Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201400458/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[belanghebbende], [locatie] Ekehaar" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400458/1/R4.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ekehaar, gemeente Aa en Hunze,

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[belanghebbende], [locatie] Ekehaar" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A.A. van Dam zijn verschenen.

Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. R. Snel, advocaat te Groningen.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het plan

2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijf [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Ekehaar.

3. Bij uitspraak van 25 april 2012, in zaak nrs. 201113323/1/R4 en 201113323/2/R4 (www.raadvanstate.nl), heeft de voorzitter van de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 september 2011, waarbij de raad het bestemmingsplan "Balloo en Ekehaar" heeft vastgesteld, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover dat betrekking had op de bestemming "Bedrijf", voor zover toegekend aan het perceel [locatie] te Ekehaar. In deze uitspraak oordeelde de voorzitter onder meer dat de raad zich zonder onderzoek hiernaar te doen niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan geen significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied "Drentsche Aa". De voorzitter oordeelde dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand was gekomen. De raad heeft naar aanleiding van deze uitspraak opnieuw een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan, hetgeen thans voorligt. Daarbij heeft de raad beoogd de geconstateerde gebreken te herstellen.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant]

5. [appellant] woont op ongeveer van 35 m van het plangebied en kan zich niet verenigen met de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden.

Omvang van het geding

6. [belanghebbende] heeft aangevoerd dat de omvang van het geding beperkt is tot de behandeling van de beroepsgronden die zien op de onderdelen waarover de voorzitter in voorgenoemde uitspraak van 25 april 2012 een vernietiging heeft uitgesproken. [belanghebbende] verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013 in zaak nr. 201207075/1/R2.

6.1. De Afdeling overweegt dat in dit geval geen aanleiding bestaat voor het beperken van de omvang van het geding omdat bij de voorbereiding van het bestreden besluit, anders dan in de zaak die aan de orde was in de uitspraak van 6 november 2013, opnieuw toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Derhalve kunnen alle beroepsgronden in de onderhavige procedure weer aan de orde komen, mits deze voldoende grondslag vinden in de ingediende zienswijze.

Omgevingsverordening Drenthe

7. [appellant] voert aan dat het plan in strijd is met artikel 3.33, eerste lid, van de Omgevingsverordening Drenthe (hierna: de omgevingsverordening). Hij stelt hiertoe dat het plan niet bijdraagt aan het behoud en de versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen afbreuk doet aan de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa.

7.2. Ingevolge artikel 3.33, eerste lid, van de omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan dat (mede) betrekking heeft op een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa:

a. alleen in nieuwe ontwikkelingen als is onderbouwd dat die bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa conform het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aa en het Cultuurhistorisch Kompas; en

b. in elk geval niet in ontwikkelingen die leiden tot realisering van grootschalige stads- of dorpsontwikkeling dan wel tot realisering van grootschalige werklocaties of infrastructuur.

7.3. In de plantoelichting wordt niet ingegaan op de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa en de vraag in hoeverre het plan bijdraagt aan behoud en versterking hiervan.

Nu de raad niet heeft onderbouwd dat het plan bijdraagt aan versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap, maar zich enkel op het standpunt heeft gesteld dat het plan de kenmerken van het Nationaal Landschap niet aantast, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

8. [appellant] voert voorts aan dat het plan in strijd is met artikel 3.26, tweede lid, van de omgevingsverordening omdat plan voorziet in de uitbreiding van een lokale werklocatie. [appellant] stelt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een werklocatie omdat het bedrijf van [belanghebbende] als solitair dient te worden aangemerkt. [appellant] stelt dat het bedrijf van [belanghebbende] tezamen met het bedrijventerrein van Technico, Jobing en garage Talman één werklocatie vormt omdat deze op korte afstand van elkaar liggen en samen de bedrijvengroep Ekehaar vormen.

8.1. Ingevolge artikel 3.26, tweede lid, van de omgevingsverordening laat een ruimtelijk plan, dat geen betrekking heeft op het bestaand stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden, geen nieuwe lokale werklocaties toe, en kan dit plan slechts voorzien in de uitbreiding van een lokale werklocatie, wanneer het desbetreffend ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan, en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder v, van de omgevingsverordening dient onder "lokale werklocatie" te worden verstaan een bedrijventerrein dat:

1° plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;

2° bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;

3° plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;

4° geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3 volgens de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (hierna: VNG-brochure)), waarbij geldt dat op basis van duidelijk gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder d, van de omgevingsverordening dient onder "bedrijventerrein" te worden verstaan een cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 ha bruto, dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort.

