Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201401226/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:10017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college aan [appellant] vrijstelling verleend voor het bouwen van een winkelruimte met vier appartementen op de [locatie] te Baarle-Nassau (hierna: het bouwplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401226/1/A1.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2013 in zaak nr. 13/2372 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college aan [appellant] vrijstelling verleend voor het bouwen van een winkelruimte met vier appartementen op de [locatie] te Baarle-Nassau (hierna: het bouwplan).

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college ten behoeve van het bouwplan een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij afzonderlijke besluiten van 15 januari 2008 heeft het college het door [belanghebbende A], [belanghebbende B] en [belanghebbende C] tegen het vrijstellingsbesluit van 31 juli 2007 en het besluit van 31 augustus 2007 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het zich richt tegen de verwachte belemmering van de toegangsweg gedurende de bouwwerkzaamheden en ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de verwachte belemmering van de bevoorrading van de supermarkt na afronding van de werkzaamheden en het primaire besluit voor het overige in stand gelaten.

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college aan [appellant] toestemming verleend voor het aanleggen van een inrit, zoals benodigd voor het bouwplan.

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft het college het daartegen door [belanghebbende A] en Super de Boer supermarkten B.V gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 9 december 2008 gedeeltelijk ingetrokken en dat besluit voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 januari 2010 heeft de rechtbank Breda het door [belanghebbende C] tegen de besluiten van 15 januari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door [belanghebbende A], [belanghebbende B] tegen de besluiten van 15 januari 2008 en 18 juni 2009 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, het vrijstellingsbesluit van 31 juli 2007 en het besluit van 31 augustus 2007 geschorst, het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de door [belanghebbende A], [belanghebbende B] en Super de Boer supermarkten B.V. gemaakte bezwaren met inachtneming van deze uitspraak en het besluit van 9 december 2008 herroepen.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het college de door [belanghebbende A] en Jumbo supermarkten B.V. (voorheen: Super de Boer supermarkten B.V.) tegen de besluiten van 31 juli 2007, 31 augustus 2007 en 9 december 2008 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het vrijstellingsbesluit van 31 juli 2007, het hogere geluidwaarde besluit van 31 juli 2007, de besluiten van 31 augustus 2007, 9 december 2008, 15 januari 2008 en 18 juni 2009 herroepen en alsnog de gevraagde vrijstelling, bouwvergunning, hogere geluidgrenswaarde en inritvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A], [belanghebbende D], Ahold Vastgoed B.V. en Albert Hein B.V een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door G.A.W.M. van Ras en R.E.S.S Fliex en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.H. Keijsers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], [belanghebbende D], Ahold Vastgoed B.V. en Albert Hein B.V., allen vertegenwoordigd door A.J.M. Wouters en mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, gehoord.

Overwegingen

1. In opdracht van het college heeft Agel adviseurs onderzocht of het bouwplan van invloed is op de bedrijfsvoering van de in de nabijheid van het bouwplan gelegen supermarkt (hierna: de supermarkt) waarin Super de Boer Supermarkten B.V. - thans Albert Heijn B.V. - is gevestigd en of er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woonappartementen. Agel adviseurs heeft de resultaten van dit onderzoek neergelegd in een rapport van 16 april 2012 en een rapport "Akoestisch onderzoek Industrielawaai ten behoeve van onderzoekslocatie [locatie] te Baarle Nassau" van 13 september 2012 (hierna: het geluidrapport). Het college heeft het geluidrapport ten grondslag gelegd aan het besluit op bezwaar van 20 februari 2013.

2. In het geluidrapport wordt onder meer geconcludeerd dat de in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) voorgeschreven geluidgrenswaarde (LAmax) ter plaatse van de beoogde woonappartementen als gevolg van het laden en lossen bij de supermarkt in de avondperiode zal worden overschreden.

Volgens het geluidrapport is het daarom zinvol om te onderzoeken of de bevoorrading van de Albert Heijn B.V. tussen 19.00 en 20.00 verplaatst kan worden naar de dagperiode, omdat de in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarden (LAmax) in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten in de dagperiode.

Ook is het volgens het geluidrapport mogelijk om voor het laden en lossen tussen 19.00 uur en 20.00 uur een hogere grenswaarde vast te stellen die overeenkomt met de in het geluidrapport berekende geluidbelasting.

