Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201305481/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Maximabrug" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2014/69

Uitspraak

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht

201305481/1/R6.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te Alphen aan den Rijn,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Alphen aan den Rijn,

5. de stichting Stichting Landschappelijk Lint Lagewaard en Landlustweg (hierna: de stichting), gevestigd te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Rijnwoude,

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Alphen aan den Rijn,

7. de vereniging Vereniging Maak Het Hart Niet Hard (hierna: de vereniging), gevestigd te Alphen aan den Rijn,

8. de vereniging Bewoners Vereniging Groenoord, gevestigd te Alphen aan den Rijn, en [appellant sub 8A], wonend te Alphen aan den Rijn (hierna: BVG en [appellant sub 8A]),

9. [appellant sub 9], wonend te Alphen aan den Rijn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Maximabrug" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] en [appellant sub 9] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], [appellant sub 4], de stichting, de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] en [appellant sub 9] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, tezamen met zaak nr. 201305486/1/R6 en zaak nr. 201308294/1/R6, ter zitting behandeld op 3 oktober 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door N. Doelman, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. I.O. den Hollander, advocaat te Amsterdam, de stichting, vertegenwoordigd door N. Wamsteker, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. S. Essakkili, [appellant sub 4], eveneens bijgestaan door mr. S. Essakkili, de vereniging, vertegenwoordigd door P.A.H. Martens en P.Th. Beulink, [appellanten sub 6], BVG en [appellant sub 8A], vertegenwoordigd door S.T. van Vliet, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door F.C. Leenders, en de raad, vertegenwoordigd door R.A. Noorhoff, T.A.M. Massaro, M.J. Hagoort, L.N. de Jong, O. Luijpen, J.M. de Jong, A. van der Schans, allen werkzaam bij de gemeente, en W.P. Kaandorp, werkzaam bij de gemeente Rijnwoude, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van de raad, de stichting en [appellant sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan maakt de aanleg mogelijk van een extra oeververbinding over de Oude Rijn, de Maximabrug. Het plan maakt verder de herinrichting van bestaande wegen en kruispunten en de aanleg van nieuwe wegen mogelijk om de brug te ontsluiten.

Ontvankelijkheid

Belanghebbendheid

2. De raad betoogt dat de beroepen van de stichting, de vereniging en BVG en [appellant sub 8A], voor zover ingesteld door BVG, niet-ontvankelijk zijn. De stichting, de vereniging en BVG zijn volgens de raad geen belanghebbenden bij de vaststelling van het plan.

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

2.2. Voor de beantwoording van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbenden kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

2.3. Blijkens de statuten stelt de stichting zich onder meer ten doel het doen behouden van de in de gemeente Rijnwoude (Koudekerk) en deels in de gemeente Alphen aan den Rijn gelegen Lagewaard en Landlustweg en meer speciaal het behoud van het bebouwingslint, alsmede het behoud casu quo uitbreiding van het aan beide zijden van deze wegen grenzende agrarische en natuurlandschap, het doen behouden van het groen in de gebieden gelegen aan en in de nabijheid van de Lagewaard en de Landlustweg, het doen behouden van andere zich in de omgeving van de Lagewaard en Landlustweg bevindende essentiële elementen zoals de (agrarische) lintbebouwing, (erf)beplanting, lange zichtlijnen, het open polderlandschap en de verkavelings- en slotenstructuur die kenmerkend zijn voor dit landschapstype en het doen bevorderen van een gezond milieu in en om de Lagewaard en Landlustweg en in de nabijheid van deze wegen.

Deze doelstelling is gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het noordelijke deel van het plangebied ligt in de nabijheid van de Lagewaard en de Landlustweg.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de feitelijke werkzaamheden van de stichting bestaan uit het deelnemen aan overleg met de gemeente, bijvoorbeeld in de door de gemeente Rijnwoude ingestelde klankbordgroep "Uitbreiding industrieterrein Hoogewaard", het deelnemen aan inspraakprocedures en het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten met betrekking tot het gebied rond de Lagewaard en de Landlustweg. De Afdeling is van oordeel dat de stichting, gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij de vaststelling van het plan betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van de stichting niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4. De vereniging heeft geen statuten. Naar het oordeel van de Afdeling kan de vereniging echter wel worden aangemerkt als vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek, en derhalve als rechtspersoon. Volgens de missie van de vereniging, die op haar website is vermeld, steunt de vereniging in algemene zin het behoud van de resterende groene ruimte van het Groene Hart en ijvert zij in engere zin voor een groen en gezond leefklimaat voor alle burgers in Alphen aan den Rijn. In het bijzonder maakt de vereniging zich sterk voor behoud van het laatste stuk Groene Hart van Alphen aan den Rijn, namelijk de groene ruimte van de Gnephoek/Vrouwgeestpolder, van de Vierambachtspolder en in buurgemeente Rijnwoude de Landlustweg en Lagewaard. Volgens de missie houdt dit onder meer een bescheiden Maximabrug in en geen grote en geen kleine rondweg (bypasses). In het manifest dat eveneens op de website van de vereniging is geplaatst, wordt op enkele van deze punten nader ingegaan; daarbij is onder meer genoemd de aanleg van een kleine Maximabrug op het grondgebied van Koudekerk aan den Rijn, gemeente Rijnwoude, derhalve op een meer westelijk gelegen locatie dan waarin het plan voorziet.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de feitelijke werkzaamheden van de vereniging bestaan uit onder meer deelname aan overleg met de gemeente en zogeheten ontwerpateliers, deelname aan inspraakprocedures en het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten over het gebied, deelname aan acties en het indienen van petities.

De Afdeling is van oordeel dat de vereniging, gelet op haar doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij de vaststelling van het plan betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van de vereniging niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5. BVG stelt zich blijkens de statuten ten doel het behartigen van de belangen en het bevorderen van het woongenot van de bij de vereniging aangesloten leden, het in gezamenlijk overleg met de leden bevorderen van de leefbaarheid en het welzijn in de directe woonomgeving en het voeren van juridische procedures voor en namens de leden. Uit artikel 8 van de statuten volgt dat het lidmaatschap van BVG openstaat voor eigenaren en/of bewoners van een woning gelegen in of direct grenzend aan de wijk Groenoord in Alphen aan den Rijn.

Naar het oordeel van de Afdeling brengt BVG door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijk optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. In de door de BVG tot stand gebrachte bundeling van deze individuele belangen kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht. BVG kan derhalve als belanghebbende bij het bestreden besluit in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt.

In dat verband is van belang dat de individuele belangen van de leden van BVG, de bewoners van de wijk Groenoord, naar het oordeel van de Afdeling rechtstreeks bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Weliswaar ligt de wijk Groenoord op een afstand van ongeveer 1.250 m van het plangebied, maar op grond van de stukken, in het bijzonder het milieueffectrapport, kan ervan worden uitgegaan dat in Groenoord als gevolg van de aanleg van de Maximabrug een significante toename van de verkeersintensiteit is te verwachten. De raad heeft in dit verband naar voren gebracht dat de toename van het personenverkeer zal worden gecompenseerd door een afname van het vrachtverkeer, zodat de verkeerssituatie in Groenoord per saldo niet verslechtert. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit een aspect dat bij de inhoudelijke behandeling van de beroepen dient te worden beoordeeld. De Afdeling acht het gestelde compenserende effect niet op voorhand zo duidelijk, dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat ter plaatse van de wijk Groenoord geen nadelige gevolgen van de aanleg van de Maximabrug zijn te verwachten.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding het beroep van BVG en [appellant sub 8A], voor zover ingesteld door BVG, niet-ontvankelijk te verklaren.

Zienswijzen

3. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, voor zover het de beroepsgronden over de gevolgen van de verkeersbestemming voor de waterkering ter plaatse van zijn perceel en over de gevolgen voor het nationale landschap Groene Hart betreft, omdat [appellant sub 2] deze aspecten niet in zijn zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

3.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

3.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de door [appellant sub 2] aangevoerde beroepsgronden alle betrekking op de plandelen waarover hij een zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren heeft gebracht, namelijk de plandelen met de bestemmingen "Verkeer" en "Water - waterweg", gedeeltelijk met de aanduiding "brug", die tezamen de aanleg van de brug en de nieuwe wegen mogelijk maken. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van [appellant sub 2] in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Algemeen toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Crisis- en herstelwet

5. [appellant sub 2] voert aan dat noch uit het plan, noch uit de bekendmaking blijkt op grond waarvan de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is. De stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] bestrijden dat de Chw van toepassing is. BVG en [appellant sub 8A] betogen in dat verband dat de aanleg van de Maximabrug geen verband houdt met de integrale gebiedsontwikkeling in de Oude Rijnzone. Daarnaast betogen zij dat het project niet binnen de bedoelingen van de Chw past.

5.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In onderdeel A, onder 16, van bijlage II bij de Chw is het project Oude Rijnzone aangewezen als project als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid. Blijkens de omschrijving in bijlage II betreft dit project een integrale gebiedsontwikkeling met de focus op herstructurering van bedrijventerreinen. Volgens het MIRT-projectenboek 2009, p. 138, waarnaar in bijlage II bij de Chw wordt verwezen, is de Oude Rijnzone een van de transformatiegebieden in het Groene Hart en gaat het daarbij onder meer om de herstructurering en transformatie van bedrijfsterreinen en -ruimtes en de aanleg en opwaardering van infrastructuur. Centraal staat de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, het realiseren van ecologische en recreatieve verbindingszones en versterking van de economische functie, onder meer via verbetering van de bereikbaarheid. In de MIRT-projectenboeken 2011 en 2012 is bij het project Oude Rijnzone de aanleg van een nieuwe oeververbinding ten behoeve van de herstructurering, de Maximabrug, uitdrukkelijk vermeld.

Gelet hierop is het bestreden besluit, dat ertoe strekt de aanleg van de Maximabrug over de Oude Rijn en de daarmee samenhangende aanleg van nieuwe wegen en herinrichting van bestaande wegen mogelijk te maken, een besluit dat is vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van een in bijlage II bij de Chw aangewezen project. Afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw is daarom van toepassing op het bestreden besluit. De Afdeling ziet noch in de bewoordingen van artikel 1.1, eerste lid, van de Chw, in samenhang met de bijlagen, noch in de totstandkomingsgeschiedenis van de wet aanknopingspunten voor het oordeel dat bij het bepalen van de toepasselijkheid van de Chw kan worden betrokken of de met die wet in het algemeen beoogde doelstellingen met een bepaald project daadwerkelijk zullen worden bereikt.

De toepasselijkheid van de Chw vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Het betoog van [appellant sub 2] dat de raad in de plantoelichting of in de bekendmaking had moeten aanduiden waarom de Chw volgens hem van toepassing is, kan daarom geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit.

Procedureel

6. [appellant sub 2] betoogt dat het milieueffectrapport ten onrechte niet met het plan ter inzage is gelegd, terwijl het in de plantoelichting wel als bijlage bij het plan is vermeld.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Exploitatieplan

7. [appellant sub 2] voert aan dat de plantoelichting en de bekendmaking tegenstrijdig zijn. In de bekendmaking staat dat de raad heeft besloten geen exploitatieplan vast te stellen omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd, terwijl in de plantoelichting is vermeld dat geen sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). [appellant sub 9] voert aan dat het raadsbesluit onduidelijk is over de reden waarom geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

7.1. De raad stelt dat het plan geen aangewezen bouwplannen mogelijk maakt als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wro. Nu reeds daarom geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld, had in het raadsvoorstel en bij de bekendmaking van het bestreden besluit niet hoeven worden vermeld dat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

7.2. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) wordt als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, aangewezen een bouwplan voor:

a. de bouw van een of meer woningen;

b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;

c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;

d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;

f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

7.3. Het plan voorziet niet in een krachtens artikel 6.2.1 van het Bro aangewezen bouwplan, zodat geen verplichting bestond om een exploitatieplan vast te stellen. De raad heeft dan ook op goede gronden besloten geen exploitatieplan vast te stellen. In de plantoelichting is de juiste reden hiervoor vermeld. De enkele omstandigheid dat in het raadsvoorstel en in de kennisgeving van het bestreden besluit een andere reden is vermeld voor het niet vaststellen van een exploitatieplan, kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit, reeds omdat een onjuiste weergave in de kennisgeving een onregelmatigheid is van na de datum van het bestreden besluit, die de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten.

