Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201404427/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het college zijn beslissing om op 16 januari 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 126,00 voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2015/496
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404427/1/A4.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het college zijn beslissing om op 16 januari 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 126,00 voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2014, waar [appellante], bijgestaan door D. van Leeuwen en J. Pelt Ramos, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

1.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) stelt het college de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden.

Ingevolge het tweede lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

1.2. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: het Uitvoeringsbesluit) is het aanbieden van inzamelmiddelen toegestaan vanaf 22.00 uur op de avond voorafgaand aan de dag van inzameling tot 7.45 uur op de dag van inzameling zelf.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak met huishoudelijke afvalstoffen die op donderdag 16 januari 2014 is aangetroffen op de Frederik Hendriklaan ter hoogte van nummer […] te Den Haag. Omdat in de huisvuilzak een brief is aangetroffen met daarop de naam en het adres van [appellante], gaat het college ervan uit dat de huisvuilzak van haar afkomstig is en dat zij deze in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening in samenhang gelezen met artikel 6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ter inzameling heeft aangeboden.

3. [appellante] betoogt dat er onvoldoende bewijs is dat de huisvuilzak op de Frederik Hendriklaan ter hoogte van nummer […] is aangetroffen.

3.1. Volgens het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport van de dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag van 17 januari 2014, met het nummer HAPV-W2A-14-365, is de huisvuilzak op 16 januari 2014, om 10.11 uur, op de Frederik Hendriklaan ter hoogte van nummer […] aangetroffen. Het rapport is opgemaakt en ondertekend door een toezichthouder, werkzaam bij de dienst Stadsbeheer.

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onjuiste informatie bevat over de locatie van de aangetroffen huisvuilzak. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het college het rapport niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Aangezien vrijdag de vastgestelde inzameldag is, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de op donderdag 16 januari 2014 aangetroffen huisvuilzak onjuist ter inzameling is aangeboden.

4. [appellante] betwist dat zij overtreder is. Zij voert aan dat één brief onvoldoende bewijs is om haar als overtreder aan te merken. Voorts stelt zij dat zij haar huisvuil naar de afvalcontainer in de Van Slingelandtstraat brengt, die op ongeveer 70 meter van haar huis staat, en geen enkele reden heeft om een huisvuilzak naar de locatie op de Frederik Hendriklaan te brengen op een afstand van ongeveer 400 meter van haar huis. Volgens haar is het aannemelijker dat iemand de huisvuilzak uit de container heeft gehaald en heeft achtergelaten op de locatie waar deze is aangetroffen.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005, nr. 200501068/1, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 17 juli 2013, nr. 201201721/1/A4, is het aantreffen van slechts één poststuk voldoende om aan te nemen dat de aangetroffen afvalstoffen in beginsel tot de geadresseerde kunnen worden herleid.

De stelling van [appellante] dat zij haar huisvuil naar de container in de Van Slingelandtstraat brengt en dat mogelijk een derde de huisvuilzak uit die container heeft gehaald en op de Frederik Hendriklaan heeft achtergelaten, is onvoldoende om niet van het hiervoor weergegeven bewijsvermoeden uit te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 in zaak nr. 201305803/1/A4). Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar niet als overtreder mocht aanmerken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

148.