Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201308511/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/23
Milieurecht Totaal 2015/5945
ABkort 2015/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308511/1/R4.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V., gevestigd te Heerlen, en andere (hierna: DSM),

2. [appellant sub 2], wonend te Delft,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Delft,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben DSM, [appellant sub 2] en [appellante sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

DSM, [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2014, waar DSM, vertegenwoordigd door M.G.I.A. van Haastert en mr. T. van Eyck, bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann en mr. J.C. van Oosten, beiden advocaat te Amsterdam, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door L.H.H. Bissegger, bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actueel juridisch planologisch kader voor het bedrijventerrein in het noorden van Delft. DSM is eigenaar van een groot deel van het westelijke en het centrale deel van het bedrijventerrein. [appellante sub 3] is eigenaar van het meest oostelijke deel van het bedrijventerrein.

Het beroep van [appellant sub 2]

2. De raad en DSM stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Daarbij stellen zij dat [appellant sub 2] op een te grote afstand woont van het bedrijf van DSM. DSM voert aan dat uit de ligging van de woning van [appellant sub 2] buiten de contour van 0,5 OUE/m3 als 98 percentiel kan worden afgeleid dat als gevolg van het plan ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] slechts in een zeer beperkt aantal uren per jaar een concentratie waarbij 50% van een geurpanel geur met zekerheid kan onderscheiden van geen geur, wordt overschreden. De raad voert aan dat de afstand aanzienlijk ruimer is dan de indicatieve richtafstanden zoals gehanteerd in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). De gestelde geuroverlast is volgens de raad en DSM dan ook onvoldoende objectief bepaald. Voorts stellen zij dat de echtgenote van [appellant sub 2], die volgens [appellant sub 2] gezondheidsklachten van de geur ondervindt, beroep had moeten instellen. Een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) kan niet slagen, nu de eis van belanghebbendheid een gerechtvaardigde beperking is van het recht op toegang tot de rechter, aldus de raad.

2.1. [appellant sub 2] woont op een afstand van ongeveer 1.170 m van de grenzen van het plangebied en het terrein van DSM. Vanuit zijn woning aan [locatie] te Delft heeft [appellant sub 2] geen zicht op de betrokken percelen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 2] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat hij hinder ondervindt van de gistgeur die door DSM wordt uitgestoten. Hierin zijn echter geen feiten of omstandigheden gelegen in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de afstand van meer dan 1 km een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 2] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Gezien de geringe kans op voor een geurpanel waarneembare geur als gevolg van het plan ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van het plan hinder van enige betekenis ondervindt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, in zaak nr. 201402260/1/A3). Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat zijn echtgenote hinder en gezondheidsklachten van de geur ondervindt, overweegt de Afdeling dat deze, wat daar van zij, niet kunnen leiden tot het aannemen van een persoonlijk belang van [appellant sub 2]. Door of namens de echtgenote van [appellant sub 2] is geen beroep ingesteld.

2.2. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het in strijd is met artikel 6 van het EVRM om hem op grond van het vorenstaande niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 januari 2010 in zaak nr. 200903949/1/H2), mag het recht op toegang tot de rechter worden beperkt en is dat niet in strijd met artikel 6 van het EVRM mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. Door de eis te stellen dat [appellant sub 2] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb alvorens ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep in te kunnen stellen, is aan deze vereisten voldaan. De wetgever heeft de eis van belanghebbendheid gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen.

2.3. De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge

artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van DSM

Bestuurlijke lus

3. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Intrekking beroepsgrond

4. Bij nadere memorie heeft DSM haar beroepsgrond inzake het Besluit externe veiligheid inrichtingen ingetrokken.

Ontvankelijkheid

5. Het beroep van DSM voor zover gericht tegen de vaststelling van de artikelen 13 tot en met 15 van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep zal in de einduitspraak in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

Toetsingskader

6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Planbegrenzing

7. DSM betoogt dat ten onrechte de zogeheten Zuidpunt niet is opgenomen in het plan. Volgens DSM dient de begrenzing van het plangebied samen te vallen met de begrenzing van de inrichting zoals aangegeven in de omgevingsvergunning voor milieu van 29 mei 2001, met inachtneming van de melding van DSM van 18 juli 2011, die op 6 september 2011 door het college van gedeputeerde staten is geaccepteerd, waar de Zuidpunt wel binnen valt.

