Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201402320/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Ede, Herontwikkeling Verlengde Blokkenweg 12 e.o. (Turkse Moskee)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402320/1/R2.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ede,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Ede, Herontwikkeling Verlengde Blokkenweg 12 e.o. (Turkse Moskee)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Verjans en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A.P. Van Baren en drs. B.B. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Grote Moskee Ede, vertegenwoordigd door K. Sariusta en L. Baykus, gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van de raad en van [appellant] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de oprichting van een Turkse moskee aan de Verlengde Blokkenweg 12.

3. [appellant] en anderen voeren aan dat de voorziene moskee op ongeveer 50 meter afstand van hun woningen leidt tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat. Daartoe stellen zij dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden tussen de initiatiefnemers van de moskee en omwonenden over geluidsoverlast die door het oproepen tot gebed zou ontstaan. Daarnaast past de moskee, mede gelet op de omvang en hoogte ervan, niet in de omgeving en wordt hun uitzicht daardoor aangetast, aldus [appellant] en anderen.

Voorts vrezen [appellant] en anderen voor parkeeroverlast in hun naaste omgeving, nu de parkeercapaciteit waarin het plan voorziet volgens hen ontoereikend is. In dit verband voeren zij onder meer aan dat de raad bij de berekening van de benodigde capaciteit is uitgegaan van een toekomstige gebedsruimte van 800 m2, terwijl er geen concrete bouwplannen voorhanden zijn waaruit deze oppervlakte blijkt.

Volgens [appellant] en anderen heeft de raad, door zich op het standpunt te stellen dat een deel van de parkeerplaatsen buiten het eigen terrein van de moskee mag worden gerealiseerd, in strijd gehandeld met het gemeentelijk beleid dat is neergelegd in de Nota Parkeernormering gemeente Ede, vastgesteld door de raad op 31 maart 3011 (hierna: Nota Parkeernormering).

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de geplande afstand tussen de bestaande woningen en de moskee in overeenstemming is met de richtlijnen uit de VNG-brochure Handreiking "bedrijven en milieuzonering" (hierna: VNG-brochure). De moskee komt volgens de raad in een gebied met functiemenging, zodat op grond van de brochure een richtafstand van 30 meter tussen de inrichtingsgrens en de gevel van de dichtstbijzijnde woning moet worden gehanteerd. Aan deze afstand wordt, aldus de raad, ruimschoots voldaan.

Voorts wijst de raad erop dat [appellant] en anderen voldoende gelegenheid hebben gehad om in gesprek te gaan met de initiatiefnemers van de moskee over de gestelde geluidsoverlast, maar dat zij daar geen gebruik van hebben gemaakt.

De raad stelt verder dat de locatie aan de Verlengde Blokkenweg 12 stedenbouwkundig gezien geschikt is voor de inpassing van een moskee en de weerslag van het gebouw op de omgeving beperkt is, mede gelet op de architectuur van het gebouw en de parkachtige setting waarin het wordt gesitueerd.

Ten aanzien van de gestelde parkeeroverlast onderkent de raad dat geen concreet bouwplan beschikbaar is. De raad heeft gebruik gemaakt van het voorlopig bouwplan dat is opgenomen in het beeldkwaliteitsplan. Op basis daarvan is de raad uitgegaan van een gebedsruimte van 800 m2. Aangezien niet aannemelijk is dat de moskee een regionale functie krijgt, noch dat het ledenbestand zal groeien, stelt de raad zich op het standpunt dat het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd voldoende is voor het aantal bezoekers dat de moskee nu en in de toekomst zal hebben.

Voorts voert de raad aan dat op het eigen terrein van de moskee in het grootste deel van de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien. Een beperkt deel wordt in de openbare ruimte gerealiseerd, maar dit betreft een toevoeging aan de bestaande parkeercapaciteit, zodat geen extra parkeerdruk ontstaat. Er is, aldus de raad, dan ook geen sprake van strijd met het in de Nota Parkeernormering neergelegde gemeentelijk beleid.

3.2. Blijkens de verbeelding is aan het bestreden plandeel de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Aan delen van het plandeel zijn tevens de aanduiding "religie", "parkeerterrein" of "groen" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'religie' zijn uitsluitend religieuze voorzieningen toegestaan;

b. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn uitsluitend parkeervoorzieningen toegestaan ten behoeve van de naastgelegen religieuze voorziening;

c. ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend groenvoorzieningen toegestaan;

d. wegen, voet- en fietspaden;

e. erven en verhardingen;

f. brandveiligheids- en blusvoorzieningen.

Blijkens de verbeelding bedraagt de maximale bouwhoogte ter plaatse van de beoogde koepel 16 meter, en ter plaatse van de beoogde minaret 25 meter.