Het betoog faalt.

Rondweg

8. De stichting, [appellanten sub 6], de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] en [appellant sub 9] betogen dat het in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om de vaststelling van het bestemmingsplan voor de aanleg van de Maximabrug los te koppelen van de besluitvorming over de plannen voor een rondweg rond Alphen aan den Rijn. Volgens BVG en [appellant sub 8A] heeft de raad ten onrechte geen integrale afweging over de nieuwe brug en de rondweg gemaakt. [appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] betogen tevens dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat het plan geen duidelijkheid biedt over de beoogde invulling van de rondweg, terwijl de inrichting van de nieuwe brug met 2x2 rijbanen direct verband houdt met de aanleg van de rondweg. BVG en [appellant sub 8A] voeren in het bijzonder aan dat de raad in het plan meer duidelijkheid had moeten geven over de aansluitende wegen op de noordelijke oever.

8.1. Het plan heeft uitsluitend betrekking op de aanleg van de Maximabrug en enkele aansluitende wegen en maakt de aanleg van een rondweg rond Alphen aan den Rijn niet mogelijk. De raad heeft de rondweg niet in het plan opgenomen, omdat nog geen concrete besluitvorming over de aanleg van de rondweg heeft plaatsgevonden en omdat de rondweg waarschijnlijk niet binnen de planperiode zal kunnen worden gerealiseerd. Het tracé van de rondweg was bovendien ten tijde van de vaststelling van het plan volgens de raad nog slechts indicatief aan te geven. Wel is duidelijk dat als de rondweg inderdaad wordt gerealiseerd, de Maximabrug daarvan deel zal uitmaken.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de keuze van de raad om niet één bestemmingsplan vast te stellen voor de Maximabrug en de toekomstige rondweg tezamen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met de rechtszekerheid. Daarbij is mede van belang dat het in beginsel niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode van tien jaar zullen worden verwezenlijkt.

Het betoog faalt.

8.2. Voor zover beroepsgronden zijn aangevoerd die betrekking hebben op de rondweg als zodanig - zoals het nut en de noodzaak van een rondweg, de financiële haalbaarheid daarvan, het ontbreken van instemming van de provincie Zuid-Holland en de negatieve effecten van een rondweg op landschap en milieu -, stelt de Afdeling vast dat deze gronden niet zien op een ontwikkeling die door het thans ter beoordeling staande plan mogelijk wordt gemaakt. Deze gronden slagen reeds daarom niet.

Nut en noodzaak

9. [appellant sub 3], [appellant sub 4], de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] en [appellant sub 9] voeren aan dat de aanleg van de Maximabrug niet noodzakelijk is. Het doel van de nieuwe brug is volgens [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 9] de ontsluiting van zwaar verkeer van en naar het bedrijventerrein Hoogewaard en de omgeving van de Koudekerkse brug. Nu enkele grotere bedrijven met een verkeersaantrekkende werking uit dit gebied zijn verhuisd of zullen verhuizen, is de noodzaak voor de nieuwe brug niet meer aanwezig, aldus [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 9]. De stichting, [appellanten sub 6], de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] en [appellant sub 9] betogen dat een extra brede brug van 23 m breed en 2x2 rijbanen niet noodzakelijk is, omdat een extra brede brug alleen zinvol is als de rondweg rond Alphen aan den Rijn wordt gerealiseerd. Volgens de stichting is de aanleg van de rondweg niet binnen de planperiode te verwachten. BVG en [appellant sub 8A] betogen eveneens dat de rondweg niet zal worden gerealiseerd. De stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] voeren verder aan dat het nut en de noodzaak van de rondweg niet zijn aangetoond en dat de financiële middelen voor de aanleg van de rondweg ontbreken. Daarnaast betogen de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en [appellant sub 9] dat de raad bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van de Maximabrug van achterhaalde gegevens over de ontwikkeling van het verkeer is uitgegaan. Volgens hen zal er door onder meer vergrijzing, thuiswerken, de economische situatie en veranderend autogebruik in de toekomst minder verkeer zijn dan waarvan de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan. [appellant sub 9] voert voorts aan dat het maatschappelijk nut van de nieuwe brug de hoge kosten van de aanleg niet rechtvaardigt.

9.1. De raad acht de aanleg van de Maximabrug noodzakelijk vanwege de verbetering van de ontsluiting van het bedrijventerrein Hoogewaard, het bijdragen aan de ontsluiting van de woningbouwlocatie Rijnpark in Koudekerk aan den Rijn en het oplossen van verkeersonveilige situaties door vrachtverkeer in Koudekerk aan den Rijn, ook als de rondweg niet zou worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad reeds op deze gronden - en derhalve los van de vraag of in de toekomst een rondweg rond Alphen aan den Rijn wordt gerealiseerd - het nut en de noodzaak van een extra oeververbinding over de Oude Rijn in redelijkheid aanwezig kunnen achten.

Daarbij is allereerst van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds bedrijven met een belangrijke verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein Hoogewaard waren verhuisd of dat zij daartoe concrete voornemens hadden. Voorts heeft de raad onbetwist gesteld dat in de toekomst een uitbreiding van het bedrijventerrein Hoogewaard wordt voorzien, waarvoor thans een herziening van het bestemmingsplan wordt voorbereid. Daarnaast heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een permanente oeververbinding wenselijk is ter vervanging van de huidige pontonbrug voor de nachtelijke transporten van het bedrijf Spanbeton, onder meer omdat de pontons de Oude Rijn tijdens de transporten blokkeren. Verder is, anders dan de stichting ter zitting heeft betoogd, niet aannemelijk geworden dat de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Rijnpark met ongeveer 900 woningen geen doorgang zal kunnen vinden in verband met de milieubelasting van nabijgelegen bedrijven op de nieuw te bouwen woningen. In hetgeen de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en [appellant sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verkeersprognoses zodanige onjuistheden bevatten, dat de raad zijn standpunt over het nut en de noodzaak van een nieuwe brug daarop niet had kunnen baseren. In dat verband is tevens van belang dat uit het milieueffectrapport blijkt dat bij de prognose voor de autonome ontwikkeling van het verkeer rekening is gehouden met een aantal van de door de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en [appellant sub 9] genoemde factoren, waaronder de tegenvallende economische groei; een eerdere verkeersprognose is daarbij naar beneden bijgesteld.

De betogen falen.

9.2. Met betrekking tot de keuze van de raad voor een brug met 2x2 rijstroken overweegt de Afdeling het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van een nieuwe oeververbinding over de Oude Rijn geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de voorgenomen aanleg van een rondweg rond Alphen aan den Rijn, maar daaraan bij de keuze voor de maatvoering van de brug wel belang heeft gehecht. De noodzaak van een dubbelbaans brug na de aanleg van de rondweg is door de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] en [appellant sub 9] als zodanig niet bestreden. Voor zover zij hebben betoogd dat de raad ten onrechte is vooruitgelopen op de aanleg van een rondweg, terwijl die volgens hen nog onzeker is, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat weliswaar niet is te verwachten dat de rondweg binnen de planperiode van tien jaar zal zijn gerealiseerd, maar dat op langere termijn van de aanleg van de rondweg kan worden uitgegaan. De raad is voornemens de rondweg mogelijk te maken en heeft erop gewezen dat de rondweg inmiddels ook is opgenomen in de gemeentelijke structuurvisie "De stad van morgen. Structuurvisie Alphen aan den Rijn 2031", die op 11 juli 2013 - en derhalve na de vaststelling van het plan - is vastgesteld. De raad heeft verder toegelicht dat de brug een aanzienlijk langere levensduur heeft dan de planperiode van tien jaar en dat verbreding van een enkelbaans brug in een later stadium hoge kosten met zich brengt. Naar het oordeel van de Afdeling is dit uitgangspunt niet onredelijk. Dit betekent dat de raad er in redelijkheid toe heeft kunnen besluiten nu reeds een brug met 2x2 rijbanen mogelijk te maken.

De betogen falen.

Locatiekeuze en alternatieven

10. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] voeren beroepsgronden aan over de locatiekeuze en alternatieven voor de brug op de door de raad gekozen locatie.

10.1. In het milieueffectrapport zijn drie alternatieven onderzocht, genummerd 1A, 1B en 2. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad voor alternatief 1A gekozen.

10.2. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven voor de brug op de gekozen locatie. Volgens hen heeft de raad onvoldoende onderzocht welk alternatief de minste hinder voor omwonenden veroorzaakt.

[appellant sub 2] betoogt primair dat de raad ten onrechte de mogelijkheid van een tunnel in plaats van een brug niet nader heeft onderzocht. Subsidiair betoogt hij dat de raad voor alternatief 2 had moeten kiezen. Het gekozen alternatief 1A scoort volgens hem slechter op de aspecten externe veiligheid, cultuurhistorie en archeologie, landschap en duurzaamheid en klimaat. De raad heeft volgens [appellant sub 2] onvoldoende onderbouwd waarom hij desondanks voor alternatief 1A heeft gekozen en niet voor alternatief 2, dat in het milieueffectrapport als voorkeursvariant is aangemerkt. Voor zover de keuze voor alternatief 1A verband houdt met de verwachte milieueffecten op lange termijn, mede in verband met de geplande rondweg rond Alphen aan den Rijn, betoogt [appellant sub 2] dat deze effecten buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten. In dat verband stelt hij dat de ontwikkeling van de rondweg op veel punten nog onzeker is en dat de langetermijneffecten in het milieueffectrapport slechts zeer globaal zijn beschouwd.

[appellant sub 3], [appellant sub 4], de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging betogen dat de raad de effecten van de toekomstige rondweg rond Alphen aan den Rijn ten onrechte niet heeft onderzocht en in zijn belangenafweging heeft betrokken. De stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging wijzen er daarbij op dat bij de vormgeving van de brug en de wegen wel is uitgegaan van de aanleg van de rondweg.

[appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] betogen voorts dat de raad ten onrechte slechts alternatieven heeft beoordeeld waarin een hoge, dubbelbaans brug wordt gebouwd die kan worden aangesloten op een toekomstige rondweg. Alternatieven waarin een lagere en smallere brug is voorzien - die het landschap minder aantasten - zijn volgens hen ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Verder liggen de drie varianten die in het milieueffectrapport zijn onderzocht volgens [appellanten sub 6] en de vereniging te dicht bij elkaar. De stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging betogen dat de raad een locatie voor de brug had moeten kiezen die dichter bij de dorpskern van Koudekerk aan den Rijn ligt, onder meer omdat daarbij een minder grote aantasting van het landschap plaatsvindt. Volgens BVG en [appellant sub 8A] kan op een meer westelijk gelegen locatie een lagere brug worden aangelegd.