Volgens DSM is er door het niet opnemen van de Zuidpunt in het plan geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Dat de Zuidpunt nu deel uitmaakt van het bestemmingplan "Spoorzone Delft" vindt zijn achtergrond in de omstandigheid dat DSM een deel van de Zuidpunt aan ProRail heeft verhuurd als werkterrein voor het project Spoorzone Delft. Na afloop van de huurperiode zal dit terrein weer aan DSM worden opgeleverd en aan het terrein van DSM worden toegevoegd. Het betrekken van de Zuidpunt in het plan leidt volgens DSM niet tot belemmering van het project Spoorzone.

Verder bestaat door het niet opnemen van de Zuidpunt en het niet toekennen daaraan van de hoogste milieucategorie passend bij de omgeving volgens DSM strijd met artikel 8, derde lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening). In dit verband voert zij aan dat de gronden van de Zuidpunt, evenals haar gronden binnen het plangebied, op kaart 6 bij artikel 8, derde lid, van de Verordening worden aangewezen voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving. DSM wijst daarbij op een brief van het provinciebestuur, waarin is gesteld dat conform het provinciaal beleid terreinen voor bedrijven uit de hogere milieucategorieën behouden moeten blijven en dat daarmee in strijd wordt gehandeld als ontwikkelingen die DSM heeft voorzien in haar strategische visie "DSM in Delft: dat werkt!" niet mogelijk worden gemaakt. DSM betoogt dat de strategische visie, waar de raad zich achter heeft geschaard, ervan uitgaat dat de Zuidpunt onderdeel wordt van de productiesite DSM@Work.

Bezien vanuit de Verordening, de eigendomssituatie, de inrichtingsbegrenzing, het toekomstige gebruik conform de strategische visie en het historische gebruik, bestaat volgens DSM een zodanige samenhang tussen de Zuidpunt en het wel opgenomen deel van haar terrein, dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

7.1. De raad stelt dat er met betrekking tot de planbegrenzing geen verplichting bestaat om alle gronden die in eigendom zijn van één partij in één plan op te nemen. Volgens de raad vinden op de Zuidpunt al jaren geen activiteiten van DSM plaats. Dit houdt verband met het feit dat ter plaatse een spoortunnel wordt gerealiseerd. Het bestemmingsplan "Spoorzone Delft" is op 23 februari 2006 door de raad vastgesteld, op 17 oktober 2006 door het college van gedeputeerde staten goedgekeurd en voor zover van belang onherroepelijk geworden. In dit plan heeft de Zuidpunt de bestemmingen "Groenvoorzieningen", "Verkeersdoeleinden" en "Spoorwegdoeleinden" gekregen. De raad stelt dat ProRail ten behoeve van onder meer de spoortunnel en het bedieningsgebouw gronden heeft aangekocht en deze niet zal terugleveren aan DSM. Wel bevat het plan "Spoorzone Delft" een regeling om de bouw van een nieuw kantoorgebouw mogelijk te maken. Daarvoor heeft DSM echter geen concreet bouwplan ingediend. De raad wijst er verder op dat DSM geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Spoorzone Delft".

De raad stelt voorts dat er wat de planbegrenzing betreft geen strijd met de Verordening bestaat. Weliswaar staat het hele terrein van DSM op kaart 6, maar de aanwijzing op kaart 6 is grofmazig van aard. Zo is ook het spoortracé tussen DSM-west en DSM-oost op de kaart aangewezen, terwijl daar evident geen bedrijven zijn beoogd. Voorts volgt uit artikel 8, derde lid, van de Verordening geen verplichting om de op kaart 6 aangewezen terreinen in één plan te betrekken. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat op de gronden bij de spoortunnel die weer ter beschikking komen aan DSM de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving weer wordt toegestaan als de spoorfunctie is gerealiseerd. De verwijzing naar de reactie van het provinciebestuur is volgens de raad niet van belang, nu dit een reactie op een eerdere versie van het voorontwerpplan betrof, die niet zag op de planbegrenzing.