3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet kan worden verleend, nu door de realisering van het bouwplan de in het Activiteitenbesluit voorgeschreven grenswaarden ten aanzien van het maximaal toelaatbare geluidsniveau ter plaatse van de beoogde woonappartementen in de avondperiode zullen worden overschreden.

4. [appellant] betoogt dat het geluidrapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Hij voert daartoe aan dat de in het geluidrapport gemeten geluidwaarden ter hoogte van de beoordelingspunten 1 en 2 volledig worden bepaald door de verkeersbewegingen op de openbare weg. Aangezien deze geluiden volgens [appellant] niet zijn toe te rekenen aan de supermarkt, kunnen deze waarden niet worden gebruikt om te toetsen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. [appellant] verwijst hierbij naar bijlagen 1 en 2 van de door hem aan de Afdeling gestuurde brief van 8 september 2014.

Verder voert [appellant] aan dat een dove gevel kan worden gebouwd waardoor de overschrijding van de in het Activiteitenbesluit voorgeschreven grenswaarde ter plaatse van het bouwplan kan worden voorkomen.

[appellant] vindt steun voor zijn betoog in de conclusies van het door hem overgelegde door Greten Raadgevende Ingenieurs opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek geluidwering gevel appartementen [locatie] te Baarle Nassau" van 6 september 2013.

4.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de in het geluidrapport gemeten geluidwaarden ter hoogte van de beoordelingspunten 1 en 2 als weergegeven in figuur 2 van het geluidrapport volledig worden bepaald door de verkeersbewegingen op de toegangsweg naar het laad- en losterrein en het parkeerterrein, waardoor deze geluiden niet zijn toe te rekenen aan de supermarkt. Gelet op artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, moeten de laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de supermarkt voldoen aan de in tabel 2.17a voorgeschreven geluid grenswaarden. In het Activiteitenbesluit is niet gedefinieerd welke activiteiten onder laad- en losactiviteiten vallen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling worden onder laad- en losactiviteiten tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen (nota van toelichting, blz. 203; Stb. 2007, 415).

Het manoeuvreren in de smalle toegangsweg kan naar het oordeel van de Afdeling gezien worden als het laden en lossen in de onmiddellijke nabijheid van de supermarkt als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat Albert Heijn B.V. ter zitting heeft toegelicht dat het daarbij gaat om het achteruitrijden naar het laad- en losterrein, het wegrijden en het rijden met rolcontainers. In het aangevoerde kan aldus geen grond worden gevonden voor het oordeel dat in het geluidrapport rekening is gehouden met geluiden die niet zijn toe te rekenen aan de supermarkt.

4.2. Verder faalt het betoog van [appellant] dat door de woningen uit te voeren met een dove gevel de overschrijding van de in het Activiteitenbesluit voorgeschreven grenswaarden ten aanzien van het maximaal toelaatbare geluidsniveau kan worden weggenomen. Dit reeds omdat het bouwplan niet voorziet in een dove gevel.

4.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het geluidrapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in redelijkheid de gevraagde vrijstelling niet heeft kunnen weigeren. Hij voert daartoe aan dat het geluid dat wordt veroorzaakt bij het laden en lossen kan worden verminderd door de verplaatsing van de laad- en loszone van de supermarkt naar het parkeerterrein aan de Kerkstraat.

Verder voert [appellant] aan dat de supermarkt eerst na het nemen van het primaire besluit van 31 juli 2007 is gaan laden en lossen in de avonduren, zodat het college er bij zijn besluitvorming ten onrechte vanuit is gegaan dat de supermarkt laadt en lost in de avond.

Voorts voert [appellant] aan maatwerkvoorschriften aan de supermarkt kunnen worden opgelegd, waarbij voor het laden en lossen tussen 19.00 uur en 20.00 uur een hogere grenswaarde voor het laden en lossen van de supermarkt kan worden vastgesteld.

Verder voert [appellant] aan dat de bevoorrading van de Albert Heijn B.V. kan worden verplaatst naar de dagperiode als ingevolge het Activiteitenbesluit geen toetsing aan de daarin voorgeschreven grenswaarde hoeft plaats te vinden.

Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat de supermarkt niet in zijn bedrijfsvoering mag worden beperkt omdat die er al jaren zit.

