Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201400698/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:9802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het betaalde drempelbedrag van € 300,00, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400698/1/A2.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gorinchem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013 in zaak nr. 12/1548 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het betaalde drempelbedrag van € 300,00, toegekend.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201400687/1/A2 ter zitting behandeld op 19 november 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Zanten, werkzaam bij de gemeente, vergezeld door mr. A.L.J.M. Boontjes, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie] te Gorinchem (hierna: de woning). Op 8 september 2011 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Lingewijk-Noord (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) op 19 augustus 2009 (hierna: de peildatum). Dit plan is de planologische basis voor het oprichten van een appartementengebouw op een terrein ten noorden en noordoosten van de woning (hierna: het plangebied).

4. Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de SAOZ. In een advies van juni 2012 heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime. Uit deze vergelijking heeft zij de conclusie getrokken dat de planologische verandering voor [appellant] tot een verdere aantasting van zijn uitzicht en privacy en van de situeringswaarde van de woning heeft geleid, dat hij als gevolg van deze verandering in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat daaruit voor vergoeding vatbare schade, in de vorm van een waardevermindering van de woning op de peildatum van € 245.000,00 naar € 237.500,00, is voortgevloeid. Voorts is vermeld dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, zodat een gedeelte van de schade, gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen ervan, voor rekening van [appellant] dient te worden gelaten.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 25 juni 2012 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat onder het oude planologische regime in het plangebied op een afstand van ongeveer 28 m van de woning een gebouw met een bouwhoogte van 15 m ten behoeve van de bestemming IJsbaan zou zijn opgericht. Daartoe voert hij aan dat het wateroppervlak in het plangebied al meer dan een eeuw ten behoeve van een ijsbaan in gebruik was, dat het dempen van het wateroppervlak niet was toegestaan in verband met de benodigde afvoer van water, dat het slechts was toegestaan gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de bestemming IJsbaan op te richten en dat het oprichten van een gebouw met een bouwhoogte van 15 m bouwtechnisch niet mogelijk was, omdat de maximale goothoogte in de toepasselijke planvoorschriften op 3,5 m was vastgesteld.

5.1. Bij de planvergelijking is de feitelijke situatie niet van belang. Dat het plangebied gedurende meer dan een eeuw feitelijk ten behoeve van een ijsbaan in gebruik was, neemt niet weg dat het, gelet op de toepasselijke planvoorschriften, planologisch mogelijk was bebouwing in het plangebied te realiseren. [appellant] heeft voorts niet met een rapport van een andere deskundige aannemelijk gemaakt dat het dempen van een deel van het wateroppervlak niet was toegestaan of dat het bouwtechnisch niet mogelijk was in het plangebied op een afstand van ongeveer 28 m van de woning een gebouw met een goothoogte tot 3,5 m en een bouwhoogte tot 15 m op te richten. In het betoog is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat zo’n onder het oude planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van de gebruiksmogelijkheden in het plangebied onder het nieuwe planologische regime zijn onderschat. Daartoe voert hij aan dat het appartementengebouw niet uitsluitend voor wonen wordt gebruikt, maar ook voor detailhandel en maatschappelijke doeleinden, waardoor zijn privacy verder is aangetast en de verkeersoverlast is toegenomen.

6.1. Uit het advies van de SAOZ van juni 2012 blijkt dat in de planvergelijking rekening is gehouden met de door [appellant] gestelde aantasting van zijn privacy. Ter zitting van de rechtbank heeft een vertegenwoordiger van de SAOZ voorts onweersproken gesteld dat de door [appellant] gestelde toename van de verkeersoverlast bij de situeringswaarde van de woning is betrokken. Dat tussen [appellant] en de SAOZ verschil van inzicht bestaat over de waardering van de uit de planologische vergelijking voortvloeiende nadelen, betekent niet dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat het door de SAOZ verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest, noch dat het college zich niet in redelijkheid op het advies van de SAOZ van juni 2012 heeft kunnen baseren. Daarbij is van belang dat [appellant] dat advies niet met een rapport van een andere deskundige heeft bestreden. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de SAOZ het gewicht van de schadefactoren heeft onderschat.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

452.