Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201402314/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding supermarkt St. Rochusstraat 18-22" vastgesteld. Bij besluit van 5 februari 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Beide besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402314/1/R1.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

1. de raad van de gemeente Meerssen;

2. het college van burgemeester en wethouders van Meerssen,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding supermarkt St. Rochusstraat 18-22" vastgesteld. Bij besluit van 5 februari 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Beide besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Via Vastgoed B.V. en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2014, waar [appellanten], bijgestaan door mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat te Beek, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann en M.G.M. Cuijpers, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Via Vastgoed B.V. en anderen, vertegenwoordigd door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te Den Bosch, [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. De bestreden besluiten voorzien in de uitbreiding van een supermarkt op het perceel Sint Rochusstraat 18-22 te Bunde.

3. Met betrekking tot het betoog dat de coördinatieregeling van artikel 3.30 van de Wro onjuist is toegepast, nu de raad geen besluit als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro heeft genomen en het project niet voldoet aan artikel 4 van de Coördinatieverordening Gemeente Meerssen 2011 (hierna: Coördinatieverordening), overweegt de Afdeling als volgt. Met het vaststellen van de Coördinatieverordening heeft de raad een besluit als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro genomen. Het betoog mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag.

Dat niet is voldaan aan artikel 4 van de Coördinatieverordening is niet nader onderbouwd en ook ter zitting niet toegelicht. Reeds hierom kan dit betoog niet leiden tot het oordeel dat aan de bestreden besluiten in zoverre een gebrek kleeft.

Het betoog faalt voor het overige.

4. Voor zover [appellanten] betogen dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door hen niet te betrekken bij overleg en overeenkomsten tussen de huurder van het pand op het perceel Vliegenstraat 50-52 en de raad over het verplaatsen van de bedrijfsactiviteiten naar het perceel Sint Rochusstraat 18-22, overweegt de Afdeling dat de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure hiertoe niet verplicht en dat dit betoog derhalve geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan kan hebben.

Het betoog faalt.

5. Voor zover [appellanten] betogen dat het advies van de welstandscommissie ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen, overweegt de Afdeling dat hij gelet op hetgeen de raad daarover heeft medegedeeld niet aannemelijk acht dat het advies niet ter inzage heeft gelegen. Het betoog faalt.

6. [appellanten] betogen dat de ontwerp-omgevingsvergunning noch de omgevingsvergunning langs elektronische weg zijn gepubliceerd.

6.1. Ingevolge artikel 3.30, tweede lid, van de Wro is op de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking de procedure als beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32 van de Wro van toepassing.

In artikel 3.31, derde lid, aanhef en onder a, is vermeld dat op de voorbereiding van besluiten, bedoeld in artikel 3:31, eerste lid, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is met dien verstande dat de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van de Awb, tevens worden gedaan in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg.

In artikel 3:32 staat dat het college van burgemeester en wethouders de vaststelling van het in artikel 3.30, eerste lid, bedoelde bestemmingsplan, en de andere besluiten voor zover ten aanzien van deze besluiten gezamenlijk artikel 3.31, derde lid is toegepast, gelijktijdig bekendmaakt. Zij doen mededeling van deze besluiten in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg.

6.2. De Afdeling stelt vast dat van het voornemen van het college om de omgevingsvergunning te verlenen op de website van de gemeente Meerssen kennis is gegeven. De raad heeft ter zitting verklaard dat dit tijdig is geschied. In de niet nader onderbouwde stelling dat dit niet tijdig is geschied ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan artikel 3.31, derde lid, aanhef en onder a, van de Wro. Voorts is het besluit van 5 februari 2014 tot het verlenen van de omgevingsvergunning op de website van de gemeente Meerssen bekendgemaakt. Derhalve is voldaan aan artikel 3:32 van de Wro.

Het betoog faalt.

7. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte vermeldt dat het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, terwijl het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld, overweegt de Afdeling als volgt. In het besluit van 30 januari 2014 waarbij de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding supermarkt St. Rochusstraat 18-22" heeft vastgesteld, staat weliswaar dat het bestemmingsplan gewijzigd wordt vastgesteld, maar dit betreft naar het oordeel van de Afdeling een kennelijke verschrijving die niet tot rechtsonzekerheid leidt. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Het betoog faalt.

