Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201401904/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2013 heeft de minister geweigerd de aanvraag van [appellant] van een nationaal paspoort (hierna: de paspoortaanvraag) in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401904/1/A3.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

een persoon, zich noemende [appellant], wonend te [woonplaats] (Pakistan),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2014 in zaak nr. 13/7290 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2013 heeft de minister geweigerd de aanvraag van [appellant] van een nationaal paspoort (hierna: de paspoortaanvraag) in behandeling te nemen.

Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.E. Knook, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander, binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, verschaft de in artikel 26 bedoelde autoriteit zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: de PUB 2001) wordt voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

Ingevolge het vierde lid wordt, indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager, daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van de door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, wordt voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt.

Ingevolge het tweede lid worden, indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument over te leggen, de in het overgelegde reisdocument vermelde gegevens afwijken van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van de aanvrager, de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een nooddocument, geraadpleegd. Tevens worden in dat geval nadere identificerende vragen gesteld.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, wordt een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 niet in behandeling genomen.

2. Aan het besluit van 10 april 2013, gehandhaafd bij dat van 28 augustus 2013, heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat in de gemeente Den Haag een tweede persoon woonachtig is met dezelfde personalia als die [appellant] in zijn paspoortaanvraag heeft opgegeven. Voorts kan niet worden vastgesteld welke persoon is afgebeeld op de pasfoto in het door [appellant] overgelegde, inmiddels verlopen paspoort, dat is afgegeven op 25 oktober 1996. De identiteit en daarmee de nationaliteit van [appellant] kan daarom niet worden vastgesteld. Daarbij heeft de minister aan het besluit van 28 augustus 2013 ten grondslag gelegd dat op 28 augustus 2009 een Nederlandse identiteitskaart is verstrekt aan een persoon met dezelfde personalia als die [appellant] bij zijn paspoortaanvraag heeft opgegeven. Op grond van een naar aanleiding hiervan gevraagd rapport van 11 juli 2013 van het Team Identiteitsfraude van de gemeente Amsterdam heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de persoon op de bij de paspoortaanvraag overgelegde foto hoogstwaarschijnlijk niet dezelfde persoon is als degene aan wie voormelde identiteitskaart is verstrekt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag heeft mogen handhaven. Hiertoe voert hij - kort gezegd - aan dat hij Nederlander is, dat hij thans zonder vast inkomen in Pakistan verblijft en een nieuw nationaal paspoort nodig heeft zodat hij in Nederland kan werken om inkomsten te genereren. Zijn in Nederland wonende broer heeft zijn identiteitsgegevens gebruikt bij het aanvragen van een identiteitskaart. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat hij de persoon is die op de door hem bij de paspoortaanvraag overgelegde kopieën van pasjes is vermeld of afgebeeld. Het verschil tussen de foto’s op die pasjes en op het op 25 oktober 1996 afgegeven, inmiddels verlopen paspoort is gelegen in het feit dat hij ouder is geworden en inmiddels een baard heeft, aldus [appellant].

3.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd erkend dat de broer van [appellant] de identiteit van [appellant] heeft gebruikt. Voorts heeft de gemachtigde daar verklaard dat de Nederlandse identiteitskaart op 28 augustus 2009 waarschijnlijk aan een andere persoon dan [appellant] is verstrekt. Op grond hiervan is de Afdeling van oordeel dat de minister [appellant] niet in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat aan een persoon met dezelfde personalia als hij reeds een identiteitskaart is verstrekt en dat die persoon hoogstwaarschijnlijk niet dezelfde is als op de bij de paspoortaanvraag overgelegde foto. Het had op de weg van de minister gelegen nader onderzoek te verrichten, teneinde alsnog de nodige zekerheid over de identiteit en nationaliteit van [appellant] te verkrijgen. Dit geldt te meer nu, zoals ter zitting naar voren is gekomen, het volgens de minister wegens zijn verblijf in Pakistan niet duidelijk is of [appellant] thans nog Nederlander is.

Nu de minister dit onderzoek niet heeft verricht, heeft hij niet voldaan aan de in artikel 9, vierde lid, van de PUB 2001 neergelegde onderzoeksplicht. Gelet hierop is het besluit van 28 augustus 2013 niet zorgvuldig tot stand gekomen. Ook berust het niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2013 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dit houdt in dat de minister opnieuw op het bezwaar van [appellant] dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. De Afdeling sluit niet uit dat het voor afdoende onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van [appellant] noodzakelijk is, dat hij in staat wordt gesteld met een reisdocument dat naar datum en bereik beperkte gelding heeft, naar Nederland te reizen. Mede in dat licht bezien bestaat onvoldoende duidelijkheid over het verloop van het te verrichten onderzoek en het daarmee gemoeide tijdsbeslag. Om die reden ziet de Afdeling af van toepassing van artikel 8:51d van de Awb. Wel ziet de Afdeling met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2014 in zaak nr. 13/7290;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 28 augustus 2013, kenmerk 0296/2013-NP;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI. gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdenzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

280-741.