Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201402132/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:348, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 28 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over onderscheidenlijk 2008, 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402132/1/A2.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2014 in zaak nr. 12/2533 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 28 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over onderscheidenlijk 2008, 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil gesteld.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam voor die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent de Belastingdienst/Toeslagen, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt.

2. Aan het besluit van 7 mei 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de door [appellante] overgelegde overeenkomst tussen haar en het gastouderbureau is ondertekend op 1 januari 2010, zodat zij niet heeft aangetoond dat de gastouderopvang ook de jaren 2008 en 2009 op basis van een dergelijke overeenkomst heeft plaatsgevonden. Verder heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat, nu het gastouderbureau met ingang van 1 november 2010 niet meer is opgenomen in het register van de gemeente, [appellante] in elk geval na die datum geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag. Ten slotte heeft [appellante] volgens de Belastingdienst/Toeslagen niet aangetoond dat zij in 2008, 2009 en 2010 kosten voor kinderopvang heeft gehad.

3. [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend van haar niet kan worden gevergd dat zij inzichtelijk maakt welke bedragen zij aan de gastouder heeft betaald. Ten tijde van de opvang was niet duidelijk dat de vraagouder zelf kosten van kinderopvang moet maken om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag en evenmin dat de vraagouder later de gemaakte kosten moet kunnen aantonen. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gehad en de gastouder heeft betaald. Volgens [appellante] kan uit de door haar overgelegde betalingsbewijzen worden afgeleid dat en op welke wijze betalingen aan de gastouder hebben plaatsgevonden. Dat zij niet alle kwitanties kan overleggen, kan aan haar niet worden tegengeworpen.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie haar uitspraak van 7 mei 2014 in zaak nr. 201306964/1/A2) volgt uit de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder n - vanaf 1 januari 2010: eerste lid -, en 7, eerste lid, van de Wko dat kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang is, die afhankelijk is van het inkomen van de ouder. Een deel van de kosten van kinderopvang blijft derhalve voor rekening van de ouder. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 27 juni 2012 in zaak nr. 201109345/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte is van deze kosten.

3.2. Dat [appellante] ten tijde van de opvang niet bekend was met de hiervoor aangehaalde, uit de wet voortvloeiende voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen, komt voor haar risico en rekening. [appellante] kan dan ook niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de Belastingdienst/Toeslagen onzorgvuldig heeft gehandeld door haar er, naar zij stelt, eerst bij besluit van 28 december 2011 op te wijzen dat zij voor de jaren 2008, 2009 en 2010 niet aan deze voorwaarden voldoet.

3.3. De door [appellante] overgelegde kwitanties kunnen niet als bewijs van betaling aan de gastouder worden aangemerkt, omdat de betalingen onvoldoende zijn gestaafd met andere gegevens. Daarbij is van belang dat de in de kwitanties genoemde bedragen niet zijn terug te voeren op de bedragen die [appellante] blijkens de door haar overgelegde bankafschriften heeft opgenomen om, naar zij stelt, de gastouder te betalen. Ook anderszins heeft [appellante] niet aangetoond dat zij de gastouder heeft betaald. Dit betekent dat, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad en dat zij derhalve geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor genoemde jaren.

3.4. Het betoog faalt.

4. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de overeenkomsten die aan de kinderopvang ten grondslag zouden hebben gelegen, behoeft, gelet op het hiervoor overwogene, geen bespreking.

5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het op nihil stellen van kinderopvangtoeslag en het terugvorderen van de teveel betaalde voorschotten disproportioneel is, nu de ontvangen toeslag is aangewend voor bestrijding van kosten van kinderopvang.

5.1. Nu [appellante] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de jaren 2008, 2009 en 2010, heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze mogen vaststellen op nihil. Aangezien artikel 26 van de Awir imperatief voorschrijft dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd en in de Awir geen bepaling is opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel het terug te vorderen bedrag kan matigen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen met juistheid de voorschotten van [appellante] teruggevorderd. Dat [appellante], naar zij stelt, een deel van de betalingen aan de gastouder heeft aangetoond, leidt, wat hiervan verder ook zij, niet tot het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen de teveel betaalde voorschotten niet kon terugvorderen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

362-735.