10.3. De raad stelt dat aanvankelijk vijf locaties zijn beoordeeld. In 2011 heeft hij, samen met de raad van de gemeente Rijnwoude, besloten twee van die locaties verder te onderzoeken. Alternatief 2 is daarbij als voorkeursalternatief aangewezen. Volgens de raad is alternatief 1A op lange termijn de meest geschikte variant, onder meer vanwege de aanleg van en de aansluiting op de toekomstige rondweg rond Alphen aan den Rijn. Indien in de toekomst een rondweg wordt aangelegd, hoeft namelijk bij dit alternatief - anders dan bij alternatief 2 - de Landlustweg niet te worden doorkruist. Voorts zijn volgens de raad de gevolgen voor het milieu bij alternatief 1A minder ernstig en zijn de kosten lager dan bij de voorkeursvariant. Ten aanzien van de hoogte van de brug stelt de raad dat de provincie als waterbeheerder van de Oude Rijn de eis heeft gesteld dat de doorvaarthoogte van de Maximabrug ten minste 5,5 m dient te bedragen. Daarnaast is een lage brug volgens de raad niet mogelijk vanwege de ongelijkvloerse kruisingen met de Hoorn en de Gnephoek, waarop voor de oeverwegen een minimale doorrijhoogte van 4,6 m moet zijn gewaarborgd. Een tunnelvariant is niet nader onderzocht, omdat deze in een eerder stadium vanwege de zeer hoge kosten reeds is afgevallen, aldus de raad.

10.4. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

10.5. Uit hetgeen hiervoor onder 9.2 is overwogen, volgt dat de raad bij de vaststelling van het plan, waarbij onder meer is besloten over de locatie en vormgeving van de Maximabrug, reeds rekening mocht houden met de gewenste realisatie van een rondweg, hoewel die op zichzelf niet binnen de planperiode is te verwachten. Daarbij is met name van belang dat de brug een aanzienlijk langere levensduur heeft dan de planperiode van tien jaar en dat kan worden aangenomen dat verplaatsing of verbreding van de brug op een later moment slechts tegen hoge kosten mogelijk is.

10.6. Het voorgaande betekent echter niet dat de raad bij de vaststelling van het plan reeds de gevolgen van de rondweg voor de omgeving had dienen te beoordelen. Het plan maakt de rondweg immers niet mogelijk. De gevolgen van de rondweg als zodanig zullen te zijner tijd moeten worden beoordeeld in het kader van het planologische besluit dat de rondweg mogelijk maakt. Het betoog van [appellant sub 3], [appellant sub 4], de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging dat de raad deze effecten reeds bij de vaststelling van het onderhavige plan had moeten betrekken, faalt derhalve.

10.7. Bij de voorbereiding van het plan zijn vijf locaties voor de nieuwe brug onderzocht, waarvan er in het milieueffectrapport twee nader zijn beoordeeld, namelijk de locaties 1 (met de varianten 1A en 1B) en 2. In het milieueffectrapport en het als bijlage daarbij gevoegde "Locatieonderzoek Maximabrug" van 22 februari 2011 is toegelicht waarom de westelijker gelegen locaties 3, 4 en 5 niet nader zijn onderzocht. De Afdeling ziet in hetgeen de stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij het nadere onderzoek in redelijkheid niet tot de alternatieven 1 en 2 had mogen beperken. Daarbij is onder meer van belang dat een brug op de meest westelijke locatie 5 volgens de raad een zodanige omrijdfactor heeft, dat de brug verkeerstechnisch voor het bebouwde gebied van Alphen aan den Rijn geen oplossing kan bieden voor de verkeersproblematiek op de lange termijn; dit geldt eveneens voor de door de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging bepleite nog verder westelijk gelegen locaties, die niet door de raad zijn onderzocht.

Voor zover is betoogd dat ook een lagere en/of smallere brug - al dan niet op een andere locatie - als alternatief had moeten worden onderzocht, stelt de Afdeling voorop dat in het milieueffectrapport is vermeld dat de provincie Zuid-Holland een doorvaarthoogte van ten minste 5,5 m eist. Het is niet aannemelijk gemaakt dat de provincie voor een meer westelijk gelegen locatie zal instemmen met een brug met een lagere doorvaarthoogte. Uit hetgeen hiervoor onder 9.2 reeds is overwogen, volgt bovendien dat de raad vanwege de op langere termijn voorgenomen aanleg van de rondweg in redelijkheid nu reeds heeft kunnen kiezen voor een brug met 2x2 rijbanen, mede gezien de hoge kosten die verbreding van een reeds gebouwde brug met zich zou brengen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het onderzoeken van alternatieven met een lagere of smallere brug over de Oude Rijn. Ook overigens ziet de Afdeling, mede gelet op het milieueffectrapport en het rapport "Locatieonderzoek Maximabrug", geen grond voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding van het plan onvoldoende onderzoek naar alternatieven heeft gedaan.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad een tunnel onder de Oude Rijn vanwege de daaraan verbonden hoge kosten in redelijkheid buiten beschouwing heeft kunnen laten als alternatief

Ten aanzien van de keuze tussen alternatief 1A en alternatief 2 komt uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren dat alternatief 1A op korte termijn weliswaar grotere nadelige effecten voor de omgeving heeft, maar op langere termijn, na aanleg van de rondweg, in dit opzicht niet ongunstiger is dan alternatief 2. Met name de aantasting van landschappelijke en cultuurhistorische waarden is volgens het milieueffectrapport bij alternatief 1A op langere termijn gunstiger dan bij alternatief 2, omdat de Landlustweg niet wordt doorsneden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de toekomstige aanleg van de rondweg in redelijkheid bij de locatiekeuze kunnen betrekken, nu deze weliswaar niet binnen de planperiode, maar wel binnen de levensduur van de nieuwe brug is voorzien. Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de raad bij de keuze voor alternatief 1A behalve de milieueffecten ook andere aspecten heeft betrokken, waaronder de kosten, die voor alternatief 1A lager zijn dan voor alternatief 2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid niet de voorkeur heeft kunnen geven aan alternatief 1A. Of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de keuze voor alternatief 1A zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening, zal hierna bij de behandeling van de afzonderlijke beroepsgronden nader worden beoordeeld.

De betogen falen.

Invulling van alternatief 1A

11. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de wijze waarop alternatief 1A in het plan is uitgewerkt. Hij betoogt dat de raad had moeten kiezen voor een invulling waarbij zijn gronden niet geheel door de gemeente hoeven te worden verworven. [appellant sub 2] wijst erop dat bij de voorbereiding van het plan ook een andere optie is onderzocht, die voorziet in aansluiting op de bestaande weg en waarbij niet alle grond van [appellant sub 2] nodig is. De woning aan de [locatie 1] zou dan kunnen blijven staan.

11.1. [appellant sub 2] is eigenaar en bewoner onderscheidenlijk mede-eigenaar van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Alphen aan den Rijn. Ten zuiden van de nieuwe keerlus wordt de bestaande Gnephoek verlegd in de richting van de Oude Rijn. Dit is de zogenoemde oeverweg. Ten behoeve van de aanleg van de oeverweg is in het plan aan de percelen [locatie 1] en [locatie 2] de bestemming "Verkeer" toegekend.

11.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de oeverweg als enige verbinding tussen Koudekerk aan den Rijn en Alphen aan den Rijn op de noordoever van grote waarde is voor het verkeerssysteem. Om redenen van verkeersveiligheid, milieu en financiën heeft de raad besloten de oeverweg aan te leggen en de Gnephoek daarmee te verleggen in de richting van de Oude Rijn. De woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] moeten daarvoor allebei worden verwijderd, aldus de raad. Volgens de raad is het voor de aanleg van de brug, aanlandingen en op- en afritten onmogelijk dat de woningen gehandhaafd blijven.

11.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Gnephoek in de bestaande situatie te smal is voor een veilige afwikkeling van het verkeer van en naar de Maximabrug. De raad heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten tot de aanleg van een oeverweg, waarbij de Gnephoek in de richting van de Oude Rijn wordt verlegd en verbreed. De Afdeling acht het niet aannemelijk gemaakt dat de Maximabrug en de aansluitende wegen op de gekozen locatie zodanig kunnen worden uitgevoerd, dat de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] behouden kunnen blijven, mede gelet op de vereiste breedte van de oeverweg en de ligging van de woningen ten opzichte van de huidige weg en de Oude Rijn. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft toekennen aan de belangen die met de aanleg van de nieuwe infrastructuur zijn gediend dan aan het belang van [appellant sub 2] bij het behoud van de woningen.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 4] voert aan dat de raad er ten onrechte voor heeft gekozen de aansluiting van de Maximabrug op het bestaande wegennet voor zijn woning te realiseren. Hij stelt zich op het standpunt dat de aansluiting beter op het kruispunt van de Eikenlaan en de Leidse Schouw kan worden gemaakt, omdat zich daar geen of minder geluidgevoelige objecten bevinden. Ook [appellant sub 9] betoogt dat de kruising van de Eikenlaan en de Leidse Schouw geschikter is voor de aansluiting op het bestaande wegennet dan de in het plan gekozen locatie, onder meer omdat dan in een betere aansluiting op de N11 wordt voorzien. Verder is een aansluiting ter hoogte van de Eikenlaan volgens [appellant sub 9] beter voor het behoud van Hoorn-West als gezichtsbepalende entree van Alphen aan den Rijn, met onder meer een aantal monumentale boerderijen, hoogwaardige kantoorpanden en karakteristiek groen.

[appellant sub 4] en [appellant sub 9] stellen verder dat de gemeente heeft laten weten dat de aansluiting op het bestaande wegennet na de realisatie van de rondweg rond Alphen aan den Rijn wel op de kruising van de Eikenlaan en de Leidse Schouw zal worden aangelegd. [appellant sub 4] en [appellant sub 9] betogen dat het in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om de weg niet nu al op de kruising van de Eikenlaan en de Leidse Schouw te laten aansluiten.

12.1. Het plan voorziet in een aansluiting van de nieuwe weg van en naar de Maximabrug op de Hoorn ter hoogte van de huidige T-splitsing van de Hoorn met de Leidse Schouw. De raad heeft daartoe besloten, omdat de route over de Hoorn en de Leidse Schouw naar de N11 in de huidige situatie zonder rondweg de doorgaande hoofdroute is en een hogere verkeersintensiteit heeft dan de nieuwe weg vanaf de Maximabrug. Een aansluiting op het kruispunt Eikenlaan - Leidse Schouw acht de raad op dit moment vanuit verkeerstechnisch oogpunt niet wenselijk, omdat daardoor een kruispunt met vijf takken zou ontstaan. Dat is in verband met de verkeersveiligheid en de doorstroming een onwenselijke situatie, aldus de raad.

Als in de toekomst een rondweg gerealiseerd wordt, wordt dat de doorgaande hoofdroute. De weg vanaf de Maximabrug, die deel zal uitmaken van de rondweg, wordt dan volgens de raad direct op de kruising met de Eikenlaan aangesloten. Na de realisatie van de rondweg verandert volgens de raad namelijk de functie van de Hoorn; de Hoorn wordt dan verkeersluw en het verkeer vanaf de Hoorn zal op de nieuwe hoofdroute moeten aantakken. Dat is echter binnen de planperiode nog niet aan de orde, aldus de raad.

De raad betoogt verder dat de realisatie van de brug met de beoogde aansluitingen niet in de weg staat aan een entree met hoge kwaliteit aan de Hoorn ter hoogte van de woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 9]. Het beeldregiedocument voorziet hier volgens de raad in.