3.3. Het beleid van de raad met betrekking tot het realiseren van parkeerplaatsen is vastgelegd in de Nota Parkeernormering.

Ingevolge artikel 3 van deze nota moet, afhankelijk van de omvang en de bestemming van het gebouw, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s parkeerruimte in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, worden aangebracht conform de lijst "Parkeernormen Gemeente Ede" die bij deze nota hoort.

Ingevolge artikel 6 wordt, indien, en nadat is gebleken dat, een nieuw-, her- en/of verbouwplan niet kan voldoen aan de parkeereis in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort en het bouwplan redelijkerwijs niet kan worden aangepast teneinde alsnog de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort te realiseren, onderzocht of het niet te realiseren aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte kan worden opgenomen. Het parkeren als gevolg van het betreffende bouwplan kan slechts dan in de openbare ruimte worden opgenomen wanneer voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. De aanvrager heeft schriftelijk aangetoond dat de parkeereis niet redelijkerwijs in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, gerealiseerd kan worden en;

b. Het bouwplan is door de gemeente beoordeeld als zijnde niet zodanig aanpasbaar dat de parkeereis in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, kan worden gerealiseerd en;

c. De directe omgeving van het gebouw heeft tijdens de drukste parkeertijden van het gebouw en na realisering van het gebouw een verwachte parkeerdruk die lager is dan 85%.

Ingevolge artikelen 7, 8 en 9 kan worden afgeweken van het bepaalde in artikelen 3 en 6.

3.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden over geluidsoverlast, overweegt de Afdeling dat het plegen van overleg en het maken van onderlinge afspraken tussen een initiatiefnemer en omwonenden geen deel uitmaken van de in de Wet ruimtelijke ordening en Besluit omgevingsrecht geregelde bestemmingsplanprocedures. Los van de vraag of overleg is gepleegd en afspraken zijn gemaakt, kan het ontbreken daarvan geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het plan.

De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen aan de [locatie 1], onderscheidenlijk [locatie 2] te Ede en het bouwvlak voor de moskee ten minste 50 meter bedraagt. Niet in geschil is dat hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Voorts blijkt uit het rapport "Bestemmingsplan Herontwikkeling Verlengde Blokkenweg 12 e.o. Ede - Akoestisch onderzoek moskee" van 10 december 2013, opgesteld door adviesbureau DGMR, dat de geluidbelasting van de omliggende woningen vanwege de oproepen tot gebed en daarmee samenhangende verkeersaantrekkende werking van de moskee is onderzocht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat uit het onderzoek blijkt dat in alle situaties, ook indien wordt opgeroepen tot gebed op een vrijdag of een feestdag, wordt voldaan aan de streefwaarden uit het "stappenplan voor akoestisch onderzoek" uit bijlage 5 van de VNG-brochure. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet hierop heeft kunnen baseren.

Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat de moskee door zijn omvang en hoogte niet binnen de omgeving past, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat de raad de stedenbouwkundige inpassing van de moskee aan de Verlengde Blokkenweg 12 heeft onderzocht. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat bij het ontwerp van het gebouw rekening is gehouden met de maatschappelijke functie van de moskee en met zijn fysieke weerslag op de omgeving. De moskee bestaat ruimtelijk gezien uit twee, ten opzichte van elkaar gedraaide, rechthoekige hoofdbouwvolumes, zoals in de verbeelding is neergelegd. De raad wijst er op dat het lage bouwdeel met een maximale bouwhoogte van 5 meter naar de woonwijk is gericht en het hogere bouwdeel met een maximale bouwhoogte van 12 meter, uitgezonderd de koepel, verder van de woningen is afgelegen. Verder heeft de raad in aanmerking genomen dat de woningen in de omgeving een hoogte hebben van 10 meter en op meer dan 40 meter afstand van het lage bouwdeel en op meer dan 50 meter afstand van het hogere bouwdeel staan. De raad heeft voorts van belang geacht dat de koepel met een maximale bouwhoogte van 16 meter en de minaret met een maximale bouwhoogte van 25 meter elementen zijn die er aan bijdragen dat de moskee als zodanig te herkennen is. Daarbij merkt de raad op dat de koepel vanaf ooghoogte niet overheersend aanwezig is en dat de beperkte omvang van een minaret ervoor zorgt dat zijn weerslag op de omgeving beperkt is. De Afdeling ziet gelet op deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de moskee passend is in de omgeving.

Daarbij overweegt de Afdeling dat, hoewel niet is uitgesloten dat het plan zal leiden tot enig verlies van uitzicht vanuit de woningen van [appellant] en anderen, geen recht op blijvend uitzicht bestaat.

In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene moskee niet tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat zal leiden.

Het betoog faalt.