Ten slotte stelt de raad dat de omstandigheid dat DSM in haar strategische visie heeft aangegeven dat zij wenst dat de Zuidpunt onderdeel wordt van de productiesite DSM@Work onvoldoende reden is om de Zuidpunt in het plangebied van dit plan te betrekken. Van een instemming daarmee door de raad is evenmin sprake, aldus de raad.

7.2. Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Verordening moeten bestemmingsplannen voor gronden die zijn gelegen op bedrijventerreinen (zoals aangeduid op kaart 6) bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein mogelijk maken, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die mogelijk zijn op grond van een onherroepelijk bestemmingsplan of de provinciale structuurvisie. De toelichting van het bestemmingsplan moet hierover een verantwoording bevatten.

7.2.1. Het betoog van DSM dat de Zuidpunt ten onrechte buiten het plangebied valt, moet worden geacht te zijn gericht tegen de vaststelling van de plangrens. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) komt de raad beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

De Zuidpunt valt binnen de begrenzing van de inrichting in de aan DSM verleende omgevingsvergunning voor milieu. Een groot deel van de gronden is in eigendom van DSM. Een belangrijk deel van de gronden was ten tijde van de vaststelling van het plan echter niet in gebruik bij DSM, maar bij ProRail in verband met het realiseren van een spoorfunctie. De raad heeft onweersproken gesteld dat het deel van de gronden dat wordt gebruikt om daarop de spoorfunctie te realiseren niet binnen de planperiode zal worden teruggeleverd aan DSM. Niet gebleken is dat DSM concrete initiatieven heeft met betrekking tot gronden van de Zuidpunt. Dat DSM in haar strategische visie van 2009 heeft aangegeven dat zij wenst dat de Zuidpunt onderdeel wordt van de productiesite DSM@Work is in dit verband onvoldoende.

De omstandigheid dat de zuidelijk gelegen gronden volgens de Verordening tot het op kaart 6 bij artikel 8, derde lid, van de Verordening aangewezen terrein voor bedrijven van de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving behoren, brengt niet mee dat de planbegrenzing in strijd met het recht is. In deze bepaling is geen opdracht tot een bepaalde planbegrenzing opgenomen, maar een regel op grond waarvan een bestemmingsplan dat ziet op gronden die zijn gelegen op bedrijventerreinen zoals aangeduid op kaart 6, bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving mogelijk moet maken. Verder stelt de Afdeling vast dat de brief van het provinciebestuur een reactie op een voorontwerp was en niet zag op de planbegrenzing, maar op de conserverende aard van het betrokken voorontwerpplan.

Gelet op het vorenstaande heeft DSM niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige ruimtelijke samenhang tussen de Zuidpunt en de gronden in het plangebied, dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Evenmin bestaat op grond van hetgeen DSM heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de planbegrenzing anderszins in strijd is met het recht.

Het betoog faalt.

Uitbreiding bouwvlak ter hoogte van de Watertorengracht

7.3. DSM betoogt dat het bouwvlak ter hoogte van de Watertorengracht naar het oosten richting het water dient te worden uitgebreid. Deze gronden betreffen een onbebouwde kade van de Watertorengracht. Volgens DSM is het wenselijk om het bouwvlak aldus uit te breiden, nu extra bebouwing bijdraagt aan de afscherming van emissies. Bovendien is, indien bestaande bebouwing wordt gesloopt, nieuwe bebouwing alleen nog mogelijk onder het overgangsrecht, nu deze buiten het bouwvlak komt te liggen. Ter zitting heeft DSM verder betoogd dat de aanwijzing als hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving tevens met zich brengt dat in het plan zo groot mogelijke bouwvlakken dienen te worden toegelaten.