8. Voor zover het betoog van [appellanten] betrekking heeft op het perceel Vliegenstraat 50-52, overweegt de Afdeling dat in deze procedure het bestemmingsplan "Uitbreiding supermarkt St. Rochusstraat 18-22" zoals dit bij besluit van 30 januari 2014 is vastgesteld, voorligt en dat het perceel Vliegenstraat 50-52 daarin niet is opgenomen. Mocht een op dat perceel betrekking hebbend bestemmingsplan worden vastgesteld, dan staan daartegen rechtsmiddelen open.

9. [appellanten] betogen dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of in plaats van het verplaatsen van de supermarkt naar het perceel Sint Rochusstraat 18-22 en het aldaar uitbreiden van de supermarkt volstaan had kunnen worden met het uitbreiden van de huidige supermarkt op het perceel Vliegenstraat 50-52.

9.1. De raad stelt dat het perceel Sint Rochusstraat 18-22 planologisch de voorkeur heeft voor het uitbreiden van de supermarkt boven het perceel Vliegenstraat 50-52.

9.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft toegelicht dat ter plaatse van het perceel Sint Rochusstraat 18-22 reeds een supermarkt aanwezig is. Voorts stelt de raad dat hij streeft naar een concentratie van winkelvoorzieningen binnen het winkelgebied Sint Agnesplein en de Sint Rochusstraat en dat het uitbouwen van solitaire vestigingen van detailhandelsvoorzieningen of andere directe consumentgerichte dienstverlening elders binnen deze gemeentekern zoals in de Vliegenstraat niet wordt nagestreefd. De Afdeling overweegt dat de raad de voor- en nadelen van alternatieven voldoende in de afweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

10. [appellanten] betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Zij voeren aan dat onvoldoende is onderbouwd dat het plan met de uitbreiding van de bestaande supermarkt in een regionale behoefte voorziet.

10.1. Aan het plandeel ter plaatse van het perceel Sint Rochusstraat 18-22 is de bestemming "Centrum" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond;

b. dienstverlening, uitsluitend op de begane grond;

c. maatschappelijke doeleinden, uitsluitend op de begane grond;

d. kantoren, uitsluitend op de begane grond;

e. consumentverzorgende en kleinschalige ambachtelijke bedrijfjes, uitsluitend op de begane grond;

f. informatie en telecommunicatie doeleinden, uitsluitend op de begane grond;

g. verkeersvoorzieningen;

h. groenvoorzieningen.

Ingevolge lid 3.2.1 mogen op de voor "Centrum" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. gebouwen, geen woningen zijnde, ten behoeve van de in lid 3.1.1 genoemde doeleinden;

b. bijgebouwen,

en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen.

Ingevolge lid 3.2.2 mag in het bouwvlak in niet meer dan één bouwlaag worden gebouwd en mag de hoogte van een bouwlaag niet meer bedragen dan 4,50 meter.

10.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaande stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaande stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

10.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (nota van toelichting; Stb. 2012, 388) ontbreekt een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling.

10.4. Het plan maakt bebouwing mogelijk ten behoeve van de in artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels genoemde doeleinden met een oppervlakte van ongeveer 400 m2 ter plaatse van gronden waarop dat ingevolge het vorige planologische regime niet was toegestaan. Gelet op de kleinschalige bebouwing die het plan mogelijk maakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad er in dit geval terecht vanuit is gegaan dat het plan niet voorziet in detailhandel of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

Het betoog faalt.

11. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat het bestemmingsplan in strijd is met de "Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte", vastgesteld bij besluit van 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: Structuurvisie).

11.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan landelijk beleid. De raad dient met dit beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad is in de plantoelichting ingegaan op het landelijk beleid, waarbij in paragraaf 4.2.1 uitdrukkelijk wordt ingegaan op de Structuurvisie. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het landelijk beleid, in het bijzonder de Structuurvisie, onvoldoende bij de belangenafweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

12. [appellanten] stellen dat het woon- en leefklimaat van omwonenden van het perceel Sint Rochusstraat 18-22 wordt aangetast door het kappen van bomen, het verwijderen van een gedeelte van de begraafplaats, een grotere toe- en afstroom van verkeer en uitzichtvermindering.