3.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] en anderen dat het plan in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet, stelt de Afdeling voorop dat bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen ingevolge het plan maximaal mogelijk is. Volgens de raad zijn 107 parkeerplaatsen nodig. De raad is bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen uitgegaan van het gebruik van de gronden ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "religie" voor de moskee op het moment van gebed. De Afdeling acht in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat wat het aspect parkeren betreft dit niet overeenkomt met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat De Grote Moskee Ede ter zitting heeft toegelicht dat tijdens het gebed geen gelijktijdig gebruik van de gebedsruimte en de nevenruimtes van de moskee zal plaatsvinden, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht.

Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft de raad aansluiting gezocht bij de norm voor een religiegebouw van 0,2 parkeerplaats per zitplaats (in dit geval: knielplaats) zoals opgenomen in de bijlage "Lijst parkeernormen gemeente Ede" van de Nota Parkeernormering. De raad heeft vervolgens in aanmerking genomen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 in zaak nr. 200901609/1/H1 mag worden uitgegaan van 1,5 m2 per knielplaats. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze uitgangspunten niet heeft mogen hanteren. De Afdeling is voorts van oordeel dat, hoewel ingevolge de planregels, gelezen in samenhang van de verbeelding, niet is uitgesloten dat in de moskee een grotere gebedsruimte wordt gerealiseerd dan 800 m2, de raad in redelijkheid deze oppervlakte als maatgevend heeft kunnen achten voor de bepaling van het aantal benodigde parkeerplaatsen. Daartoe is van belang dat de raad in redelijkheid op basis van het voorlopig bouwplan heeft kunnen aannemen dat naast de gebedsruimte ook ruimten zullen worden ingericht als toilet- en wasruimten, ruimte voor trappen en gangen, ontmoetingsruimten en ruimten voor techniek en opslag. Voorts heeft de raad in aanmerking genomen dat de moskee een ledenbestand van ongeveer 500 personen heeft. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit aantal ontoereikend is. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de Turkse gemeenschap in Ede uit ongeveer 2000 personen bestaat en het ledenbestand daarom nog kan uitbreiden, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het ledenbestand in de toekomst zodanig zal groeien, noch dat de moskee een dergelijke regionale functie zal krijgen, dat de raad dit redelijkerwijs bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen had moeten betrekken. In dit verband overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid in aanmerking heeft kunnen nemen dat niet alle mensen uit de Turkse gemeenschap, waaronder ouderen en kinderen, regelmatig een moskee bezoeken, in Ede twee andere religieuze voorzieningen met gebedsruimten voor de Turkse gemeenschap aanwezig zijn en in de omgeving van Ede diverse Turkse moskeeën zijn gevestigd.

Het betoog faalt.

3.6. Blijkens de plantoelichting is het uitgangspunt van de raad dat de ontwikkeling in het plangebied dient te voorzien in eigen parkeercapaciteit. Daarbij is vermeld dat van de 107 benodigde parkeerplaatsen, 95 op eigen terrein ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" worden ingepast en 12 parkeerplaatsen in de openbare ruimte ten noorden van het plangebied langs de zuidzijde van de Verlengde Blokkenweg kunnen worden gerealiseerd. In de plantoelichting is voorts gewezen op het door de raad in december 2007 vastgestelde Parkeerbeleidsplan, waarin is opgenomen dat één van de uitgangspunten van het parkeerbeleid is dat bij nieuw- en verbouwprojecten de hoeveelheid parkeerplaatsen die extra nodig is voor het betreffende project op eigen terrein wordt gerealiseerd, zodat de openbare ruimte niet wordt belast met een toegenomen parkeerdruk.

In het betoog van [appellant] en anderen, dat de raad in strijd met zijn beleid heeft gehandeld door toe te staan dat een deel van de te realiseren parkeercapaciteit buiten het eigen terrein wordt gerealiseerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen vaststellen. Daartoe is van belang dat, anders dan [appellant] en anderen stellen, de Nota Parkeernormering waarin het parkeernormenbeleid van de gemeente Ede is vastgelegd, ruimte biedt om van het uitgangspunt dat de parkeerplaatsen op het eigen terrein moeten worden gerealiseerd af te wijken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad in dit geval is afgeweken van voormeld uitgangspunt, omdat slechts een beperkt deel van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte wordt gerealiseerd en deze aan de beschikbare parkeercapaciteit worden toegevoegd. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de oprichting van de moskee niet tot extra parkeerdruk zal leiden in de wijk waarin [appellant] en andere wonen, nu de extra parkeercapaciteit direct ten noorden van het plangebied aan de Verlengde Blokkenweg zal worden gerealiseerd en aldaar vanwege het ontbreken van andere functies momenteel nauwelijks geparkeerd wordt.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

343-820.