gebruik geen sprake meer en is uitgesloten dat deze gronden nog overeenkomstig de in het voorgaande plan opgenomen agrarische bestemming zullen worden gebruikt. Overeenkomstig het bestaande gebruik heeft de raad aan de gronden de bestemming "Tuin" toegekend.

5.2. Aan de gronden van [belanghebbende], gelegen tussen de achtererven van onder meer de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] en het spoor, is in het plan de bestemming "Tuin" toegekend. Blijkens de stukken beslaan deze gronden een oppervlakte van ongeveer 8.000 m2.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen binnen de bestemmingen "Wonen-1" en "Wonen-2" en voor […] parkeervoorzieningen.

5.3. Ter zitting is gebleken dat de gronden van [belanghebbende] behoren bij zijn woning op het perceel [locatie 5] en thans hobbymatig door hem worden gebruikt als grasland voor paarden. De raad stelt dat dit gebruik binnen de bestemming "Tuin" is toegestaan. Ook de aangrenzende gronden, waaraan eveneens de bestemming "Tuin" is toegekend, behoren bij woningen en zijn overeenkomstig deze bestemming in gebruik, zij het niet als grasland voor paarden. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Tuin" niet passend is, gelet op de toegestane functies binnen deze bestemming en het bestaande gebruik door [belanghebbende]. Dat [appellant] en anderen de bestemming "Groen-Groene ruimte" beter bij het gebruik vinden passen, lis op zich zelf beschouwd ontoereikend voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de bestemming "Tuin" heeft kunnen kiezen. Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

91-667.