8.2. Aan de gronden ten zuiden van de bedrijfsbestemming op het perceel van [belanghebbende], zijn een woonbestemming en een agrarische bestemming toegekend. Uit de overgelegde luchtfoto’s blijkt dat ter plaatse een burgerwoning staat en ten oosten daarvan een weiland ligt. Ten zuiden hiervan is een bedrijfsbestemming toegekend en zijn de bedrijven Technico en Jobing gevestigd. Ten westen van het perceel van [belanghebbende] ligt de Hoofdstraat. Aan de gronden ten westen van de Hoofdstraat ligt de bedrijfsbestemming van het autogaragebedrijf Talman, ten noorden waarvan een reeks woonbestemmingen ligt.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] bedoelde bedrijfspercelen niet aaneengesloten percelen betreffen, als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder d, van de omgevingsverordening. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf van [belanghebbende] als solitair bedrijf gezien dient te worden, en niet tezamen met voornoemde bedrijfspercelen als één bedrijventerrein dient te worden aangemerkt.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande en nu het perceel van [belanghebbende] kleiner is dan 1 ha, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.26, tweede lid, van de omgevingsverordening.

Het betoog faalt.

Structuurvisie infrastructuur en ruimte

9. [appellant] voert aan dat het plan in strijd is met de structuurvisie infrastructuur en ruimte (hierna: svir), omdat de ontwikkelingen in het plangebied op gespannen voet staan met de in de svir genoemde belangen tot verbetering van de milieukwaliteit, ruimte voor behoud en versterking van cultuurhistorische- en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor het overleven en ontwikkelen van flora en fauna en zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

9.1. De raad stelt dat voldoende rekening is gehouden met het rijksbeleid. Het belang tot verbetering van de milieukwaliteit is volgens de raad onder meer geregeld via het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorts heeft de raad in de plantoelichting onder het kopje ecologie toegelicht dat in het besluit rekening is gehouden met het belang ruimte voor een nationaal netwerk voor het overleven en ontwikkelen van flora en fauna. De raad stelt voorts dat voldoende rekening is gehouden met de belangen zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten en ruimte voor behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.

9.2. Hetgeen is overwogen onder 7.3 raakt ook het in de svir genoemde belang ruimte voor behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.

Gelet daarop slaagt het betoog.

9.3. In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op de toelichting van de raad en hetgeen is weergegeven in de plantoelichting over de svir, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de svir.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

10. [appellant] vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat, en voert daartoe aan dat ten onrechte niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 m uit de VNG-brochure. [appellant] stelt dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bedrijf van [belanghebbende] wat betreft milieugevolgen gelijk kan worden gesteld aan een bedrijf met milieucategorie 1 en 2. Deze aanname van de raad is volgens [appellant] niet op rapporten gebaseerd. Hij stelt dat de raad ten minste akoestisch onderzoek had moeten laten verrichten naar de geluidbelasting ten gevolge van de bedrijvigheid die in het plan wordt mogelijk gemaakt. De raad heeft volgens [appellant] voorts niet ervan kunnen uitgaan dat de ontsluitingsweg al mogelijk was onder het vorige plan.

10.1. De raad stelt dat in het plangebied uitsluitend binnen gebouwen bedrijven in milieucategorie 3.1 zijn toegestaan en dat buiten gebouwen en derhalve buiten het bouwvlak uitsluitend bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2 is toegestaan. Buiten het bouwvlak kan daarom volgens de raad geen bedrijvigheid plaatsvinden die effecten van een categorie 3.1 bedrijf tot gevolg heeft.

In de plantoelichting staat voorts dat mechanisatiebedrijf [belanghebbende] een bedrijf is dat behoort tot milieucategorie 3.1 waarvan de effecten op het woon- en leefklimaat gelijk te stellen zijn aan die van een bedrijf uit categorie 1 en 2. Voorts staat er dat hierdoor een kortere afstand toelaatbaar is dan de afstand van 50 m tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing die op grond van de VNG-brochure geldt voor bedrijven van categorie 3.1. Voorts stelt de raad dat het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" al voorzag in een ontsluitingsweg en dat de uitbreiding van de bedrijvigheid daarom beperkt is.