12.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

12.2. Het belang van [appellanten] dat betrokken is bij het bestemmingsplan is hun bedrijfsbelang. Het betoog van [appellanten] heeft wat betreft de mogelijke gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden van het perceel Sint Rochusstraat 18-22, geen betrekking op hun belang. In zoverre beroepen zij zich op aspecten van de norm van een goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, die kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Aangezien het betoog om deze redenen niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, zal het buiten inhoudelijke bespreking blijven.

Het betoog faalt.

13. [appellanten] betogen dat het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zullen leiden tot toename van de al bestaande parkeerproblemen. Zij betogen dat ten onrechte in minder parkeerplaatsen wordt voorzien dan hetgeen het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (hierna: CROW) aanbeveelt. Volgens [appellanten] zou in ten minste 103 parkeerplaatsen moeten worden voorzien.

13.1. De raad stelt dat is voldaan aan de parkeernorm.

13.2. In het "Parkeer- en verkeersonderzoek C1000", opgesteld op 11 november 2011, door Royal Haskoning Nederland B.V. (hierna: het parkeer- en verkeersonderzoek), staat dat onderzoek is verricht naar het voornemen om de bestaande supermarkt op het perceel Sint Rochusstraat uit te breiden. Het onderzoek gebruikt de CROW-normen als uitgangspunt. De conclusie is dat uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen in de directe omgeving van de supermarkt noodzakelijk is. Berekend is dat 79 parkeerplaatsen binnen een straal van 80 m van de supermarkt voldoende zijn voor de toekomstige situatie. Daarbij is rekening gehouden met het uitgangspunt van het parkeerbeleid in Bunde dat 90% bezetting als vol wordt aangemerkt.

13.3. In de plantoelichting staat dat de huidige plannen voor de nieuwe Albert Heijn ertoe leiden dat er na de herinrichting van het parkeerterrein en de Sint Rochusstraat 80 parkeerplaatsen binnen een straal van circa 80 m van de ingang van de nieuwe supermarkt komen te liggen. Daarmee wordt voldaan aan de door de gemeente gehanteerde parkeernorm.

13.4. De raad stelt terecht dat in dit bestemmingsplan in beginsel voorzien moet worden in een parkeerbehoefte die gerelateerd is aan de uitbreiding van de supermarkt. [appellanten] hebben ter zitting toegelicht dat zij schatten dat er meer parkeerplaatsen nodig zijn. Deze stelling is niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op het parkeer- en verkeersonderzoek.

Het betoog faalt.

14. [appellanten] stellen dat het verkeersonderzoek ten onrechte uitgaat van de veronderstelling dat de verkeersintensiteit in de Vliegenstraat niet zal toenemen.

14.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de verkeersafwikkeling in de Vliegenstraat niet aanzienlijk zijn. Het betoog van [appellanten] dat het pand Vliegenstraat 50-52 in de toekomst mogelijk in gebruik zal worden genomen ten behoeve van detailhandel geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de Vliegenstraat een grote capaciteit heeft voor het verwerken van de verkeersstroom.

Het betoog faalt.

15. [appellanten] betogen dat de omgevingsvergunning in strijd met de Visie Welstandsbeleid Gemeente Meerssen (hierna: de Visie Welstandsbeleid) is verleend.

15.1. De Afdeling overweegt dat de enkele stelling dat in de Visie Welstandsbeleid staat dat behoud van de bestaande ruimtelijke structuur uitgangspunt dient te zijn waarbij het overwegend bestaande karakter en de kwaliteiten van het gebied worden gerespecteerd en waar mogelijk worden versterkt, alsmede dat bij aanpassingen aan bestaande gebouwen de oorspronkelijke structuur van de gebouwen gehandhaafd moet blijven, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat in strijd met de Visie Welstandsbeleid is gehandeld.

Het betoog faalt.

16. In de enkele stelling dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.27 van de Wabo is verleend ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan deze bepaling niet is voldaan.

Het betoog faalt.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Zwemstra

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

91-812.