Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4413

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201308139/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:4497, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 23 juli 2013 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308139/1/A2.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Assen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juli 2013 in zaak nr. 12/502 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 juli 2013 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2014, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.W. de Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Ter zitting is besloten de behandeling van de zaak aan te houden om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg het geschil tot een oplossing te brengen.

Bij brieven van 18 oktober 2014 en 21 oktober 2014 hebben respectievelijk [appellant] en het college bericht dat partijen daarin niet zijn geslaagd.

[appellant] en het college hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: de Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. [appellant] woont op het perceel [locatie] te Assen. Bij besluit van 5 november 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning op het perceel. Het bouwplan ziet, kort weergegeven, op het uitbreiden van de woning door het vergroten van de keuken op de begane grond en het toevoegen van een schuin aflopende verdieping op de bestaande berging. Deze uitbreiding is geprojecteerd direct tegen de grens van een naburig perceel.

Bij besluiten van 18 maart 2010, 10 november 2011 en 18 juni 2012 heeft het college het besluit van 5 november 2008 herroepen en de vrijstelling en bouwvergunning alsnog geweigerd.

3. Bij uitspraak van 29 maart 2011 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 maart 2010 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij uitspraak van 1 februari 2012 heeft de Afdeling het daartegen door het college ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Daarnaast is het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 10 november 2011 gegrond verklaard en is dit besluit vernietigd.

Bij uitspraak van 26 februari 2013 heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 18 juni 2012, waarbij het college opnieuw heeft geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, niet deugdelijk is gemotiveerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2005 in zaak nr. 200500885/1 heeft de rechtbank overwogen dat uit de beslissing op bezwaar opnieuw niet blijkt of het college heeft onderzocht of op grond van het bestemmingsplan ook zonder verlening van vrijstelling een bouwplan zou kunnen worden gerealiseerd met dezelfde nadelige gevolgen voor het aangrenzende perceel. Het college heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de buurman bij verlening van de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. De rechtbank heeft het besluit van 18 juni 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven, omdat [appellant] inmiddels een aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning voor een nieuw plan en heeft aangegeven de procedure voor het eerder ingediende bouwplan te willen beëindigen. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade.

4. Bij uitspraak van 23 juni 2013 heeft de rechtbank het college veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] gestelde ontwerpkosten inzake de aanpassingen van het oorspronkelijke bouwplan. Het verzoek om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het opstellen en uitvoeren van het nieuwe bouwplan heeft de rechtbank afgewezen, omdat [appellant] er zelf voor heeft gekozen het oorspronkelijke bouwplan niet langer te handhaven en zich te richten op de realisering van een nieuw bouwplan.

5. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om het college te veroordelen in de kosten voor het opstellen van het nieuwe bouwplan, legeskosten en de extra bouwkosten heeft afgewezen. Daartoe stelt hij dat de rechtbank heeft miskend dat deze kosten het gevolg zijn van de onrechtmatige besluitvorming. Doordat het college tot drie keer toe vrijstelling en bouwvergunning heeft geweigerd, zag hij zich genoodzaakt een nieuw bouwplan op te stellen dat volledig binnen het bestemmingsplan zou passen en zou voldoen aan de maatvoering van een uitbreiding hoofdgebouw zonder vrijstellingen.

5.1. [appellant] betoogt terecht dat een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het besluit van 18 juni 2012 en de kosten voor het opstellen van het nieuwe bouwplan, alsmede de meerkosten die de uitvoering daarvan met zich brengt ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan. Uit het besluit van 18 juni 2012 blijkt wederom niet of het college heeft onderzocht of op grond van het bestemmingsplan ook zonder verlening van vrijstelling een bouwplan zou kunnen worden gerealiseerd met dezelfde nadelige gevolgen voor het aangrenzende perceel. Na drie herhaalde onrechtmatige weigeringen had [appellant] redelijkerwijs geen andere keus dan het indienen van een nieuw bouwplan en kon onder die omstandigheden niet van hem worden verlangd dat hij zou doorprocederen over het oorspronkelijke bouwplan. Dat het college in 2009 [appellant] heeft medegedeeld dat hij conform het geldende bestemmingsplan diende te bouwen, neemt niet weg dat het college nooit heeft gemotiveerd waarom geen vrijstelling kon worden verleend ten behoeve van het oorspronkelijke bouwplan. Dat [appellant] eerst het oude bouwplan heeft aangepast in de hoop dat hij dat plan kon realiseren, onder meer in verband met de voor hem geringere kosten, kan hem, anders dan het college betoogt, niet worden tegengeworpen. Evenmin kan hem worden tegengeworpen dat hij niet voor een in financieel opzicht gunstigere oplossing heeft gekozen, nu, anders dan het college kennelijk betoogt, de plicht tot schadebeperking niet zo ver gaat dat hij zijn keuze uitsluitend moet laten bepalen door hetgeen het minst nadelig is voor het college.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarin heeft overwogen dat de kosten die betrekking hebben op het opstellen van het nieuwe bouwplan en de meerkosten van de realisering van dat plan ten opzichte van het oorspronkelijke plan, niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze niet het gevolg zijn van het besluit van 18 juni 2012. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college alsnog veroordelen in de kosten die betrekking hebben op het nieuwe bouwplan. Daartoe wordt als volgt overwogen.

6.1. De ontwerpkosten voor het nieuwe bouwplan bedragen € 3.546,20 en de legeskosten € 2.059,00. [appellant] heeft in de procedure bij de rechtbank door het overleggen van verschillende offertes aangetoond dat de meerkosten van het nieuwe bouwproject ten minste € 28.000,00 exclusief BTW bedragen. Volgens een in opdracht van het college uitgevoerde analyse van 4 september 2014 is het verschil in volume ten opzichte van het oude bouwplan 118,4 m3 en bedraagt de m3-prijs bij normale bouw 350 euro. De meerkosten van het nieuwe bouwplan bedragen derhalve € 41.440,00. Nu [appellant] ook voordeel heeft van de realisering van het nieuwe bouwplan, nu daarmee meer ruimte is gecreëerd ten opzichte van het oude bouwplan en aan het college heeft voorgesteld de meerkosten te delen, stelt de Afdeling de door [appellant] ten gevolge van de onrechtmatige besluitvorming geleden schade vast op € 26.325,20. Dat is € 3.546,20+€ 2.059,00+(€ 41.440,00:2).

6.2. Op grond van het voorgaande zal de Afdeling het college veroordelen aan [appellant] een bedrag van € 26.325,20 toe te kennen.

7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de van 23 juli 2013 in zaak nr. 12/502, voor zover daarin het verzoek om vergoeding van kosten die betrekking hebben op het nieuwe bouwplan is afgewezen;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Assen om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 26.325,20 (zegge: zesentwintig duizend driehonderdvijfentwintig euro en twintig cent);

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Assen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 110,48 (zegge: honderdtien euro en achtenveertig cent);

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Assen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

299.