Wat betreft geluid staat in de plantoelichting dat het bestemmingsplan niet voorziet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen en dat een akoestische toetsing derhalve niet nodig is.

10.2. Aan het perceel van [belanghebbende] zijn de bestemmingen "Bedrijf" en "Groen" toegekend. Aan de gronden waaraan de bestemming "Bedrijf" is toegekend, is voorts de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" toegekend. Aan een deel van deze gronden is voorts een bouwvlak toegekend.

10.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1 van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van bedrijven behorende tot de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijven;

b. gebouwen ten behoeve van bedrijven behorende tot categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1";

c. gebouwen ten behoeve van detailhandel uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel;

met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

d. bedrijfswoningen;

e. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt;

f. nutsvoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. paden;

i. water;

met daarbij behorende

j. parkeervoorzieningen;

k. tuinen ervan en terreinen;

l. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen dat gebouwen binnen een bouwvlak dienen te worden gebouwd.

10.4. De Afdeling stelt vast dat het plan voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak en een uitbreiding van het bestemmingsvlak "Bedrijf". Voor zover de raad stelt dat de ontsluitingsweg op het perceel reeds in het vorige plan was opgenomen, overweegt de Afdeling dat de bestemming "Bedrijf" die in het voorliggende bestemmingsplan aan de desbetreffende gronden is toegekend in meer gebruiksmogelijkheden voorziet dan de gebruiksmogelijkheden die ter plaatse waren toegestaan onder het vorige plan.

Voorts stelt de Afdeling vast dat de afstand tussen de woning van [appellant] en het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" ongeveer 35 m bedraagt. Aldus wordt niet voldaan aan de richtafstand voor bedrijven in de milieucategorie 3.1 uit de VNG-brochure van 50 m. Eveneens staat vast dat de raad geen akoestisch onderzoek heeft verricht naar de geluidbelasting van de uitbreiding waarin het plan voorziet.

De Afdeling stelt vast dat, anders dan de raad stelt, op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met milieucategorie 3.1", bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Weliswaar mogen gebouwen blijkens de planregels uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, maar dit betekent niet dat buiten het bestemmingsvlak geen bedrijvigheid in milieucategorie 3.1 is toegestaan. Blijkens de Staat van bedrijven, die is gevoegd als bijlage bij de planregels, zijn ter plaatse van de bestemming "Bedrijf" verschillende soorten bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan en is de bedrijvigheid binnen het plangebied niet beperkt tot de bedrijvigheid die [belanghebbende] uitvoert, noch tot bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 of bedrijvigheid in categorie 3.1 waarvan de milieubelasting gelijk te stellen is aan bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2.

Nu het plan voorziet in een uitbreiding van de bedrijvigheid op het perceel van [belanghebbende], deze bedrijvigheid anders dan de raad stelt, niet beperkt is tot de milieucategorieën 1 en 2 of daaraan qua milieubelasting gelijk te stellen bedrijvigheid in categorie 3.1, noch beperkt is tot de bestaande bedrijvigheid, de raad geen akoestisch onderzoek heeft verricht naar de geluidbelasting op de woning van [appellant] ten gevolge van de in het plan opgenomen uitbreiding en niet aan de richtafstand uit de VNG-brochure van 50 m wordt voldaan, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat ter plaatse van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Het betoog slaagt.

Natura 2000-gebied

11. [appellant] stelt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat significante negatieve effecten ten gevolge van het plan op het Natura 2000-gebied "Drentsche Aa" uitgesloten zijn. Hij voert daartoe aan dat de raad zich niet heeft kunnen baseren op het rapport "Voortoets Natuurbeschermingswet in verband met de uitbreiding van [belanghebbende] te Ekehaar" van januari 2013, opgesteld door Buro Bakker adviesbureau voor ecologie (hierna: natuurrapport), omdat de uitgangspunten van dit rapport volgens [appellant] onjuistheden bevatten.