12.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toevoeging van een vijfde tak aan het kruispunt Eikenlaan - Leidse Schouw in verkeerstechnisch opzicht niet aanvaardbaar is. De raad heeft er dan ook in redelijkheid voor kunnen kiezen de nieuwe weg van en naar de Maximabrug niet op deze plaats op het bestaande wegennet aan te sluiten, maar ter plaatse van de huidige T-splitsing Hoorn - Leidse Schouw. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad daarbij, anders dan bij de keuzes voor de locatie en de vormgeving van de brug, niet op de aanleg van de rondweg vooruit te lopen. In dat verband is allereerst van belang dat de aansluiting van de weg op het bestaande wegennet, anders dan de brug zelf, geen permanente constructie is met een levensduur van meerdere decennia die slechts tegen hoge kosten kan worden gewijzigd. Daarnaast zou de tijdelijke situatie met een kruispunt met vijf takken volgens de raad in dit geval een onaanvaardbare verkeerssituatie opleveren, die bovendien naar verwachting niet binnen de planperiode door de aanleg van de rondweg zal worden opgelost.

In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de Hoorn ter hoogte van de woning van [appellant sub 9] als entree van Alphen aan den Rijn zodanig zal worden aangetast, dat de raad er na afweging van alle belangen in redelijkheid niet toe heeft kunnen besluiten de nieuwe weg van en naar de Maximabrug op deze plaats op het bestaande wegennet aan te sluiten. De aanvaardbaarheid van de gevolgen van de aansluiting op het bestaande wegennet voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 9] zal voor het overige bij de behandeling van de beroepsgronden hierover worden beoordeeld.

De betogen falen.

Financiële uitvoerbaarheid

13. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 6], de vereniging, BVG en [appellant sub 8A] betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onzeker is.

[appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen dat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd; onder meer is volgens hen niet duidelijk of rekening is gehouden met de kosten voor de vergoeding van planschade.

Volgens [appellant sub 2] zijn de gegevens in de plantoelichting te summier en heeft de raad de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende onderbouwd. Onder meer is volgens [appellant sub 2] niet duidelijk hoe de verwerving van de gronden en de sanering van bodemverontreiniging op de Genielaan 1 worden bekostigd. Ook blijkt volgens hem niet uit de plantoelichting in hoeverre de bijdragen al zeker zijn.

BVG en [appellant sub 8A] voeren aan dat uit een bestuursovereenkomst tussen de gemeenten Alphen aan den Rijn en Rijnwoude en de provincie Zuid-Holland van 14 april 2005 blijkt dat de provincie alleen bereid is tot medefinanciering van de Maximabrug als een onderzoek naar de locatieaspecten van de Maximabrug en van een rondweg door de Gnephoek wordt verricht; een dergelijk onderzoek is volgens hen niet verricht of niet openbaar gemaakt. BVG en [appellant sub 8A] betogen tevens dat de provincie daarom niet tot medefinanciering van het project had kunnen besluiten.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan binnen de planperiode van tien jaar financieel uitvoerbaar is. Er is een raming gemaakt van de totale investeringskosten, waarin ook de kosten voor de aankoop van percelen en de vergoeding van mogelijke planschade zijn opgenomen. Volgens de raad zijn door onder meer de gemeenten Alphen aan den Rijn en Rijnwoude, de provincie Zuid-Holland, het bedrijfsleven en het Regionaal Investeringsfonds Oude Rijnzone voldoende middelen beschikbaar gesteld om de aanleg van de Maximabrug en de aanpassing van de infrastructuur te financieren. De bodemsanering van het perceel Genielaan 1 staat volgens de raad los van het project Maximabrug en komt niet ten laste van het budget voor dat project. De raad stelt verder dat de provincie is betrokken bij de totstandkoming van het plan. Het provinciebestuur heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht en heeft een financiële bijdrage toegekend voor het project. Hieruit leidt de raad af dat de provincie kan instemmen met de aanleg van de brug en dat het project niet in strijd is met provinciaal beleid.

13.2. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure niet ter beoordeling staat of de provincie, onder meer gelet op de bestuursovereenkomst, tot het toekennen van een financiële bijdrage aan de bouw van de Maximabrug heeft mogen besluiten. Ter beoordeling staat uitsluitend het besluit van de raad tot vaststelling van het plan. In dat verband dient te worden beoordeeld of de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar niet kan worden uitgevoerd.

Volgens de plantoelichting bedragen de totale geraamde investeringskosten voor het project € 49,7 miljoen. Daarvan is volgens de plantoelichting € 29,2 miljoen gedekt door onder meer bijdragen van de provincie, het Regionaal Investeringsfonds en het bedrijfsleven. De overige € 18,7 miljoen wordt bijgedragen door de gemeenten Alphen en Rijnwoude tezamen. Uit de stukken blijkt dat in het geraamde bedrag de kosten voor de aankoop van percelen en de vergoeding van mogelijke planschade zijn opgenomen. Voorts kan gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting worden aangenomen dat de bodemsanering aan de Genielaan 1 niet direct verband houdt met de aanleg van de Maximabrug en niet wordt betaald uit het budget voor de Maximabrug.

Uit de stukken blijkt verder dat de provincie Zuid-Holland € 10 miljoen bijdraagt aan het project. Ter zitting heeft de raad gesteld dat dit bedrag reeds gedeeltelijk is betaald. Volgens de raad heeft de provincie bij het toekennen van de bijdrage geen voorwaarden gesteld ten aanzien van een eventuele toekomstige rondweg. BVG en [appellant sub 8A] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde dat geen grote rondweg zal worden aangelegd, aan de toekenning van de bijdrage van de provincie zijn verbonden.

Voorts heeft de raad ter zitting desgevraagd verklaard dat de bijdragen van het bedrijfsleven ter grootte van € 2,9 miljoen per brief zijn toegezegd; als deze bijdragen niet worden betaald, zal de gemeente Alphen aan den Rijn deze bedragen uit de algemene middelen betalen. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk gemaakt dat dat niet mogelijk is. Daarbij is mede van belang dat de gemeente Rijnwoude volgens de plantoelichting een garantstelling heeft afgegeven voor de aanvullende bijdrage uit baathebbende locaties, waaronder het bedrijfsleven, ter grootte van € 2,9 miljoen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar niet kan worden uitgevoerd.

De betogen falen.

Aantasting woon- en leefklimaat

[locatie 1] en [locatie 2]

14. [appellant sub 2] is eigenaar en bewoner van [locatie 1] en mede-eigenaar van [locatie 2] te Alphen aan den Rijn. Hij vreest aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen, in het bijzonder door geluid- en lichthinder. [appellant sub 2] betoogt dat de raad onderzoek had moeten verrichten naar de geluid- en lichthinder ter plaatse van zijn percelen, omdat het gebruik voor wonen geheel of gedeeltelijk kan worden voortgezet.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de percelen van [appellant sub 2] niet in het akoestisch onderzoek hoefden te worden betrokken, omdat in het plan aan die percelen geen woonbestemming meer is toegekend. Om diezelfde reden kon volgens de raad ook onderzoek naar lichthinder op deze percelen achterwege blijven.

14.2. In het plan is aan de percelen [locatie 1] en [locatie 2] de bestemming "Verkeer" toegekend. Zoals hiervoor onder 11.3 is overwogen, heeft de raad deze bestemming in redelijkheid aan de percelen van [appellant sub 2] kunnen toekennen. Gelet hierop en gelet op het feit dat de woningen ten behoeve van de aanleg van de oeverweg zullen worden gesloopt, zodat het gebruik als woning ook niet op grond van het overgangsrecht kan worden voortgezet, hoefde de raad geen onderzoek te verrichten naar geluid- en lichthinder ter plaatse van deze woningen.

Het betoog faalt.

[locatie 3]

15. [appellant sub 1] en BVG en [appellant sub 8A] voeren aan dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] te Alphen aan den Rijn wordt aangetast. Zij vrezen met name aantasting van het uitzicht en geluidhinder door toename van de geluidbelasting. Daarnaast vreest [appellant sub 1] dat de aanleg van een rotonde leidt tot hinder door het inschijnen van licht in de woning. BVG en [appellant sub 8A] vrezen eveneens lichthinder.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het belang van de realisatie van de nieuwe infrastructuur zwaarder weegt dan het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 8A] bij het behoud van een onveranderd woon- en leefklimaat.

Het college van burgemeester en wethouders heeft op grond van de Wet geluidhinder een hogere waarde van 50 dB vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevel van [locatie 3]. Hiermee is volgens de raad een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Voorts worden geluidbeperkende maatregelen getroffen, waaronder het plaatsen van een geluidscherm ter hoogte van [locatie 3] en een verlaging van de maximumsnelheid op de Hoogewaard en de Gnephoek.

De raad stelt verder dat het geluidscherm een bijdrage zal leveren aan het voorkomen van lichthinder door inschijnende koplampen. Lichthinder vanaf de rotonde kan volgens de raad met beperkte maatregelen, zoals beplanting of bouwwerken van geringe hoogte, worden voorkomen. Het plan maakt deze voorzieningen mogelijk, aldus de raad.

15.2. Volgens het akoestisch onderzoek kan ter plaatse van [locatie 3] niet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is neergelegd. Voor de woning is op grond van artikel 83 van de Wet geluidhinder een hogere waarde vastgesteld van 50 dB. De rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van de hogere waarde staat in deze procedure op zichzelf niet ter beoordeling. De vastgestelde hogere waarde is lager dan hetgeen op grond van Wet geluidhinder maximaal toelaatbaar is. Volgens het akoestisch onderzoek kan, na plaatsing van een geluidscherm, aan deze waarde worden voldaan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat geluid betreft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

15.3. Met betrekking tot het uitzicht overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De aantasting van het uitzicht wordt voornamelijk veroorzaakt door het maximaal 3 m hoge geluidscherm dat ten oosten van [locatie 3] langs de keerlus en een deel van de rotonde zal worden aangelegd. Dit scherm is volgens de raad noodzakelijk om te voldoen aan de hogere waarde van 50 dB die voor [locatie 3] op grond van de Wet geluidhinder is vastgesteld.

Blijkens de tekening die de raad ter zitting heeft getoond, bedraagt de kortste afstand tussen het geluidscherm langs de nieuwe weg en de oostelijke gevel van de woning ongeveer 25 m. Ter hoogte van de rotonde zal het geluidscherm over een lengte van enkele meters in oost-westrichting worden geplaatst, waarbij de kortste afstand tot de gevel van [locatie 3] ongeveer 15 m bedraagt. De plaats van het geluidscherm op die tekening komt overeen met hetgeen is weergegeven in bijlage 2 van het akoestisch onderzoek "Geluidbeperkende maatregelen aan de nieuwe wegen. Bestemmingsplan Maximabrug te Alphen aan den Rijn" van 2 november 2012, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Hoewel de planregels de plaatsing van een geluidscherm op kortere afstand van de woning niet uitsluiten, heeft de raad ter zitting desgevraagd bevestigd dat het geluidscherm in overeenstemming met de getoonde tekening zal worden geplaatst.

15.4. Met betrekking tot lichthinder overweegt de Afdeling dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat het plan het treffen van maatregelen tegen het inschijnen van koplampen voldoende mogelijk maakt. Een van deze maatregelen is de plaatsing van een geluidscherm, aangezien dit scherm tevens de verlichting van de voertuigen afschermt. Nu de Wet geluidhinder eraan in de weg staat dat de weg zonder geluidscherm in gebruik wordt genomen, dient ervan te worden uitgegaan dat het geluidscherm wordt gerealiseerd. Daarnaast heeft de raad ter zitting verklaard dat het treffen van verdere maatregelen ter voorkoming van lichthinder in de contracten met de aannemer zal worden vastgelegd.

15.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich ter plaatse van [locatie 3] geen zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat voordoet, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

De betogen falen.

[locatie 4]

16. [appellanten sub 6] vrezen aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woning aan de [locatie 4] te Alphen aan den Rijn. In het bijzonder voeren zij aan dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door de toename van geluidhinder en door aantasting van het vrije uitzicht.