7.3.1. De raad stelt dat zich ter plaatse in de afgelopen jaren geen concrete ontwikkelingen hebben voorgedaan en dat hier evenmin concrete bouwplannen zijn voorzien. Bij de keuze voor de bouwvlakgrens is uitgegaan van de bestaande rooilijnen langs de oostkant van het terrein. Binnen dat bouwvlak is een bouwhoogte toegestaan van 25 m. Indien zou worden toegestaan dat tot aan het water wordt gebouwd, zou dit een ingrijpende wijziging van de bestaande historische en deels monumentale structuur tot gevolg hebben. Dit zou er voorts toe leiden dat de bewoners van de tegenoverliggende woonboten op een afstand van tussen de 14 m en 18 m geconfronteerd worden met bebouwing van 25 m hoog. Ook voor de woning aan de Watertorengracht zou de uitbreiding leiden tot onaanvaardbare hinder. Het thans toegekende bouwvlak en de daarbinnen toegestane bouwhoogte van 25 m bieden volgens de raad voldoende mogelijkheden om bebouwing te realiseren die zou kunnen bijdragen aan de afscherming van emissies. Bovendien zijn de gronden binnen het bouwvlak nog niet volgebouwd, waarmee tevens plaats bestaat voor het groter herbouwen van gesloopte bebouwing. Overigens is de sloop van de genoemde bebouwing niet aannemelijk nu aan deze bebouwing een monumentale status is toegekend, aldus de raad.

7.3.2. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

DSM heeft ter zitting toegelicht dat de gewenste uitbreiding ten tijde van de vaststelling van het plan tot uiting kwam in de strategische visie. De Afdeling overweegt dat op grond hiervan ten tijde van de vaststelling van het plan niet is gebleken van een concreet plan waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had behoren houden. Tevens is niet gebleken van bestaande bebouwing die buiten het bouwvlak valt.

De omstandigheid dat de gronden ter hoogte van de Watertorengracht volgens de Verordening tot het aangewezen terrein voor bedrijven van de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving behoren, brengt niet noodzakelijkerwijze mee dat een groter bouwvlak diende te worden toegekend. De Afdeling ziet in hetgeen DSM heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat met het toegekende bouwvlak geen recht wordt gedaan aan de verplichting tot het toestaan van de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om uitbreiding van het bouwvlak ter hoogte van de Watertorengracht tot het water bij recht toe te staan.

Het betoog faalt.

Advies- en instemmingsrechten

7.4. DSM betoogt dat de raad in artikel 27, lid 27.2, aanhef en onder a, van de planregels een adviesrecht in plaats van een instemmingsrecht van het Hoogheemraadschap had moeten opnemen voor het geval de bestemming "Waterstaat - Waterkering" wordt geschrapt. Daarbij wijst DSM op andere planregels waarbij tevens een adviesrecht en geen instemmingsrecht is opgenomen.

7.4.1. Met betrekking tot artikel 27, lid 27.2, aanhef en onder a, van de planregels stelt de raad dat een instemmingsrecht passend is, gelet op de taken en verantwoordelijkheden van het Hoogheemraadschap ten aanzien van de waterkering.

7.4.2. Ingevolge artikel 27, lid 27.2, aanhef en onder a, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" wijzigen in die zin dat de bestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd indien de waterkering wordt verplaatst, bescherming niet meer noodzakelijk is en het Hoogheemraadschap met de wijziging heeft ingestemd.

7.4.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201105458/1/R4 overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Dit artikel ziet uitsluitend op toedeling van een wijzigingsbevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders. Het past niet in het stelsel van de Wro dat een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat waarbij het gebruik van die bevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande instemming van het Hoogheemraadschap.

In hetgeen DSM heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 27, lid 27.2, onder a, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro. Het betoog slaagt.