5.1. De Afdeling stelt voorop dat de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

5.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de laad- en loslocatie kan worden verplaatst naar het parkeerterrein van de supermarkt aan de Kerkstraat, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze verplaatsing van de laad- en loslocatie een te onveilige situatie zou opleveren. In de uitspraak van 11 december 2013 in zaak nr. 201211447/1/A3 heeft de Afdeling overwogen dat een verplaatsing van de laad- en loshaven naar het parkeerterrein aan de Kerkstraat risico’s voor de veiligheid van personen met zich brengt. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verplaatsing van de laad- en loslocatie naar het parkeerterrein achter de Kerkstraat een te onveilige situatie zou opleveren.

5.3. Verder faalt de stelling van [appellant] dat de supermarkt eerst na het nemen van het primaire besluit van 31 juli 2007 is gaan laden en lossen in de avonduren, zodat het college er bij zijn besluitvorming ten onrechte van is uitgegaan dat de supermarkt laadt en lost in de avond.

Het college dient uit te gaan van de feiten en omstandigheden die zich voordeden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 20 februari 2013. Niet weersproken is dat voormelde laad- en losactiviteiten plaatsvonden ten tijde van dat besluit. Het college heeft daar dan ook terecht rekening mee gehouden.

5.4. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat maatwerkvoorschriften aan de supermarkt kunnen worden opgelegd, waarbij voor het laden en lossen van de supermarkt tussen 19.00 uur en 20.00 uur een hogere grenswaarde kan worden vastgesteld.

Volgens het college betekent het opleggen van deze maatwerkvoorschriften niet dat de geluidsbelasting zal verminderen, maar dat de supermarkt op een later tijdstip meer geluid mag produceren. Dit zou volgens het college mogelijk een oplossing zijn voor het bouwplan, maar betekent ook dat ruimte wordt geboden aan de supermarkt voor het produceren van een hogere geluidbelasting op woningen in de directe omgeving. Deze geluidbelasting zal volgens het college alleen maar toe nemen als vanwege de verkeersveiligheid het laden en lossen voornamelijk in de avonduren zal plaatsvinden.

Het college heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat het stellen van maatwerkvoorschriften als hiervoor bedoeld te veel geluidoverlast zal veroorzaken bij omwonenden van de supermarkt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dit standpunt van het college terecht niet onredelijk geacht.

5.5. Verder betoogt [appellant] tevergeefs dat de bevoorrading van de Albert Heijn kan worden verplaatst naar de dagperiode. In de uitspraak van 18 januari 2010 heeft de rechtbank Breda het volgende overwogen. "Gelet op de toezeggingen van verweerder dat de aangevraagde vrijstelling slechts zou worden verleend met instemming van Super de Boer en nu Super de Boer is blijven vasthouden aan de haar op grond van de erfdienstbaarheid toekomende rechten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval slechts in redelijkheid tot verlening van vrijstelling had kunnen overgaan door aan de vrijstelling de voorwaarde te verbinden dat de laad- en losactiviteiten van Super de Boer op ieder moment doorgang kunnen vinden.", aldus de rechtbank.

Tegen de uitspraak van 18 januari 2010 is geen hoger beroep ingesteld, waardoor deze gezag van gewijsde heeft gekregen.

Niet in geschil is dat Albert Heijn B.V. de rechtsopvolger is van Super de Boer en dat Albert Heijn B.V. geen toestemming heeft gegeven voor het veranderen van zijn laad- en lostijden. Gelet daarop heeft het college zich onder verwijzing naar de uitspraak van 18 januari 2010 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verplaatsen van alle laad- en losactiviteiten naar de dagperiode niet zonder instemming van Albert Heijn B.V. kan worden opgelegd.

5.6. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in het in beroep overgelegde rapport van Greten Raadgevende Ingenieurs geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het college de vrijstelling in redelijkheid niet had kunnen weigeren.

5.7. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat de supermarkt niet in zijn bedrijfsvoering mag worden beperkt omdat die er al jarenlang zit.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank niet aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de supermarkt niet in zijn bedrijfsvoering mag worden beperkt omdat die al jarenlang op dezelfde locatie aanwezig is.

5.8. Gelet op al het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, dat het college ten onrechte niet handhavend optreedt tegen de supermarkt omdat deze de in het Activiteitenbesluit voorgeschreven grenswaarden zou overschrijden en de besluitvorming over het bouwplan al jarenlang wordt gefrustreerd door de weigerachtige houding van zowel de supermarkt als de gemeente wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel, reeds omdat, zelfs indien deze gronden terecht zouden zijn voorgedragen, dit niet zou kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

543.