16.1. De raad stelt dat de geluidbijdrage vanwege de nieuwe wegen ter plaatse van [locatie 4] ten hoogste 42 dB bedraagt. Dit is ruim beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Ook is de geluidbelasting vanwege de nieuwe wegen aanzienlijk lager dan de geluidbelasting vanwege de bestaande wegen zoals de Landlustweg, aldus de raad.

Ten aanzien van de aantasting van uitzicht betoogt de raad dat is gekozen voor een variant waarbij de Landlustweg intact blijft. Er is onder meer een beeldregiedocument opgesteld ten behoeve van een verantwoorde inpassing van de brug en de wegen in het landschap. De raad acht het belang van de brug zo groot, dat hij de aantasting van het uitzicht aanvaardbaar acht.

16.2. [appellanten sub 6] hebben niet bestreden dat de geluidbelasting vanwege de nieuwe wegen ter plaatse van hun woning aanzienlijk lager is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Hoewel zij hebben gesteld dat er cumulatie optreedt met geluid afkomstig van het bedrijventerrein Hoogewaard, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk geworden dat die cumulatie zodanig is, dat wat betreft geluid geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

De aanleg van de nieuwe infrastructuur zal leiden tot enige aantasting van het vrije uitzicht vanuit de woning over het thans nog open polderlandschap. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen echter in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Er bestaat derhalve geen blijvend recht op een vrij uitzicht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het belang van de aanleg van de nieuwe brug en wegen zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellanten sub 6] bij behoud van hun vrije uitzicht. Daarbij betrekt de Afdeling dat de kortste afstand tussen de woning en de nieuwe infrastructuur ongeveer 150 m bedraagt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich ter plaatse van [locatie 4] geen zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat voordoet, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

Het betoog faalt.

Groenoord

17. BVG en [appellant sub 8A] voeren aan dat het woon- en leefklimaat in de wijk Groenoord in Alphen aan den Rijn zal worden aangetast door toename van de het verkeer in deze wijk als gevolg van de aanleg van de Maximabrug. Met name op de Churchilllaan en de Burgemeester Bruins Slotsingel is volgens hen een toename van de verkeersintensiteit van 30 tot 50% te verwachten. Volgens hen zijn de Churchilllaan en de Burgemeester Bruins Slotsingel en een deel van de Gnephoek en de Oudshoornseweg daarom ten onrechte buiten beschouwing gelaten in het akoestisch onderzoek en zijn de gevolgen voor het woon- en leefklimaat in de wijk Groenoord onvoldoende onderzocht.

17.1. Volgens de raad blijkt uit het verkeersonderzoek dat in de wijk Groenoord een verkeerstoename is te verwachten. Het gaat volgens hem echter om een toename van personenverkeer, die wordt gecompenseerd door een afname van vrachtverkeer. Volgens de raad is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder en hoefden de door BVG en [appellant sub 8A] bedoelde wegen daarom niet in het akoestisch onderzoek te worden betrokken. De gevolgen van het plan voor deze wegen zijn wel in het milieueffectrapport onderzocht, aldus de raad. Voorts worden maatregelen genomen om sluipverkeer vanuit het noorden richting de Maximabrug tegen te gaan. De raad acht de gevolgen van de aanleg van de nieuwe infrastructuur voor het woon- en leefklimaat daarmee aanvaardbaar.

17.2. Blijkens de plantoelichting is het akoestisch onderzoek uitgevoerd om het project aan de Wet geluidhinder te toetsen. De Wet geluidhinder bevat normen voor de aanleg van nieuwe wegen en reconstructies van bestaande wegen. Het plan maakt dergelijke ontwikkelingen mogelijk, maar op een zodanige afstand van de wijk Groenoord dat redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de geluidbelasting vanwege de nieuwe wegen of reconstructies in Groenoord hoger is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad Groenoord niet buiten beschouwing had mogen laten in het akoestisch onderzoek dat in het kader van de toetsing aan de Wet geluidhinder is uitgevoerd.

Nu het project tot een wezenlijke toename van het verkeer op enkele wegen in Groenoord kan leiden, dienden de geluideffecten wel in het kader van de goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht. Naar het oordeel van de Afdeling is dat bij de voorbereiding van het plan voldoende gebeurd, onder meer in het milieueffectrapport.

Gelet op hetgeen de raad naar voren heeft gebracht, heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat in de wijk Groenoord niet zodanig wordt aangetast, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Daarbij betrekt de Afdeling de voorgenomen verkeersmaatregelen die ter zitting door de raad zijn toegelicht. Bij het treffen van deze maatregelen, waaronder het instellen van een 30 km/uur-zone op de Gnephoek en het instellen van vrachtwagenverboden op enkele plaatsen, kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat het aantal vrachtwagenbewegingen op de Gnephoek afneemt, en daarmee ook het aantal vrachtwagenbewegingen vanaf de Gnephoek naar Groenoord en andersom.

Het betoog faalt.

[locatie 5]

18. [appellant sub 4] betoogt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 5] te Alphen aan den Rijn onevenredig wordt aangetast, met name door een toename van geluidhinder. Hij betoogt dat de raad ervoor had moeten kiezen de aansluiting van de Maximabrug op het bestaande wegennet op de kruising van de Eikenlaan en de Leidse Schouw te realiseren. Dat veroorzaakt een lagere geluidbelasting op zijn woning dan de in het plan opgenomen aansluiting ter hoogte van zijn woning. Daarnaast betoogt [appellant sub 4] dat er strijd zal zijn met de Wet geluidhinder en dat het plan daarom niet kon worden vastgesteld zonder maatregelen ter voorkoming of beperking van geluidhinder te treffen.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. De geluidbelasting op deze woning vanwege de te reconstrueren Leidse Schouw bedraagt, na het treffen van maatregelen, 53 dB. Hiervoor is een hogere waarde op grond van de Wet geluidhinder vastgesteld. De geluidbelasting vanwege de bestaande wegen Hoorn en Rijndijk is volgens de raad echter aanmerkelijk hoger, zodat de toename van de geluidbelasting vanwege de Leidse Schouw nauwelijks waarneembaar is.

18.2. Zoals hiervoor onder 12.2 reeds is overwogen, heeft de raad er om redenen van onder meer verkeersveiligheid in redelijkheid toe kunnen besluiten de nieuwe weg van en naar de Maximabrug ter hoogte van de huidige T-splitsing Hoorn - Leidse Schouw op het bestaande wegennet aan te sluiten.

Volgens het akoestisch onderzoek kan ter plaatse van [locatie 5] niet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is neergelegd. Voor de woning is op grond van artikel 83 van de Wet geluidhinder een hogere waarde vastgesteld van 53 dB. De rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van de hogere waarde staat in deze procedure niet ter beoordeling. De vastgestelde hogere waarde is lager dan hetgeen op grond van Wet geluidhinder maximaal toelaatbaar is. Het betoog dat in strijd met de Wet geluidhinder geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen, mist feitelijke grondslag, nu onder meer uit het akoestisch rapport blijkt dat op delen van de Hoorn en de Leidse Schouw een geluidarm wegdek wordt aangebracht. Bij de vaststelling van de hogere waarden is met deze maatregel rekening gehouden. Volgens het akoestisch onderzoek kan voor [locatie 5] na de toepassing van geluidarm asfalt aan de vastgestelde hogere waarde van 53 dB worden voldaan. [appellant sub 4] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Evenmin heeft [appellant sub 4] aannemelijk gemaakt dat de stelling van de raad dat de toename van de geluidbelasting vanwege de te reconstrueren Leidse Schouw nauwelijks waarneembaar is, onjuist is.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich ter plaatse van [locatie 5] geen zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat voordoet, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

Het betoog faalt.

[locatie 6]

19. [appellant sub 9] vreest aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 6] te Alphen aan den Rijn, in het bijzonder door toename van de verkeersdrukte en de daarmee samengaande geluidhinder. [appellant sub 9] voert tevens aan dat de raad ten onrechte heeft besloten tot het vaststellen van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op een aantal woningen aan de Hoorn. Hij stelt zich op het standpunt dat de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder niet mag worden overschreden, omdat daardoor het woon- en leefklimaat te zeer wordt aangetast.

19.1. De raad stelt dat zich bij de woning van [appellant sub 9] weliswaar een toename van de geluidbelasting zal voordoen, maar dat deze grotendeels wordt veroorzaakt door de autonome toename van het wegverkeer. Er zal volgens de raad geluidarm asfalt worden toegepast op de Leidse Schouw en delen van de Hoorn. Hierdoor neemt de geluidbelasting op de woningen aan de Hoorn af tot een aanvaardbaar niveau.

19.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

19.3. Voor [locatie 6] is geen hogere waarde op grond van de Wet geluidhinder vastgesteld. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder voor een aantal andere woningen aan de Hoorn staat in deze procedure niet ter beoordeling. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat ter plaatse van die woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, is de Afdeling van oordeel dat artikel 8:69a van de Awb op dit punt aan vernietiging van het plan in de weg staat. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen inhoudelijke bespreking.

19.4. Uit het akoestisch onderzoek leidt de Afdeling af dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de woning [locatie 6] na de toepassing van een geluidarm wegdek op delen van de Hoorn en de Leidse Schouw lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Aannemelijk is dat de toename van de geluidbelasting in het bijzonder wordt veroorzaakt door de autonome toename van het wegverkeer en slechts in beperkte mate door de aantakking van de nieuwe weg.

Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van de geluidbelasting ter plaatse van [locatie 6] geen zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

Het betoog faalt.

[locatie 7]

20. [appellant sub 3] vreest onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 7] te Hazerswoude-Rijndijk, in het bijzonder door toename van geluidhinder. Hij betoogt in dat verband tevens dat het onderzoek naar de geluidseffecten onjuist en onzorgvuldig is uitgevoerd. Ook betoogt hij dat er strijd zal zijn met de Wet geluidhinder en dat het plan daarom niet kon worden vastgesteld zonder maatregelen ter voorkoming of beperking van geluidhinder te treffen.

20.1. De raad heeft bij de vaststelling van het plan, na een afweging van de betrokken belangen, een groter gewicht toegekend aan het belang van de realisering van de nieuwe infrastructuur dan aan het belang van de voortzetting van het bestaande gebruik van de gronden van [appellant sub 3]. Met betrekking tot geluid stelt de raad dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] zal toenemen, maar dat die toename vooral wordt veroorzaakt door de autonome groei van het wegverkeer. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen is volgens de raad in dit geval niet verplicht, omdat alleen de aansluiting met het nieuwe wegennet fysiek wordt gewijzigd en die wijziging op meer dan 200 m afstand van de woning van [appellant sub 3] plaatsvindt. De Wet geluidhinder verplicht daarom niet tot het treffen van geluidreducerende maatregelen ter hoogte van [locatie 7], aldus de raad. Nu de toename van de geluidbelasting niet meer dan 3 dB bedraagt en voornamelijk wordt veroorzaakt door de autonome groei van het wegverkeer, acht de raad het treffen van geluidreducerende maatregelen ook niet nodig in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

20.2. De Afdeling stelt vast dat het plan in de directe omgeving van [locatie 7] geen nieuwe weg of reconstructie van een bestaande weg mogelijk maakt. De dichtstbijzijnde wijziging van de bestaande wegenstructuur waarin het plan voorziet, vindt plaats bij de aansluiting van de nieuwe weg van en naar de Maximabrug op de Leidse Schouw en de Hoorn. Zoals hiervoor onder 12.2 reeds is overwogen, heeft de raad er in redelijkheid toe kunnen besluiten de nieuwe weg ter hoogte van de huidige T-splitsing Hoorn - Leidse Schouw op het bestaande wegennet aan te sluiten.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de geluidbelasting op de woning [locatie 7] in het akoestisch rapport onvoldoende is onderzocht of op onjuiste wijze is bepaald.

