Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201401337/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kanaalzone" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401337/1/R2.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1A]),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rivafoam B.V., gevestigd te Tiel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kanaalzone" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en Rivafoam B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2014, waar Rivafoam B.V., vertegenwoordigd door A.J.H.G. van Merkenstein, en de raad, vertegenwoordigd door D. Kramer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kingspan Insulation B.V., vertegenwoordigd door N. Klapwijk, bijgestaan door mr. V.M.Y. van ’t Lam, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bedrijventerreinen Kellen en Medel, gelegen ten noorden van de kern Tiel en in een hoek tussen de Industrieweg (N835) en de Rijksweg A15. Het plan is conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1A]

3. [appellant sub 1A] richt zich tegen de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" voor zover deze aanduiding in het plan is toegekend aan percelen die zijn gelegen binnen een afstand van 300 meter vanaf de gevel van zijn woning op het perceel [locatie 1] te [plaats]. [appellant sub 1A] voert aan dat de raad met het aan de gronden toekennen van deze aanduiding uit een oogpunt van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning onvoldoende rekening heeft gehouden met een richtafstand van 300 meter die voor dergelijke bedrijvigheid geldt op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). [appellant sub 1A] stelt in dit verband dat, nu tot nog toe geen bedrijven zich op bedoelde gronden hebben gevestigd, er geen bestaande rechten zijn die aan toekenning van een lagere categorie in de weg staan.

3.1. De raad stelt dat de gronden waaraan in het plan de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" is toegekend, en die zijn gelegen binnen een afstand van 300 meter van de woning van [appellant sub 1A], het perceel [locatie 2] te Tiel betreffen. Op dat perceel was reeds voor de vaststelling van het plan een bedrijf gevestigd uit categorie 4.2. De raad stelt zich op het standpunt dat, ondanks dat niet aan de richtafstand van 300 meter wordt voldaan, ter plaatse van de woning van [appellant sub 1A] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, nu in het kader van de verlening van de bouwvergunning en de milieuvergunning aan het desbetreffende bedrijf is gebleken dat overlast bij de woning van [appellant sub 1A] voldoende wordt voorkomen.

3.2. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat het beroep van [appellant sub 1A] is gericht tegen het plandeel dat de gronden van het perceel [locatie 2] omvat en waaraan in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" zijn toegekend. Op deze gronden was ten tijde van de vaststelling van het plan het bedrijf van Kingspan Insulation B.V. gevestigd, waarvan de bedrijfsactiviteiten bestaan uit het fabriceren van isolatieplaten, die worden gerekend tot categorie 4.2 van de VNG-brochure. De afstand tussen de gevel van de woning van [appellant sub 1A] en het bestreden plandeel is ongeveer 170 meter.

De gronden van het bedrijventerrein die nog niet zijn verkocht en waarop ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen bedrijvigheid plaatsvond, betreffen naar de raad onweersproken heeft gesteld gronden waaraan in het plan de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" is toegekend. Voor zover het beroep van [appellant sub 1A] is gericht tegen het in het plan toekennen van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" aan gronden die ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet waren verkocht en waarop nog geen bedrijvigheid plaatsvond, mist dit dan ook feitelijke grondslag.

3.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. doeleinden van handel en bedrijf:

[…]

5. in de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2";

[…].

3.4. De Afdeling overweegt dat de VNG-brochure een indicatief en globaal karakter heeft en als hulpmiddel dient bij het ontwerpen van een bestemmingsplan. De VNG-brochure is voorts bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de VNG-brochure evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Bedrijvenpark Medel 1998" was aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Bedrijfsterrein" en de aanduiding "B4b" toegekend. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders aan Kingspan Insulation B.V. een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie 2]. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders aan Kingspan Insulation B.V. een milieuvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting op voormeld perceel.

In de plantoelichting is vermeld dat voor het in het plan opnemen van de bestemming "Bedrijventerrein" voor de zonering is aangesloten bij de milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden van de VNG-brochure. Voorts is wat het perceel [locatie 2] betreft sprake van een reeds bestaande situatie. De raad heeft toegelicht dat het perceel [locatie 2] in gebruik is ten behoeve van een fabriek voor het fabriceren van isolatieplaten, waarvan vaststaat dat deze bedrijfsactiviteiten worden gerekend tot categorie 4.2 van de VNG-brochure.

