Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
201400501/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:9496, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit bouwen op de percelen [locatie 1[ en [locatie 2] te Hoek van Holland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6429

Uitspraak

201400501/1/A4.

Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoek van Holland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2013 in zaak nr. 13/3689 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland, thans het college van burgemeester en wethouders van Hoek van Holland (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit bouwen op de percelen [locatie 1[ en [locatie 2] te Hoek van Holland.

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J Geelhoed, advocaat te Naaldwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een constructie van aluminium staanders en liggers met zonwering op het dakterras boven de garages van de woningen [locatie 1] en [locatie 2]. Aan de constructie kan een doek worden bevestigd dat aan de achterkant en aan de zijkant kan worden neergelaten.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor de realisering van het bouwplan geen omgevingsvergunning is vereist.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

In artikel 2, aanhef en achtste lid, van bijlage II zijn vermeld: activiteiten die betrekking hebben op een zonwering aan of in een gebouw.

2.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betreft de constructie geen zonwering als bedoeld in artikel 2, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Bor, nu het gaat om een constructie op een gebouw. De in deze bepaling opgenomen uitzondering op de vergunningplicht is uitdrukkelijk beperkt tot zonweringen aan of in een gebouw. Nu het bouwwerk ook anderszins niet vergunningvrij is, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat het aanbrengen van de constructie niet in strijd is met het bestemmingsplan, aangezien uit de bouwvergunning voor de garages voortvloeit dat het gebruik van de bovenzijde van de garages als dakterras is toegestaan.

3.1. Ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan-in-onderdelen "Hoek van Holland Zuidelijk Stadscentrum I" (hierna: het uitbreidingsplan) rust op de percelen waarop het bouwwerk wordt aangebracht hoofdzakelijk de bestemming "Tuin". Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de in de artikelen 9 en 10 van de bij het uitbreidingsplan behorende bebouwingsvoorschriften. Het bouwplan is in dit opzicht dan ook in strijd met het uitbreidingsplan. Dat - zoals [appellant] stelt - het gebruik van de bovenzijde van de garages als dakterras op grond van de voor de garages eerder verleende bouwvergunning is toegestaan en in overeenstemming is met het uitbreidingsplan, maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat plaatsing van de constructie op de garages op grond van het in artikel 16, eerste lid, van de bebouwingsvoorschriften opgenomen overgangsrecht is toegestaan. Een deel van de garages is in strijd met het uitbreidingsplan. De rechtbank had de omvang van de constructie niet moeten vergelijken met de omvang van het dakterras, maar met die van de garages en de naastgelegen woningen. De aard van deze gebouwen wordt door het bouwplan niet gewijzigd, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de bebouwingsvoorschriften mogen de ten tijde van de vaststelling van het uitbreidingsplan bestaande gebouwen, die in strijd zijn met deze voorschriften, gedeeltelijk worden veranderd of gedeeltelijk worden vernieuwd en in bescheiden mate worden uitgebreid, mits daarbij de aard van deze gebouwen niet wordt gewijzigd.

4.2. Uit de bewoordingen van artikel 16, eerste lid, van de bebouwingsvoorschriften volgt dat het daarin opgenomen overgangsrecht uitsluitend betrekking heeft op gebouwen die vóór de vaststelling van het uitbreidingsplan zijn opgericht en in strijd zijn met deze voorschriften.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de garages met het dakterras of de naastgelegen woningen in strijd zijn met de bebouwingsvoorschriften en het in artikel 16, eerste lid, opgenomen overgangsrecht derhalve van toepassing zou zijn.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevend belang gehecht aan de bestaande zichtlijnen van achterliggende woningen op de Nieuwe Waterweg. Het uitbreidingsplan laat op een deel van de percelen gesloten bebouwing over twee bouwlagen toe, waardoor die zichtlijnen ook kunnen worden aangetast. Verder zijn de woningen reeds vóór de vaststelling van het uitbreidingsplan gebouwd, aldus [appellant].

5.1. Bij de beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te verlenen, komt het bevoegd gezag beleidsvrijheid toe. De rechter moet de beslissing daarover terughoudend toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot verlening of weigering van die vergunning heeft kunnen besluiten (zie onder meer de uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201310433/1/A1).

5.2. Het college heeft aan zijn weigering om de omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat plaatsing van de constructie op de garages zal leiden tot een aantasting van de oorspronkelijke opzet van de woningen met twee bouwlagen met daartussen liggende garages. Voorts heeft plaatsing van de constructie volgens het college ongewenste gevolgen voor de ruimtelijke opzet van de woningen en de bestaande zichtlijnen voor achterliggende woningen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college, gelet op deze toelichting, de vergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de zonwering in volle omvang dient te worden bezien. Verder kan het standpunt van [appellant] dat het uitbreidingsplan gesloten bebouwing over twee bouwlagen toestaat, niet worden gevolgd, nu het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat daarmee de in artikel 10 van de bebouwingsvoorschriften bedoelde gebouwhoogte wordt overschreden.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck,

lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

190-732.