Bedrijven en bedrijfs- en functiegebonden kantoren

7.5. DSM betoogt dat in de planregels ten onrechte onvoldoende duidelijk is verwoord dat op de gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein - 1" is toegekend meerdere bedrijven kunnen worden gevestigd en dat bij de bedrijven meerdere bedrijfs- en functiegebonden kantoren kunnen worden gevestigd. Volgens DSM moeten de planregels en toelichting verduidelijkt worden zodat blijkt dat niet het aantal inrichtingen ter plaatse bepalend is, maar het aantal bedrijven, waardoor niet slechts één bedrijfsgebonden kantoor kan worden gevestigd en bij ieder bedrijf niet alleen bedrijfs-, maar ook functiegebonden kantoren kunnen worden gevestigd. De zienswijze is volgens haar op dit punt ten onrechte niet beantwoord. Artikel 1, lid 1.12 en lid 1.42, artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.3, onder e, lid 3.5, onder 3.5.4, aanhef en onder b en d, en lid 3.6, onder 3.6.2, aanhef en onder c, van de planregels, waarin de begrippen bedrijfs- en functiegebonden kantoren voorkomen, zijn volgens DSM voorts in strijd met de rechtszekerheid.

7.5.1. De raad stelt dat het begrip "bedrijf" niet gelijk dient te worden gesteld met het begrip "inrichting". Dit is volgens de raad reeds gemotiveerd aangegeven in de toelichting bij het plan. Volgens de raad blijkt dit tevens uit artikel 3, lid 3.1, onder a tot en met c, van de planregels. Op basis van dit onderscheid is volgens de raad tevens voldoende duidelijk dat bij ieder bedrijf functiegebonden kantoren zijn toegestaan. De raad verwijst daarbij naar de definities in artikel 1 van de planregels.

7.5.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.12, van de planregels wordt onder een bedrijf verstaan: een bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen, vervaardigen, herstellen en/of opslaan van producten, waaronder begrepen R&D en opschalingsactiviteiten, niet zijnde detailhandel, kantoor, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, hotel en horeca.

Ingevolge lid 1.13 wordt onder een bedrijfsgebonden kantoor verstaan: een deel van een ter plaatse gevestigd bedrijf waarbinnen administratieve en daarmee vergelijkbare activiteiten ten behoeve van het bedrijf worden uitgeoefend.

Ingevolge lid 1.42 worden onder functiegebonden kantoren verstaan: kantoren ten behoeve van ter plaatse gevestigde kennisintensieve bedrijven.

Ingevolge lid 1.53 worden onder kennisintensieve bedrijven verstaan: bedrijven, instellingen en instituten die uitsluitend of in hoofdzaak hoogwaardig onderzoek verrichten en/of technologisch hoogwaardige producten, productiewijzen en/of processen ontwikkelen, onderzoeken, vervaardigen, testen, evalueren of anderszins bewerken of verwerken.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Bedrijventerrein - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste tot en met derde lid, van het Besluit omgevingsrecht, kennisintensieve bedrijven en overige bedrijven;

b. functiegebonden kantoren;

c. bedrijfsgebonden kantoren.

7.5.3. De Afdeling stelt vast dat de raad in de beantwoording van de zienswijze heeft opgenomen dat het plan kantoren bij bedrijven toelaat. Dat de bedrijven onder een overkoepelende inrichting vallen is volgens de beantwoording niet van belang. Voorts is in de beantwoording van de zienswijze opgenomen dat het plan ondersteunende kantooractiviteiten ten behoeve van bedrijven toestaat en dat wanneer bedrijven onder één inrichting vallen, dat niet betekent dat maar één bedrijfsgebonden kantoor is toegestaan. De raad wijst hierbij op de plantoelichting. Derhalve kan de Afdeling DSM niet volgen in het betoog dat de raad op dit punt niet op de zienswijze van DSM is ingegaan.