Hij stelt dat in het natuurrapport ten onrechte wordt uitgegaan van een kortste afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied van 200 m, in plaats van 150 m en van een uitbreiding aan de oostzijde van het plangebied van circa 1200 m² in plaats van 1500 m². Verder wordt in het natuurrapport volgens [appellant] ten onrechte de conclusie getrokken dat de storingsfactoren oppervlakteverlies en versnippering op voorhand kunnen worden uitgesloten omdat de uitbreiding van het bestemmingsvlak geheel buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied ligt. Volgens hem is hierbij miskend dat dergelijke activiteiten buiten het Natura 2000-gebied ook kunnen leiden tot verdroging of verontreiniging in het Natura 2000-gebied. [appellant] voert verder aan dat wat betreft de aanwezigheid van de Rivierprik en de Bittervoorn wordt verwezen naar een verouderd rapport. Voorts is volgens [appellant] miskend dat voor het Paapje een herstelopgave geldt. [appellant] betoogt dat onvoldoende aandacht is besteed aan het risico op verontreiniging van de bodem en het grondwater in en rond het plangebied en de gevolgen daarvan voor het Natura 2000-gebied.

11.1. In het natuurrapport staat dat de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied ongeveer 200 m bedraagt. Voorts is vermeld dat de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit uitbreiding van de oppervlakte van de loodsen met ongeveer 500 m² en de aanleg van ongeveer 1200 m² verharding. Ten aanzien van de storingsfactoren staat in het natuurrapport dat de storingsfactoren oppervlakteverlies en versnippering op voorhand kunnen worden uitgesloten. In het natuurrapport staat dat onder meer de storingsfactoren verontreiniging en verdroging zouden kunnen leiden tot effecten op de beschermde habitattypen en de typische soorten die daarin voorkomen. Voorts is vermeld dat de habitats waarvoor instandhoudingsdoelen zijn opgesteld op ruime afstand liggen van de beoogde uitbreiding, welke niet zal leiden tot significant negatieve effecten op deze habitats en soorten die daarin voorkomen.

In het natuurrapport staat voorts dat op basis van de bekende verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van de Rivierprik, de Bittervoorn en de Kamsalamander in het naastgelegen deel van het Drentsche Aa-gebied (Amerdiep) kan worden uitgesloten. Ook is vermeld dat van de overige habitatsoorten kan worden aangenomen dat deze in het Drentsche Aa-gebied ter hoogte van Ekehaar voorkomen en dat de werkzaamheden tijdens de uitbreiding van het bedrijf tijdelijk kunnen leiden tot een geringe verstorende invloed op de omgeving. In het natuurrapport staat dat de invloedssfeer van deze storingsfactoren niet reikt tot in het water van Amerdiep, waardoor significant negatieve effecten op de betreffende vissen daarom op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Ten aanzien van het Paapje en de Watersnip vermeldt het natuurrapport dat deze niet binnen de beïnvloedingssfeer van de werkzaamheden voorkomen en dat eventuele effecten op deze soorten daarom op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Buro Bakker concludeert in het natuurrapport dat de uitbreiding niet leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied "Drentsche Aa".

11.2. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het Natura 2000- gebied "Drentsche Aa" en de bestemming "Bedrijf" in het plangebied ongeveer 150 m bedraagt. Voor zover in het rapport een ruimere afstand wordt vermeld, overweegt de Afdeling dat op de kaarten die in het rapport zijn opgenomen is uitgegaan van de juiste grens van het Natura 2000-gebied. Anders dan [appellant] veronderstelt, gaat Buro Bakker blijkens het rapport voorts niet uit van een totale uitbreiding van 1200 m².

In hetgeen [appellant] voorts heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan het natuurrapport zodanige gebreken kleven of leemten in kennis bevat, dat dit zou moeten leiden tot wezenlijk andere conclusies dan die daarin zijn getrokken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit rapport niet ten grondslag had mogen leggen aan het bestreden besluit.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van de conclusies uit het natuurrapport niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen significante negatieve gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied "Drentsche Aa".

Het betoog faalt.

Flora- en faunawet

12. [appellant] betoogt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet heeft mogen baseren op het rapport "Toetsing Flora- en faunawet voor uitbreiding [belanghebbende] Mechanisatie te Ekehaar" van januari 2013, dat is opgesteld door Buro Bakker. Hij voert daartoe aan dat het rapport voorbijgaat aan hetgeen is overwogen in de uitspraak van de voorzitter van 25 juli 2012 ten aanzien van het foerageergebied van ganzen, zwanen en steltlopers.