In het kader van de vrijstellingsprocedure die heeft geleid tot het besluit van 16 mei 2008 is reeds de invloed van de bedrijfsactiviteiten op de omgeving onderzocht. In het onderzoek is geconcludeerd dat de gevolgen van de bedrijfsactiviteiten voor de omgeving binnen een straal van 300 meter beperkt zijn en de gevolgen ervan voor het woon- en leefklimaat van nabijgelegen woningen aanvaardbaar zijn. Ook in de ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten bij besluit van 10 april 2008 verleende milieuvergunning zijn de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting, waaronder nabijgelegen woningen, onderzocht en zijn die onder het stellen van voorschriften aanvaardbaar gevonden. [appellant sub 1A] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom de aan de vergunningverlening ten grondslag gelegde onderzoeken en de daarin opgenomen conclusies onjuist zouden zijn. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het plan binnen de aan de gronden van het perceel [locatie 2] gegeven bestemming binnen een afstand van 300 meter tot de woning van [appellant sub 1A] geen ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden toestaat dan op grond van de genoemde vergunningen reeds is toegestaan.

Voor zover ter zitting is gebleken dat het plan aan de zuidoostzijde van het perceel aan de achterzijde van de bestaande bebouwing een beperkte uitbreiding mogelijk maakt, waarvoor inmiddels een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd, stelt de Afdeling vast dat deze gewenste uitbreiding van de bebouwing een gedeelte van het perceel betreft dat voor het grootste deel op een grotere afstand van de woning van [appellant sub 1A] is gelegen dan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 300 meter. [appellant sub 1A] heeft niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat toepassing van deze planologische mogelijkheden van het plan een onaanvaardbare toename van hinder ter plaatse van zijn woning tot gevolg zal hebben. Verder heeft de raad onweersproken gesteld dat deze bouwmogelijkheden ook al in het voorheen geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Bedrijvenpark Medel 1998" aan het perceel waren toegekend.

Onder bovengenoemde omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de op het perceel [locatie 2] toegestane bedrijfsactiviteiten voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1A] aanvaardbaar moeten worden geacht. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" voor het bestreden plandeel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

Het betoog faalt.

3.5. Het beroep van [appellant sub 1A] is ongegrond.

Het beroep van Rivafoam B.V.

4. Rivafoam B.V. betoogt dat ten onrechte aan haar perceel aan de Zuiderhavenweg 52 te Tiel in het plan niet de aanduiding "bedrijfswoning" is toegekend. Zij stelt dat ter plaatse reeds een bedrijfswoning aanwezig is. Voorts voert zij aan dat een bedrijfswoning onder het voorheen geldende bestemmingsplan wel was toegestaan en dat zij juist daarom tot aankoop van het perceel was overgegaan. Rivafoam B.V. betoogt ten slotte dat de waarde van haar perceel daalt door de beperking in gebruiksmogelijkheden.

4.1. De raad stelt dat ter plaatse geen bestaande bedrijfswoning aanwezig is en dat evenmin een bouwvergunning is verleend voor de realisering van een bedrijfswoning. Verder acht de raad van belang dat door gewijzigde regelgeving ten aanzien van de externe veiligheid, een bedrijfswoning ter plaatse niet langer gewenst is.

4.2. Het plan voorziet niet in de door Rivafoam B.V. gewenste mogelijkheid van een bedrijfswoning. Niet in geschil is dat het voorheen geldende bestemmingsplan wel in deze mogelijkheid voorzag. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Ter zitting heeft Rivafoam B.V. erkend dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen vergunning was verleend voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel Zuiderhavenweg 52. Daarnaast heeft Rivafoam B.V. erkend dat nooit iemand op het perceel heeft gewoond. Rivafoam B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de bestaande feitelijke situatie ter plaatse een bedrijfswoning is gerealiseerd. Met het plan is derhalve aangesloten bij de bestaande feitelijke situatie. Voorts staat vast dat Rivafoam B.V. ten tijde van de vaststelling van het plan geen concreet bouwplan had voor de bouw van een bedrijfswoning op zijn perceel.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien in het plan te voorzien in de mogelijkheid van een bedrijfswoning op het perceel Zuiderhavenweg 52.

Het betoogt faalt.

4.3. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

4.4. Het beroep van Rivafoam B.V. is ongegrond.

Proceskosten

5. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1A] en Rivafoam B.V. bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Michiels w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

159-815.