Uit artikel 3, lid 3.1, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1.12, lid 1.13, lid 1.42 en lid 1.53, van de planregels volgt dat het plan op de gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein - 1" is toegekend, bij bedrijven en kennisintensieve bedrijven, bedrijfs- en functiegebonden kantoren toestaat. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de toelichting bij het plan is vermeld dat de bedrijven op het DSM-terrein in beginsel één inrichting vormen, maar dat dit niet betekent dat slechts één bedrijfsgebonden kantoor op het terrein mogelijk is; bedrijfsgebonden kantoren zijn toegestaan per bedrijf. Dat functiegebonden kantoren niet zijn genoemd doet hier niet aan af. Immers, het plan gaat voor functiegebonden kantoren, gelet op artikel 1, lid 1.42, gelezen in samenhang met lid 1.53 van de planregels, van eenzelfde systematiek uit als voor bedrijfsgebonden kantoren. In hetgeen DSM heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de door DSM bestreden planregels zich in zoverre niet verdragen met de rechtszekerheid.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 3]

8. [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met de beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar percelen in het oosten van het plangebied. De raad heeft de milieucategorie die in het voorheen geldende bestemmingsplan "Indische buurt" aan haar percelen was toegekend ten onrechte teruggebracht van categorie 4 naar een maatbestemming in combinatie met een bestemming voor categorie 3.1 voor het grootste deel van de percelen. De beperking is volgens [appellante sub 3] onvoldoende gemotiveerd, omdat enkel wordt verwezen naar toepassing van de VNG-brochure op de bestaande situatie, en geen onderzoek is gedaan naar gevaar of hinder in de huidige of toekomstige situatie. Volgens [appellante sub 3] wordt niet voldaan aan de eisen die de jurisprudentie van de Afdeling stelt aan een zodanige beperking, te weten dat deze moet zijn gebaseerd op redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen binnen de planperiode, het bedrijf door de maatbestemming niet in zijn mogelijkheden mag worden gehinderd en naast de maatbestemming een categorie moet gelden die één milieucategorie lager ligt. Omdat sprake is van een conserverend plan is volgens haar niet in geschil dat er geen redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen zijn die nopen tot een maatbestemming en een lagere milieucategorie. Verder wordt de milieucategorie voor een groot deel van het terrein zonder onderzoek met twee stappen verlaagd. [appellante sub 3] wenst de voorheen bestaande mogelijkheden te behouden voor het doorvoeren van veranderingen in de bedrijfsvoering, die naar verwachting binnen de planperiode zullen plaatsvinden.

8.1. De raad stelt dat hij zich bij de keuze om inwaarts te zoneren heeft gebaseerd op de VNG-brochure, hetgeen volgens hem verantwoord is. De percelen van [appellante sub 3] zijn gelegen in een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure, waar zowel bedrijvigheid als woonfuncties en andere milieuhindergevoelige functies zijn gesitueerd. Het toestaan van categorie 4-bedrijvigheid is hier, nu in ruime mate niet aan de afstand van 100 m zou worden voldaan, niet aanvaardbaar. Met het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - transportbedrijf / tankreiniging" als maatbestemming en het toekennen van de aanduiding "bedrijf t/m categorie 3.2" en "bedrijf t/m categorie 3.1" stelt de raad de bedrijfsactiviteiten zoals deze nu plaatsvinden als zodanig te hebben bestemd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat tevens nieuwe activiteiten die verband houden met de bestaande legale activiteiten binnen de maatbestemming zijn toegelaten. De raad noemt daarbij onder meer activiteiten met vrachtwagens met koelinstallaties en de opslag van brandstof. Het plan biedt verder ruime gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden voor [appellante sub 3]. Zo is het gehele bedrijfsperceel aangemerkt als bouwvlak met een toegestaan bebouwingspercentage van 80. Voorts kan het college van burgemeester en wethouders met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4, lid 4.4.1, aanhef en onder d, van de planregels bij omgevingsvergunning van het plan afwijken om bedrijvigheid van een hogere milieucategorie toe te staan. Er is volgens de raad dan ook voldoende rekening gehouden met de belangen van [appellante sub 3].