Voor de woning [locatie 7] zijn geen hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder vastgesteld. Gelet op hetgeen in het akoestisch rapport is vermeld, kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat het plan op dit punt niet in strijd met de Wet geluidhinder is vastgesteld. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de raad zich vanwege de omvang van de toename van de geluidbelasting op de woning en vanwege de omstandigheid dat deze toename hoofdzakelijk door de autonome groei van het wegverkeer wordt veroorzaakt, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van [locatie 7] en dat van het treffen van geluidbeperkende maatregelen ten behoeve van die woning kan worden afgezien.

Het betoog faalt.

Verkeer

21. De stichting, [appellanten sub 6], de vereniging en BVG en [appellant sub 8A] voeren beroepsgronden aan over de toename van het verkeer in de omgeving van het plangebied en de gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid.

22. De stichting voert aan dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, zullen leiden tot een toename van het verkeer op en langs de cultuurhistorische linten Gnephoek, Hoogewaard en Landlustweg/Lagewaard. De dorpskern van Koudekerk aan den Rijn zal volgens haar eveneens meer hinder ondervinden. De stichting betoogt in dit verband ook dat de aanleg van een rondweg in de toekomst een nog grotere verkeerstoename zal veroorzaken. De raad heeft daarmee volgens haar bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening gehouden.

[appellanten sub 6] en de vereniging voeren aan dat de aanleg van de Maximabrug een sterke toename van de verkeersintensiteit op de Gnephoek zal veroorzaken. Hierdoor ontstaan volgens hen verkeersonveilige situaties. In het bijzonder noemen zijn in dat verband de ‘s-Molenaarsbrug, waar fietsers de rijbaan delen met autoverkeer.

22.1. De Afdeling stelt voorop dat de mogelijke toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de aanleg van de rondweg in deze procedure niet ter beoordeling staat, nu het plan de rondweg niet mogelijk maakt. Ter beoordeling staan dan ook slechts de gevolgen van de ontwikkelingen waarin het plan voorziet.

De raad heeft naar voren gebracht dat de aanleg van de Maximabrug geen gevolgen zal hebben voor de hoeveelheid verkeer over de Landlustweg en de Lagewaard, omdat die geen doorgaande wegen zijn. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Verder heeft de raad gesteld dat de verkeersoverlast in de dorpskern van Koudekerk aan den Rijn juist zal afnemen, omdat een vrachtwagenverbod zal worden ingesteld voor de kern van Koudekerk en de ’s-Molenaarsbrug en vrachtwagens daarom over de Maximabrug moeten rijden. De verkeersintensiteit op de Gnephoek zal volgens de raad afnemen, omdat voor deze weg een maximumsnelheid van 30 km/uur zal worden ingesteld en de Gnephoek daardoor minder aantrekkelijk wordt voor gemotoriseerd verkeer. Voorts heeft de raad gesteld dat vrachtwagenverboden op enkele plaatsen, waaronder de ’s-Molenaarsbrug, tot minder vrachtverkeer op de Gnephoek zullen leiden. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de omgeving van de Gnephoek, Hoogewaard, Landlustweg en Lagewaard en de dorpskern van Koudekerk aan den Rijn niet voor een zodanige toename van de verkeersintensiteit en verkeersonveilige situaties hoeft te worden gevreesd, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend belang had moeten worden toegekend. In dat verband is tevens van belang dat het gemeentebestuur indien nodig verdere maatregelen kan treffen ter bevordering van de verkeersveiligheid. In hetgeen de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad maatregelen in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan had moeten voorschrijven.

De betogen falen.

23. BVG en [appellant sub 8A] vrezen voorts nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid in de wijk Groenoord. Zij betogen in de eerste plaats dat in het verkeerskundig onderzoek dat bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd, de toename van de verkeersintensiteit op de Churchilllaan en de Burgemeester Bruins Slotsingel is onderschat. Volgens BVG en [appellant sub 8A] zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen ten onrechte alleen met een statisch verkeersmodel onderzocht. Zij stellen in dat verband dat er twee gelijkwaardige routes voor het vrachtverkeer bestaan en dat oponthoud door bijvoorbeeld brugopeningen op de ene route tot gevolg heeft dat het verkeer alsnog de andere route kiest. Hierdoor kan volgens hen de verkeersintensiteit in Groenoord sterker toenemen dan voorspeld.

Daarnaast betogen BVG en [appellant sub 8A] dat bij intensiever gebruik van de route Gnephoek-Churchilllaan-Burgemeester Bruins Slotsingel maatregelen nodig zijn om de verkeersveiligheid te waarborgen. Ook moet volgens hen worden onderzocht of de wegen op deze route breed genoeg zijn voor het intensievere verkeer.

23.1. Uit de stukken blijkt dat een toename van de verkeersintensiteit in de wijk Groenoord wordt verwacht als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Naar het oordeel van de Afdeling hebben BVG en [appellant sub 8A] niet aannemelijk gemaakt dat het in het verkeerskundig onderzoek gehanteerde verkeersmodel zodanige gebreken vertoont, dat de raad bij de vaststelling van het plan niet van de resultaten van dat onderzoek had mogen uitgaan. In het bijzonder is niet aannemelijk gemaakt dat op de alternatieve route zo veel vaker oponthoud ontstaat waardoor het verkeer alsnog de route via Groenoord kiest dan in de omgekeerde situatie, dat daardoor structureel een grotere verkeersintensiteit in Groenoord ontstaat dan in het onderzoek is berekend.

De raad heeft daarnaast gesteld dat maatregelen zullen worden genomen om sluipverkeer via de Gnephoek tegen te gaan, waaronder het instellen van een maximumsnelheid van 30 km/uur op de Gnephoek en de eerder genoemde vrachtwagenverboden op enkele wegen, die naar verwachting tot een vermindering van de hoeveelheid vrachtverkeer op de Gnephoek leiden. Indien nodig kan het gemeentebestuur verdere maatregelen treffen ter bevordering van de verkeersveiligheid in Groenoord. De Afdeling ziet in hetgeen BVG en [appellant sub 8A] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad dergelijke maatregelen reeds in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan had moeten voorschrijven, bijvoorbeeld door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in Groenoord geen zodanige verslechtering van de verkeersveiligheid is te verwachten, dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend belang had moeten worden toegekend.

Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

24. [appellant sub 1] voert aan dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, een toename van de concentratie zwevende deeltjes (fijnstof) in de lucht zullen veroorzaken, in het bijzonder in de omgeving van de woning aan de [locatie 3] te Alphen aan den Rijn. [appellanten sub 6] vrezen nadelige gevolgen van een toename van de concentratie zwevende deeltjes in de buurt van hun woning aan de [locatie 4].

[appellant sub 2] voert aan dat het nadere luchtkwaliteitsonderzoek, waarop de raad zich bij de vaststelling van het plan heeft gebaseerd, ten onrechte is beperkt tot drie wegvakken aan de Hoogewaard. Meer in het bijzonder voert hij aan dat zijn percelen ten onrechte niet in het luchtkwaliteitsonderzoek zijn betrokken. Deze percelen konden volgens hem niet buiten beschouwing blijven, nu het gebruik voor wonen geheel of gedeeltelijk kan worden voortgezet.

24.1. Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor de luchtkwaliteit. Dit is in de eerste plaats het luchtkwaliteitsonderzoek dat in het kader van de milieueffectrapportage door DHV is verricht. Vervolgens is op basis van nieuwe verkeersgegevens nader onderzoek naar de luchtkwaliteit verricht; de resultaten daarvan zijn vermeld in paragraaf 5.6 van de plantoelichting. Volgens de luchtkwaliteitsonderzoeken worden noch in de huidige situatie, noch na de realisatie van het project de wettelijke grenswaarden voor de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in de buitenlucht overschreden.

Naar het oordeel van de Afdeling kon nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse van de percelen van [appellant sub 2] achterwege blijven. Zowel uit het luchtkwaliteitsonderzoek bij het milieueffectrapport als uit de nadere berekeningen blijkt dat de concentraties NO2 en PM10 op alle onderzochte punten ruim onder de wettelijke grenswaarden blijven. In het luchtkwaliteitsonderzoek bij het milieueffectrapport zijn ook punten nabij de percelen van [appellant sub 2] onderzocht. De nadere berekeningen op basis van bijgestelde verkeersgegevens zijn uitsluitend uitgevoerd voor de wegvakken met een significante verkeerstoename; de percelen van [appellant sub 2] horen daar niet bij. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de Afdeling zonder specifiek nader onderzoek naar de percelen van [appellant sub 2] van worden uitgegaan dat zich ook ter plaatse van die percelen geen overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden zullen voordoen.

Voor het overige is de juistheid van de resultaten van de uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoeken door [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellanten sub 6] niet gemotiveerd bestreden.

De betogen falen.

Stiltegebied

25. De stichting voert aan dat de aanleg van de nieuwe brug en de aansluitende wegen zal leiden tot een toename van de geluidbelasting op het stiltegebied Lagewaardse polder.

25.1. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een gebied dat in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (hierna: de PMV) is aangewezen als milieubeschermingsgebied voor stilte. Het plangebied maakt zelf geen deel uit van dit stiltegebied en grenst daar ook niet aan. Noch de PMV, noch de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland bevatten regels die aan de aanleg van nieuwe wegen in de nabijheid van een milieubeschermingsgebied voor stilte in de weg staan. Volgens paragraaf 4.10.6 van de structuurvisie van de provincie Zuid-Holland, de "Visie op Zuid-Holland" (hierna: de provinciale structuurvisie) is het provinciale beleid voor stiltegebieden erop gericht alle nu stille gebieden stil te houden als belevingskwaliteit van het buitengebied. De stiltegebieden zijn volgens de structuurvisie (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 dB niet overstijgt.

De Afdeling overweegt dat de raad bij vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. De raad dient met dit beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad is in de plantoelichting ingegaan op de gevolgen van de aanleg van de Maximabrug en de nieuwe wegen voor het nabijgelegen stiltegebied. Daarbij heeft de raad gesteld dat het dichtstbijzijnde stiltegebied op voldoende afstand van het plangebied ligt en dat de geluiduitstraling van de Maximabrug in het stiltegebied niet merkbaar zal zijn; nader onderzoek of maatregelen acht de raad daarom niet nodig. De raad heeft derhalve rekening gehouden met het provinciale beleid met betrekking tot stiltegebieden.

Het betoog faalt.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

26. [appellant sub 2], de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging voeren aan dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het landschap.

In de eerste plaats betogen zij dat het plan in strijd is met het rijksbeleid en het provinciale beleid inzake de bescherming van het nationale landschap het Groene Hart. Volgens dat beleid zijn ruimtelijke ontwikkelingen in het Groene Hart mogelijk, mits de kernwaarden van het landschap worden behouden of versterkt. Volgens [appellant sub 2], de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging wordt ten onrechte niet in compensatie voor de aantasting van het nationale landschap voorzien.

Verder voert [appellant sub 2] aan dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 6 van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de verordening), omdat het plan leidt tot een aantasting van het veenweideverkavelingspatroon.

Daarnaast betogen de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging dat de aanleg van de Maximabrug en de bijbehorende ontsluitingswegen op de gekozen locatie leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke zichtlijnen rond de Gnephoek, de Vierambachtspolder, de Lagewaardse polder en het landschappelijk cultuurhistorisch lint Landlustweg/Lagewaard en tot het verdwijnen van het open polderlandschap. Bovengenoemde linten en polders maken volgens hen deel uit van het gebied Kaag/Oude Rijn, dat door de provincie Zuid-Holland in de nota Regioprofielen Cultuurhistorie Zuid-Holland als topgebied is aangewezen. Voorts betogen de stichting, [appellanten sub 6] en de vereniging dat de cultuurhistorische waarde van de monumentale boerderij Landlust wordt aangetast, omdat het zicht op de polder verdwijnt.