12.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

12.2. Artikel 11 van de Ffw beschermt de nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. Foerageergebieden worden door deze bepaling niet beschermd, tenzij deze samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Voor zover uit de rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2012 in zaak nr. 201201434/1/A3) volgt dat artikel 11 van de Ffw ook wordt overtreden, indien door de aantasting van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord, dat de desbetreffende soort deze plaatsen om die reden zal verlaten, is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich in dit geval zal voordoen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Landschappelijke inpassing

13. [appellant] stelt dat de in het plan opgenomen voorwaardelijke verplichting de landschappelijke inpassing van de uitbreiding onvoldoende waarborgt. Hij stelt dat artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels ten onrechte geen struiklaag vermeldt, niet aangeeft waaruit de beplanting dient te bestaan en voorts niet verzekert dat de beplanting het hele jaar door een afschermende werking heeft.

13.1. De raad stelt dat in het plan een visuele verzachting van de daarin opgenomen bedrijvigheid wordt gewaarborgd. Volgens hem gaat de landschappelijke inpassing echter niet zover dat gegarandeerd dient te worden dat de bebouwing en de bedrijvigheid helemaal niet meer zichtbaar zijn. De raad stelt daarbij dat evident is dat loofbomen in de winter bladeren verliezen.

13.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels, is het gebruik van gronden en bouwwerken voor bedrijven als bedoeld in lid 3.1 onder a en b, uitsluitend toegestaan als ter plaatse van en over de volledige lengte en breedte van de bestemmingsvlakken "Groen - Landschappelijke inpassing" een beplantingsstrook met hoogopgaande streekeigen beplanting is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

13.3. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 3 lid 3.5.2, onder a, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting, de landschappelijke inpassing van de in het plan voorziene bebouwing en bedrijvigheid onvoldoende waarborgt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat landschappelijke inpassing niet hoeft te betekenen dat de in het plan voorziene bebouwing en bedrijvigheid volledig aan het zicht worden onttrokken, maar van belang is dat met de inpassing voldoende rekening wordt gehouden met het omliggende landschap en de uitstraling daarvan. Dat [appellant] meer afscherming wenst, maakt de keuze van de raad niet onredelijk. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aldus geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorwaardelijke verplichting niet verder hoeft te strekken dan zoals deze in artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels is opgenomen.

Het betoog faalt.

Bodemverontreiniging

14. [appellant] betoogt dat de kans op bodemverontreiniging door de afwatering van [belanghebbende] ten onrechte niet is onderkend. Hij stelt dat de milieuregelgeving ten aanzien van het aspect bodemverontreiniging in zoverre in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. [appellant] wijst in dit kader op de artikelen 3.24 en 3.25 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze artikelen zien op het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen en op het voorkomen van het verontreinigen van te lozen hemelwater met toegepaste gewasbeschermingsmiddelen afkomstig van deze motorvoertuigen en werktuigen.

14.1.1. De artikelen 3.24 en 3.25 van het Activiteitenbesluit milieubeheer hebben een zelfstandige werking. De naleving van deze artikelen behoeft niet in een bestemmingsplan te worden vastgelegd. Voor zover [appellant] verwijst naar de uitspraak van de voorzitter van 3 juli 2013 in zaak nrs. 201302088/1/R4 en 201302088/2/R4, overweegt de Afdeling dat in die zaak is geoordeeld dat het stemgeluid van op de speelplaats aanwezige kinderen en het geluid afkomstig van bezoekersverkeer in de situatie die in die zaak aan de orde was, op grond van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h, onderscheidenlijk artikel 2.18, derde lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing blijven bij het bepalen van de daar bedoelde geluidniveaus. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de raad evenwel in het kader van de vereiste belangenafweging rekening te houden met stemgeluid en het geluid afkomstig van bezoekersverkeer. Daarover gaat het in dit geval niet.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat geen invulling van het plan mogelijk is waarbij aan de desbetreffende normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan. In zoverre ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

15. Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.3, 9.2 en 10.4 is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

16. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe, met inachtneming van de overwegingen 7.3, 9.2 en 10.4 het besluit te wijzigen door alsnog te onderbouwen dat het plan bijdraagt aan de versterking en het behoud van het Nationale Landschap Drentsche Aa, en daarmee te motiveren dat voldoende rekening is gehouden met het belang ruimte voor behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke waarden, alsmede te motiveren dat ter plaatse van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, danwel een nieuwe planregeling vast te stellen voor de gronden in het plangebied, waarbij te denken valt aan een maatbestemming voor [belanghebbende].

Bij de voorbereiding van een eventueel nieuw of gewijzigd besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

17. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Aa en Hunze op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overwegingen 7.3, 9.2, 10.4 en 16 de daar omschreven gebreken in het besluit van 20 november 2013 te herstellen;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

472-731.