8.2. Blijkens de verbeelding zijn aan de gronden van [appellante sub 3] de bestemming "Bedrijventerrein 2" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - transportbedrijf / tankreiniging", alsmede voor het middendeel de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" en voor de omringende delen de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven;

c. een transportbedrijf met tankreiniging ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - transportbedrijf / tankreiniging".

Ingevolge lid 4.3.1 is de in lid 4.1 genoemde functie toegestaan, met dien verstande dat:

b. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf t/m categorie 3.1" uitsluitend bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 tot en met 3.1 van de Lijst van Bedrijfstypen zijn toegestaan;

c. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf t/m categorie 3.2" uitsluitend bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 tot en met 3.2 van de Lijst van Bedrijfstypen zijn toegestaan;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein − transportbedrijf / tankreiniging" tevens een transportbedrijf met tankreiniging is toegestaan.

Ingevolge lid 4.4.1, aanhef en onder b, kan het bevoegde gezag afwijken van:

het bepaalde in lid 4.3.1, sub b, om bedrijven uit categorie 3.2 en 4.1 van de Lijst van Bedrijfstypen mogelijk te maken;

het bepaalde in lid 4.3.1, sub c, om bedrijven uit categorie 4.1 en 4.2 van de Lijst van Bedrijfstypen mogelijk te maken;

het bepaalde in lid 4.3.1, sub a, b en c, om bedrijven toe te laten die niet genoemd worden in de Lijst van Bedrijfstypen.

8.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De raad heeft de in het voorheen geldende bestemmingsplan "Indische buurt" aan de betrokken percelen toegekende milieucategorie 4 gewijzigd naar een maatbestemming in combinatie met een bestemming voor de milieucategorieën 3.1 en 3.2.

De Afdeling overweegt dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - transportbedrijf / tankreiniging" ertoe strekt het bestaande transportbedrijf als zodanig te bestemmen, nu de omschrijving van deze maatbestemming overeenstemt met de situatie zoals die ter plaatse feitelijk is. Deze maatbestemming laat tevens ruimte voor daarmee verband houdende toekomstige activiteiten. De raad heeft in zoverre de gebruiksmogelijkheden van [appellante sub 3] niet beperkt.

In de VNG-brochure wordt voor bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4 in een gemengd gebied een afstand van 100 m ten opzichte van de woonbebouwing aanbevolen. Hieraan kan niet worden voldaan. Gelet hierop heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om in het plan geen nieuwe bedrijvigheid van categorie 4 mogelijk te maken, maar te werken met een inwaartse zonering.

Voor zover [appellante sub 3] betoogt dat zij binnen de planperiode de bedrijfsvoering verder wenst aan te passen dan met de hierboven bedoelde toekomstige activiteiten, overweegt de Afdeling dat, daargelaten dat [appellante sub 3] hiervoor geen concreet initiatief kenbaar heeft gemaakt, de raad ruime bebouwingsmogelijkheden aan de percelen van [appellante sub 3] heeft toegekend, alsmede een afwijkingsbevoegdheid heeft opgenomen, waarbij het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning ruimere mogelijkheden aan de gronden kan toekennen.

Het betoog faalt.

8.4. [appellante sub 3] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 3] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

9. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

10. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het plan te herstellen door met inachtneming van hetgeen in 7.4.3 is overwogen een andere planregeling vast te stellen voor artikel 27, lid 27.2, onder a, van de planregels, waarin geen instemmingsrecht voor het Hoogheemraadschap wordt opgenomen.

De raad dient de Afdeling en DSM de uitkomst van de uitvoering van de voormelde opdracht mede te delen en de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Proceskosten

11. Ten aanzien van DSM zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 3] ongegrond;

III. draagt de raad van de gemeente Delft naar aanleiding van het beroep van de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen is overwogen in 7.4.3 en 10 het daar omschreven gebrek te herstellen; en

- de Afdeling en de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere de uitkomst mede te delen en de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Hagen w.g. Kuipers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

271-808.