26.1. Met betrekking tot het beroep op strijd met artikel 6 van de verordening overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de verordening bevat een bestemmingsplan voor gronden die op kaart 13 zijn aangeduid als ‘veen(weide)gebied’ regels ter bescherming van het veenweideverkavelingspatroon.

Ingevolge het tweede lid voorzien de regels als bedoeld in het eerste lid in elk geval in een verbod op het dempen van lengtesloten en voor gebieden met een blokverkaveling in een verbod op het dempen van alle aanwezige sloten. Een uitzondering hierop is alleen mogelijk voor de aanleg van een dam over een slootlengte van maximaal 8 m (gemeten aan het maaiveld) of als sprake is van een groot maatschappelijk belang, mits het veenweideverkavelingspatroon niet in onevenredige mate wordt aangetast.

Uit kaart 13 bij de verordening blijkt dat een deel van het plangebied is aangewezen als veen(weide)gebied. Aangenomen kan worden dat voor de aanleg van de keerlus in het huidige veenweidegebied de demping van enkele lengtesloten noodzakelijk is, waardoor het bestaande veenweideverkavelingspatroon zal worden aangetast. Artikel 6, tweede lid, van de verordening staat daaraan naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet in de weg, aangezien met de aanleg van de nieuwe infrastructuur een groot maatschappelijk belang wordt gediend. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de toelichting bij artikel 6 van de verordening als voorbeeld van ontwikkelingen van groot maatschappelijk belang onder meer de aanleg van een weg wordt genoemd. Verder kan naar het oordeel van de Afdeling, gezien de oppervlakte van de keerlus in verhouding tot de oppervlakte van het gebied met een beschermenswaardig veenweideverkavelingspatroon ter plaatse, worden aangenomen dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het veenweideverkavelingspatroon. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan dan ook niet in strijd met artikel 6 van de verordening vastgesteld.

Het betoog faalt.

26.2. Met betrekking tot het beroep op het provinciale beleid wordt als volgt overwogen. Zoals hiervoor onder 25.1 is overwogen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar dient hij met dit beleid slechts rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In de plantoelichting, het milieueffectrapport en bij de beantwoording van de zienswijzen is ingegaan op de gevolgen van de aanleg van de Maximabrug en de aansluitende wegen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Groene Hart en de polders en bebouwingslinten in en rond het plangebied. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid inzake de bescherming van landschappelijke en cultuurhistorische waarden onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

26.3. Voor zover is betoogd dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening onvoldoende rekening heeft gehouden met de bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Groene Hart en de polders en bebouwingslinten in en rond het plangebied, overweegt de Afdeling het volgende. De raad erkent dat deze waarden door de aanleg van de nieuwe infrastructuur worden aangetast, maar acht deze aantastingen aanvaardbaar gelet op het belang van de realisering van de nieuwe infrastructuur. Daarnaast stelt de raad dat veel aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpassing van de nieuwe infrastructuur, onder meer via het beeldregiedocument, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. De raad wijst er ook op dat dat de cultuurhistorisch waardevolle Landlustweg niet wordt doorsneden. Voorts stelt de raad dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed betrokken is geweest bij de voorbereiding van het plan en ten aanzien van de cultuurhistorische waarden geen aanleiding heeft gezien een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van de landschappelijke waarden in en rond het plangebied niet zo ernstig is, dat daaraan een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die met de aanleg van de nieuwe infrastructuur worden gediend.

Het betoog faalt.

Weidevogelgebieden

27. [appellant sub 2] voert aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het provinciale beleid inzake weidevogelgebieden. Uit dit beleid volgt volgens hem dat bij aantasting van een weidevogelgebied compensatie dient plaats te vinden.

27.1. Het provinciale beleid met betrekking tot weidevogelgebieden is neergelegd in paragraaf 4.8.4 van de structuurvisie. Het beleid is gericht op de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, zoals aangewezen op kaart 4.8.4 en de Functiekaart behorende bij de structuurvisie. In paragraaf 4.8.4 van de structuurvisie is onder meer vermeld dat in de belangrijke weidevogelgebieden geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen zijn toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn; in dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade - fysiek of financieel - gecompenseerd worden.

Zoals hiervoor onder 25.1 is overwogen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar dient hij met dit beleid slechts rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Uit de Functiekaart leidt de Afdeling af dat een deel van het plangebied is gelegen in of nabij een belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in de structuurvisie. Uit de stukken, in het bijzonder de plantoelichting en het milieueffectrapport, blijkt dat de raad rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor de weidevogels in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Daarnaast heeft de raad onweersproken gesteld dat het plan in overleg met de provincie tot stand is gekomen en dat die op dit punt geen bezwaren naar voren heeft gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het provinciaal beleid inzake belangrijke weidevogelgebieden onvoldoende bij de belangenafweging is betrokken.

Het betoog faalt.

Archeologie

28. De stichting voert aan dat het plan ten onrechte geen beschermingsregime bevat voor archeologische waarden. Zij stelt in dat verband dat een deel van het plangebied een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Het plan is volgens de stichting op dit punt in strijd met de Nota Regels voor Ruimte van de provincie Zuid-Holland.

[appellant sub 2] voert aan dat uit het plan niet blijkt wat de resultaten zijn van het proefsleuvenonderzoek in het kader van archeologie en cultuurhistorie. Volgens hem is daarom onduidelijk of het plan op dit punt uitvoerbaar is. Voorts heeft [appellant sub 2] ter zitting betoogd dat ter plaatse van de dijk bij zijn woning archeologische waarden aanwezig zijn die door het plan onvoldoende worden beschermd.

28.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, voor zover van belang, houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

28.2. In het plan is aan een aantal gronden op de zuidelijke oever van de Oude Rijn een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden toegekend. Dit zijn de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie 1" en "Waarde - archeologie 2". In de artikelen 10 en 11 van de planregels zijn voor de gronden met deze dubbelbestemmingen regels opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden, waaronder een vergunningplicht voor een aantal nader omschreven werkzaamheden in de bodem die dieper gaan dan 25 onderscheidenlijk 50 cm onder het maaiveld, met daaraan verbonden een verplichting tot het verrichten van aanvullend onderzoek. Uit de stukken leidt de Afdeling af dat tot de gronden met deze dubbelbestemmingen in ieder geval de vindplaatsen 1a, 1b, 2 en 3 behoren als bedoeld in het verkennende archeologische onderzoek van RAAP Archeologisch Adviesbureau van 31 juli 2012, "Plangebied Maximabrug, gemeente Alphen aan den Rijn; een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)", dat bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd.

De raad is op grond van het milieueffectrapport, het verkennend archeologisch onderzoek en aanvullende proefsleuvenonderzoek - waarvan de belangrijkste resultaten in het verweerschrift zijn weergegeven - tot de conclusie gekomen dat er behalve de hiervoor bedoelde gronden in het plangebied geen andere locaties met beschermenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Dit geldt met name voor de noordoever van de Oude Rijn. In hetgeen [appellant sub 2] en de stichting hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 2] en de stichting niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen van het milieueffectrapport, het verkennend archeologisch onderzoek en het aanvullende proefsleuvenonderzoek op dit punt onjuist zijn. De stichting heeft bovendien niet vermeld welke concrete locaties het volgens haar betreft.

De betogen falen.

Belemmeringen voor agrariërs en recreatie

29. [appellanten sub 6] en de vereniging voeren aan dat de brug en de rondwegen een barrière vormen tussen de bestaande linten en het landschap. Dit heeft volgens hen tot gevolg dat agrariërs aan de Gnephoek en de Landlustweg worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, omdat de boerderijen aan de linten mogelijk worden afgesneden van de agrarische gronden.

[appellanten sub 6] en de vereniging voeren verder aan dat de brug en de toekomstige rondweg een barrière vormen tussen de bestaande linten en het landschap, waardoor het landschap minder goed bereikbaar wordt voor recreanten. De stichting voert aan dat de ontwikkelingen waarin het plan voorziet de recreatiemogelijkheden in het Groene Hart beperken.

29.1. [appellanten sub 6] en de vereniging hebben niet nader onderbouwd voor welke agrarische bedrijven en op welke wijze de aanleg van de in het plan voorziene wegen concreet leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering. Het is niet aannemelijk geworden dat de voortzetting van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven hierdoor in gevaar komt.

In hetgeen [appellanten sub 6], de vereniging en de stichting hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt zodanig ernstige belemmeringen opleveren voor de recreatie in het gebied, dat de raad daaraan bij de vaststelling van het plan een groter belang had moeten toekennen dan aan de realisatie van de nieuwe infrastructuur. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat van de bestaande bebouwingslinten alleen de Gnephoek als gevolg van het plan wordt veranderd en dat de Landlustweg en de Lagewaard niet worden doorkruist door de nieuwe wegen.

De betogen falen.

Waterkering

30. [appellant sub 2] voert aan dat onvoldoende vaststaat dat de verkeersbestemming voor zijn percelen geen afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige waterkering, ter bescherming waarvan in het plan de dubbelbestemming "Waterstaat - waterkering" aan de percelen is toegekend. De raad heeft hiernaar volgens hem te weinig onderzoek verricht. Dit geldt niet alleen voor het uitvoeren van de verkeersbestemming zelf, maar ook voor het verwijderen van de fundamenten van de te onteigenen bebouwing.

30.1. Artikel 12 van de planregels bevat voor de gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat - waterkering" voorschriften ter bescherming van de waterkering. Onder meer is in artikel 12, lid 12.4.1, van de planregels een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van de in die bepaling genoemde werken en werkzaamheden op en in de bodem. Uit artikel 12, lid 12.4.3, van de planregels volgt dat de vergunning alleen kan worden verleend als door de werken of werkzaamheden of de gevolgen daarvan de in artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder a, bedoelde waarden - te weten de aanleg, instandhouding en bescherming van de waterkering - niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Daarnaast blijkt uit de plantoelichting dat voor activiteiten die van invloed kunnen zijn op de waterkering of het waterpeil een vergunning of ontheffing is vereist op grond van de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Verder is in de plantoelichting vermeld dat de raad bij de voorbereiding van het plan overleg heeft gepleegd met het Hoogheemraadschap Rijnland en dat het hoogheemraadschap instemt met de voorstellen en werkwijze ten aanzien van de waterkwantiteit, op voorwaarde dat het als bevoegd gezag nauw wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het ontwerp en de uit te voeren maatregelen voor het watersysteem.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de regeling in de planregels de bescherming van de waterstaatkundige belangen, in het bijzonder het belang van de bescherming van de waterkering langs de noordoever van de Oude Rijn, voldoende verzekert. De Afdeling ziet bovendien geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen voor het functioneren van de waterkering.

Het betoog faalt.

Flora en fauna

31. De stichting en BVG en [appellant sub 8A] voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen voor de flora en fauna in en rond het plangebied. BVG en [appellant sub 8A] betogen dat de uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende vaststaat, omdat vóór de vaststelling van het plan niet is onderzocht of ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig zijn voor de uitvoering van het plan en of deze kunnen worden verleend. Het betreft volgens hen de kleine modderkruiper en de bittervoorn, die volgens het rapport "Quick scan plangebied Maximabrug te Alphen aan den Rijn" van bureau Waardenburg van 21 mei 2012 (hierna: de quickscan) in het plangebied voorkomen, en de groene glazenmaker (krabbenscheer), rugstreeppad, steenuil en enkele soorten vleermuizen, die volgens de quickscan mogelijk ook in het plangebied voorkomen.

