Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201400341/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding winkelcentrum Makado" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400341/2/R1.

Datum uitspraak: 2 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hertogsland B.V., gevestigd te Maastricht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Doti I B.V., gevestigd te Maastricht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rupa B.V., gevestigd te Maastricht,

4. de vennootschappen onder firma V.O.F. Keurslagerij [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B], beide gevestigd te [plaats],

verzoeksters,

en

de raad van de gemeente Beek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding winkelcentrum Makado" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer Hertogsland, Doti, Rupa en [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B] beroep ingesteld.

Hertogsland, Doti, Rupa en [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Achmea Dutch Retail Property Fund B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 4 november 2014, waar Hertogsland, vertegenwoordigd door [gemachtigde], Doti, vertegenwoordigd door [gemachtigde], Rupa, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door T. Thijssen, werkzaam bij Tonnaer adviseurs in omgevingsrecht, en T. Hooft, werkzaam bij Bureau Stedelijke Planning, zijn verschenen. Ter zitting is Achmea, vertegenwoordigd door mr. I. Haverkate, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het bestemmingsplan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor het bestaande winkelcentrum Makado in Beek.

3. Wat betreft het betoog dat verzoeksters geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007 in zaak nr. 200606317/1) degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende is. Dit is bij bestemmingsplannen slechts het geval indien de concurrerende vastgoedeigenaar in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

Niet in geschil is dat alle panden van verzoeksters in het verzorgingsgebied van winkelcentrum Makado liggen. Ook is niet in geschil dat alle panden van verzoeksters worden gebruikt voor detailhandel. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter niet dat in de hoofdzaak geoordeeld zal worden dat verzoeksters geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

4. Wat betreft het betoog van de raad en Achmea over artikel 8:69a van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014 in zaak nr. 201310004/1/A1, dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mede beoogt leegstand te voorkomen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat dit artikel kennelijk niet strekt ter bescherming van het belang waarvoor Hertogsland, Doti, Rupa en [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B] in deze procedure bescherming zoeken, te weten het voorkomen van onaanvaardbare leegstand van winkels in de nabijgelegen winkelcentra.

5. Hertogsland, Doti, Rupa en [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B] betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat aan artikel 3.1.6., tweede lid, van het Bro is voldaan. Zij vrezen leegstand in hun winkelcentra. Volgens hen zijn ten onrechte nieuwe ontwikkelingen in de regio niet in het onderzoek betrokken, waaronder de bouwmogelijkheden voor een winkelcentrum in Stein. Hertogsland, Doti en Rupa betogen voorts dat het door Bureau Stedelijke Planning (hierna: BSP) verrichte onderzoek ondeugdelijk is, omdat in het verzorgingsgebied Sittard niet is opgenomen terwijl wel het aanbod in Sittard in de berekeningen is betrokken. Tevens wijzen zij erop dat elders in de regio aanzienlijke leegstand en verschraling van winkelmeters optreedt, zodat onderzoek ook om die reden nodig was geweest. Ook wijzen zij op het rapport "Detailhandelsvisie Provincie Limburg" uit 2011 van de Kamer van Koophandel en Ondernemend Limburg (hierna: het KvK-onderzoek) dat de conclusies van het onderzoek van BSP onderuit zou halen.

6. Volgens de Nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (Stb. 2012, 388, p. 50) dient bij de beoordeling of sprake is van een actuele regionale behoefte, de behoefte te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod en betekent dit voor detailhandel dat wordt gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van winkelleegstand. Tevens is van belang dat een bestemmingsplan niet dient om concurrentieverhoudingen te regelen. De behoefte aan de beoogde ontwikkeling dient, met het oog op het voorkomen van structurele winkelleegstand, te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. Inzichtelijk moet zijn gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in de betrokken regio zal leiden.

In het rapport "Distributieve onderbouwing en effecten modernisering Makado Beek (L)" van 5 juni 2013 van BSP en het rapport "Bijdrage verweerschrift Raad van State-procedure Makado Beek (L)" van 24 maart 2014 van BSP (respectievelijk het rapport van 2013 en het rapport van 2014) staat dat de uitbreiding van winkelcentrum Makado een verdringingseffect van maximaal 1,2% met zich zal brengen. In het rapport van 2014 staat dat dit voor de regio en voor de individuele ondernemers in de regio zeer beperkt is. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ook indien de toename van het geplande aantal winkelmeters in Stein wordt gerealiseerd, het verdringingseffect maximaal 1,8% zal zijn. Gelet op dit percentage is naar voorlopig oordeel het ontstaan van een onaanvaardbare situatie in vorenbedoelde zin niet aannemelijk. Hertogsland, Doti en Rupa hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat, indien het aanbod van Sittard op de door hen gewenste wijze in de berekening was betrokken, geconcludeerd moet worden dat het plan zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in de betrokken regio zal leiden. Dat in het KvK-onderzoek geen ruimte voor uitbreiding van winkelcentrum Makado wordt gezien leidt voorts niet tot de conclusie dat de verwachtingen over de behoefte aan de uitbreiding van Makado in de rapporten van BSP van 2013 en 2014 zodanig afwijken van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten dat de raad zich hier bij zijn besluitvorming niet op heeft mogen baseren. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

7. Wat betreft het betoog van verzoeksters dat het plan tot ontwrichting van het voorzieningenniveau zal leiden, overweegt de voorzieningenrechter dat voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de vraag of er sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaarbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. De voorzieningenrechter laat thans daar of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit op deze grond in de hoofdzaak in de weg zal staan, nu verzoeksters vastgoedeigenaren zijn wier belangen zijn gelegen in het voorkomen van onaanvaardbare leegstand van winkels in hun winkelcentra. Naar voorlopig oordeel slaagt deze beroepsgrond niet, omdat verzoeksters niet aannemelijk hebben gemaakt dat ten gevolge van het plan geen voorzieningenniveau in vorenbedoelde zin behouden blijft.

8. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Den Broeder

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014

655.