31.1. De raad betoogt allereerst dat artikel 8:69a van de Awb, voor zover het BVG betreft, in de weg staat aan gegrondverklaring van het beroep op dit punt. Voor het overige stelt de raad zich op het standpunt dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Hij baseert zich daarbij op de quickscan.

31.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

31.3. Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

31.4. Volgens de quickscan komen de kleine modderkruiper en de bittervoorn voor in het plangebied en kunnen de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten voor deze soorten, door aantasting van het leefgebied en het doden van individuele exemplaren; er zullen volgens de quickscan echter geen negatieve effecten op de lokale en landelijke populatie zijn. In de quickscan worden mitigerende maatregelen aanbevolen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben BVG en [appellant sub 8A] niet aannemelijk gemaakt dat de mitigerende maatregelen die in de quickscan ten aanzien van de kleine modderkruiper en de bittervoorn zijn aanbevolen niet toereikend zijn.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich ten aanzien van de kleine modderkruiper en de bittervoorn in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

31.5. Ten aanzien van de groene glazenmaker, rugstreeppad, steenuil en vleermuizen overweegt de Afdeling het volgende.

Volgens de quickscan kunnen de groene glazenmaker - en de daarvoor van belang zijnde plantensoort krabbenscheer -, rugstreeppad, steenuil en verschillende soorten vleermuizen mogelijk in het plangebied voorkomen. Indien dat het geval is, kunnen de werkzaamheden mogelijk tot negatieve effecten voor deze soorten leiden. In de quickscan is geadviseerd nader onderzoek te doen naar het voorkomen van deze soorten. Het nadere onderzoek dat in de quickscan is aanbevolen, was echter ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet verricht. Nu de raad derhalve met betrekking tot deze soorten onvoldoende heeft onderzocht of de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en dient het in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

31.6. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten en overweegt daartoe het volgende.

31.6.1. Bij brief van 16 oktober 2013 heeft de raad het door Bureau Waardenburg opgestelde rapport "Inventarisatie beschermde soorten Maximabrug te Alphen aan den Rijn" van 15 oktober 2013 aan de Afdeling toegezonden. In dit rapport zijn de resultaten vermeld van het nadere onderzoek dat in opdracht van de raad is verricht naar het voorkomen van de groene glazenmaker en de krabbenscheer, rugstreeppad, steenuil en verschillende soorten vleermuizen in het plangebied. Volgens het rapport heeft het onderzoek geen waarnemingen opgeleverd van de krabbenscheer, de rugstreeppad en de steenuil. Effecten op deze soorten, en op de groene glazenmaker, kunnen daarom volgens het rapport worden uitgesloten. Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied vier soorten vleermuizen waargenomen, maar er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Alle waargenomen vleermuissoorten zijn volgens het rapport foeragerend in het plangebied aangetroffen, maar voor geen van de soorten is vastgesteld dat het plangebied als essentieel foerageergebied functioneert. Het rapport bevat aanbevelingen om het aanwezige foerageergebied zo veel mogelijk te behouden. Daarnaast is in het rapport vermeld dat de meervleermuis de Oude Rijn als vliegroute gebruikt en dat de uitvoering van het plan daarop negatieve effecten kan hebben. In het rapport zijn daarom mitigerende maatregelen opgenomen die de aantasting van de functie vliegroute voor de meervleermuis moeten voorkomen. Het betreft onder meer maatregelen met betrekking tot verlichting en het tijdstip waarop de aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd.

31.6.2. BVG en [appellant sub 8A] hebben de juistheid van de conclusies van het nadere onderzoek niet bestreden.

De stichting heeft in haar reactie op het rapport gesteld dat de steenuil in het plangebied voorkomt. Zij heeft in dat verband gewezen op vogeltellingen van de vogelwerkgroep Rijnwoude over de periode 2001 tot 2013. Daaruit blijkt volgens de stichting dat de steenuil in die periode herhaaldelijk in het gebied is waargenomen, waaronder drie keer in de eerste drie maanden van 2013. Nu artikel 11 van de Ffw niet het gehele leefgebied van de steenuil beschermt, maar slechts de vaste rust- en verblijfplaatsen, waaronder de jaarrond beschermde nesten, is met het enkele feit dat de steenuil in het gebied is waargenomen, niet gegeven dat bij de uitvoering van het plan de verbodsbepalingen uit de Ffw ten aanzien van de steenuil worden overtreden. Aantasting van niet met vaste rust- en verblijfplaatsen samenvallend foerageergebied van de steenuil valt slechts binnen de reikwijdte van artikel 11 van de Ffw, indien door de aantasting van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord, dat de steenuil deze plaatsen om die reden zal verlaten (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 18 mei 2011, nr. 201001013/1/R3, en 7 november 2012, nr. 201201434/1/A3). De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in het plangebied vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenuil bevinden of essentieel foerageergebied waarvan de aantasting zal leiden tot ernstige verstoring van de ecologische functionaliteit van buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen.

De stichting heeft voorts betoogd dat in oude agrarische bebouwing mogelijk ook verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Deze stelling heeft zij echter niet onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevinding van het rapport dat zich in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich op grond van het nadere onderzoek in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw ook ten aanzien van de groene glazenmaker, rugstreeppad, steenuil en vleermuizen op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

31.6.3. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Schade aan gebouwen

32. [appellant sub 1] vreest dat schade zal ontstaan aan de monumentale boerderij aan de [locatie 3] door trillingen als gevolg van bouwwerkzaamheden en zwaar verkeer. Hij wijst er in dat verband op dat de boerderij niet onderheid is.

[appellanten sub 6] vrezen dat schade zal ontstaan aan hun woning. Zij stellen dat hun woning is gebouwd op de oeverwal van de Oude Rijn en op staal is gefundeerd en daardoor gevoelig is voor verzakking. Verzakking zou volgens hen kunnen ontstaan door tijdelijke bemaling vanwege bouwwerkzaamheden. Daardoor kunnen volgens hen zettingen ontstaan met scheurvorming als gevolg. Verder kunnen trillingen door bouwactiviteiten en door toename van het verkeer op korte afstand van de woning schade veroorzaken, aldus [appellanten sub 6]. Deze effecten zullen volgens hen nog ernstiger worden na de aanleg van de rondweg, omdat daardoor de verkeersintensiteit verder toeneemt.

32.1. De raad stelt dat bij de aanbesteding en de bouw van de brug rekening zal worden gehouden met dit aspect. Er zullen nulmetingen worden uitgevoerd en tijdens de bouw wordt gemonitord of er wijzigingen ten opzichte van de nulsituatie optreden. De aannemer zal worden verplicht zoveel mogelijk trillingvrij te bouwen.

Ten aanzien van [locatie 3] stelt de raad dat aanvullend een studie naar mogelijke trillinghinder vanwege verkeer zal worden uitgevoerd. Als dat onderzoek aanleiding geeft tot aanpassingen, zullen volgens de raad maatregelen worden getroffen.

De woning van [appellanten sub 6] bevindt zich volgens de raad op zodanige afstand van de fundering van de brug en aangrenzende wegen, dat de kans op schade door trillingen minimaal is. Volgens de raad blijkt uit onderzoek dat door de ligging, vormgeving en technische uitvoering van de constructies trillingen als gevolg van verkeer, indien al waarneembaar, verwaarloosbaar klein zijn.

32.2. Uit de stukken komt naar voren dat de raad de mogelijke gevolgen van de trillingen vanwege bouwwerkzaamheden en vanwege het gebruik van de nieuwe weg zal monitoren en zo nodig maatregelen zal treffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat, voor zover zonder maatregelen schade aan zijn woning is te verwachten, in het kader van de uitvoering van het plan geen toereikende maatregelen kunnen worden getroffen om deze gevolgen tegen te gaan dan wel voldoende te beperken.

[appellanten sub 6] hebben niet aannemelijk gemaakt dat voor verzakking van hun woning als gevolg van tijdelijke bemaling moet worden gevreesd. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat de conclusies van het door de raad genoemde onderzoek naar schade door trillingen vanwege bouwwerkzaamheden en vanwege het gebruik van de nieuwe weg onjuist zijn. De mogelijke toename van trillingen als gevolg van de aanleg van een rondweg staat in deze procedure niet ter beoordeling, nu het plan geen rondweg mogelijk maakt.

De betogen falen.

Waardedaling

33. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellant sub 9] voeren aan dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt een waardedaling van hun woningen zullen veroorzaken. [appellanten sub 6] vrezen dat de aanleg van een rondweg zal leiden tot een nog verdere waardedaling.

[appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellant sub 9] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering van hun woningen als gevolg van het plan zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Voor zover [appellanten sub 6] vrezen dat de aanleg van een rondweg zal leiden tot een verdere waardedaling van hun woning, overweegt de Afdeling dat het plan de aanleg van een rondweg niet mogelijk maakt. De eventuele waardedaling die voortvloeit uit de aanleg van een rondweg, dient te worden beoordeeld in het kader van het planologische besluit dat in de aanleg van die rondweg voorziet.

Werkzaamheden

34. [appellant sub 9] stelt dat de gemeente al voor het einde van de beroepstermijn is begonnen met werkzaamheden ter verbreding van de Leidse Schouw na de kruising met de Hoorn. Deze werkzaamheden houden volgens hem verband met de aanleg van de Maximabrug en de aansluitende wegen die door het plan mogelijk worden gemaakt. [appellant sub 9] betoogt dat de gemeente niet met deze werkzaamheden had mogen beginnen voordat het plan onherroepelijk is geworden.

34.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond dient derhalve buiten inhoudelijke bespreking te blijven.

Herhaling zienswijzen

35. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en BVG en [appellant sub 8A] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en BVG en [appellant sub 8A] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

36. De beroepen van de stichting en BVG en [appellant sub 8A] zijn gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover geen nader onderzoek is verricht naar de effecten van de uitvoering van het plan voor de groene glazenmaker, de rugstreeppad, de steenuil en verschillende soorten vleermuizen. Zoals hiervoor onder 31.6.3 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd, in stand te laten.

De beroepen van de stichting en BVG en [appellant sub 8A] zijn voor het overige ongegrond. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 6], de vereniging en [appellant sub 9] zijn geheel ongegrond.

37. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat de beroepsgronden falen, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

Proceskosten

38. De raad dient ten aanzien van BVG en [appellant sub 8A] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover BVG en [appellant sub 8A] om vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand hebben verzocht, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is sprake indien de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. De kosten van advies bij het opstellen van een op eigen titel ingediend beroepschrift voldoen niet aan dit uitgangspunt.

Ten aanzien van de stichting is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 6], de vereniging en [appellant sub 9] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de Stichting Landschappelijk Lint Lagewaard en Landlustweg en de Bewoners Vereniging Groenoord en [appellant sub 8A] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 25 april 2013, kenmerk 2013/8293, voor zover geen nader onderzoek is verricht naar de effecten van de uitvoering van het plan voor de groene glazenmaker, de rugstreeppad, de steenuil en verschillende soorten vleermuizen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover dit is vernietigd, in stand blijven;

IV. verklaart de beroepen van de Stichting Landschappelijk Lint Lagewaard en Landlustweg en de Bewoners Vereniging Groenoord en [appellant sub 8A] voor het overige ongegrond;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], de Vereniging Maak Het Hart Niet Hard en [appellant sub 9] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij de Bewoners Vereniging Groenoord en [appellant sub 8A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.116,48 (zegge: elfhonderdzestien euro en achtenveertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de Stichting Landschappelijk Lint Lagewaard en Landlustweg en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de Bewoners Vereniging Groenoord en [appellant sub 8A] vergoedt, met dien verstande dat ten aanzien van de Bewoners Vereniging Groenoord en [appellant sub 8A] geldt dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

483.